Deuteronomii 14
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Filii estote Domini Dei vestri: non vos incidetis, nec facietis calvitium super mortuo:
1Gij zijt kinderen van Jahweh, uw God! Gij moogt u daarom om een dode niet kerven en u aan uw voorhoofd niet kaal scheren:
2quoniam populus sanctus es Domino Deo tuo, et te elegit ut sis ei in populum peculiarem de cunctis gentibus, quæ sunt super terram.
2want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd, en dat Jahweh uit alle volken, die op de aardbodem zijn, tot zijn eigen volk heeft verkoren.
3Ne comedatis quæ immunda sunt.
3Niets wat een gruwel is moogt ge eten.
4Hoc est animal quod comedere debetis: bovem, et ovem, et capram,
4De volgende dieren moogt ge dus eten: het rund, het schaap en de geit,
5cervum et capream, bubalum, tragelaphum, pygargum, orygem, camelopardalum.
5het hert, de gazel en het damhert, den steenbok, de antiloop, den wilden os en de klipgeit;
6Omne animal, quod in duas partes findit ungulam, et ruminat, comedetis.
6kortom alle viervoetige dieren, die volledig in tweeën gespleten hoeven hebben en tevens herkauwers zijn, moogt gij eten.
7De his autem, quæ ruminant, et ungulam non findunt, comedere non debetis, ut camelum, leporem, chœrogryllum: hæc, quia ruminant et non dividunt ungulam, immunda erunt vobis.
7Maar van de dieren, die herkauwen of volledig gespleten hoeven hebben, moogt ge de volgende niet eten: de kameel, de haas, de klipdas; want ze zijn wel herkauwend, doch hebben geen gespleten hoeven; ze zijn voor u onrein.
8Sus quoque, quoniam dividat ungulam et non ruminat, immunda erit. Carnibus eorum non vescemini, et cadavera non tangetis.
8Evenmin het varken, want het heeft wel volledig gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees moogt ge niet eten, en hun krengen niet aanraken.
9Hæc comedetis ex omnibus quæ morantur in aquis: quæ habent pinnulas et squamas, comedite:
9Van al wat in het water leeft, moogt ge alles eten, wat vinnen en schubben heeft.
10quæ absque pinnulis et squamis sunt, ne comedatis, quia immunda sunt.
10Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, moogt ge niet eten; het is voor u onrein.
11Omnes aves mundas comedite.
11Alle reine vogels moogt ge eten.
12Immundas ne comedatis: aquilam scilicet, et gryphem, et haliæetum,
12Maar de volgende moogt ge niet eten: de arend, de lammergier en de aasgier,
13ixion et vulturem ac milvum juxta genus suum:
13de wouw, en de verschillende soorten valken,
14et omne corvini generis,
14alle soorten raven,
15et struthionem, ac noctuam, et larum, atque accipitrem juxta genus suum:
15de struisvogel, de sperwer, de meeuw, en de verschillende soorten haviken,
16herodium ac cygnum, et ibin,
16de steenuil, de velduil en nachtuil,
17ac mergulum, porphyrionem, et nycticoracem,
17de reiger, de stinkgier en de pelikaan,
18onocrotalum, et charadrium, singula in genere suo: upupam quoque et vespertilionem.
18de ooievaar, de verschillende soorten kraanvogels, de specht en de vleermuis.
19Et omne quod reptat et pennulas habet, immundum erit, et non comedetur.
19Verder zijn alle gevleugelde insekten voor u onrein; ze mogen niet worden gegeten.
20Omne quod mundum est, comedite.
20Alle reine vogels moogt ge eten.
21Quidquid autem morticinum est, ne vescamini ex eo. Peregrino, qui intra portas tuas est, da ut comedat, aut vende ei: quia tu populus sanctus Domini Dei tui es. Non coques hædum in lacte matris suæ.
21Gij moogt geen enkel kreng eten. Gij moogt het echter aan den vreemdeling, die binnen uw poorten woont, geven om te eten, of het aan een buitenlander verkopen. Want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd. Gij moogt het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.
22Decimam partem separabis de cunctis fructibus tuis qui nascuntur in terra per annos singulos,
22Gij moet ieder jaar de tienden afzonderen van de hele opbrengst van uw zaad, dat op het veld groeit.
23et comedes in conspectu Domini Dei tui in loco quem elegerit, ut in eo nomen illius invocetur, decimam frumenti tui, et vini, et olei, et primogenita de armentis et ovibus tuis: ut discas timere Dominum Deum tuum omni tempore.
23Deze tienden van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en kudde moet ge voor het aanschijn van Jahweh, uw God, op de plaats eten, die Hij zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen. Zo zult gij Jahweh, uw God, heel uw leven lang leren vrezen.
24Cum autem longior fuerit via, et locus quem elegerit Dominus Deus tuus, tibique benedixerit, nec potueris ad eum hæc cuncta portare,
24Maar zo de afstand te groot voor u is, en gij het dus niet kunt vervoeren, omdat de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen, te ver van u is verwijderd, en omdat Jahweh, uw God, u zo rijk heeft gezegend,
25vendes omnia, et in pretium rediges, portabisque manu tua, et proficisceris ad locum quem elegerit Dominus Deus tuus:
25dan moet ge het te gelde maken en het geld met u meenemen, en naar de plaats gaan, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen.
26et emes ex eadem pecunia quidquid tibi placuerit, sive ex armentis, sive ex ovibus, vinum quoque et siceram, et omne quod desiderat anima tua: et comedes coram Domino Deo tuo, et epulaberis tu et domus tua:
26Gij kunt met het geld alles kopen wat gij verlangt: runderen, schapen, wijn en sterke drank, kortom alles wat ge begeert, en daar met uw gezin voor het aanschijn van Jahweh, uw God, een maaltijd houden en vrolijk zijn.
27et Levites qui intra portas tuas est, cave ne derelinquas eum, quia non habet aliam partem in possessione tua.
27Ook den leviet, die binnen uw poorten woont, moogt ge niet vergeten, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft.
28Anno tertio separabis aliam decimam ex omnibus quæ nascuntur tibi eo tempore, et repones intra januas tuas.
28Maar om de drie jaren moet ge alle tienden van uw opbrengst in dat jaar naar uw poorten brengen en ze daar laten liggen.
29Venietque Levites qui aliam non habet partem nec possessionem tecum, et peregrinus ac pupillus et vidua, qui intra portas tuas sunt, et comedent et saturabuntur: ut benedicat tibi Dominus Deus tuus in cunctis operibus manuum tuarum quæ feceris.
29Dan zullen de leviet, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft gekregen, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen, ze komen eten en zich verzadigen. Zo zal Jahweh, uw God, u zegenen bij alle arbeid, die gij verricht.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.