Deuteronomii 27
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Præcepit autem Moyses et seniores Israël populo, dicentes: Custodite omne mandatum quod præcipio vobis hodie.
1Toen gaf Moses met de oudsten van Israël aan het volk het volgende bevel: Onderhoudt alle geboden, die ik u geef.
2Cumque transieritis Jordanem in terram, quam Dominus Deus tuus dabit tibi, eriges ingentes lapides, et calce lævigabis eos,
2En wanneer gij de Jordaan zijt overgetrokken naar het land, dat Jahweh, uw God, u gaat geven, moet gij u grote stenen oprichten, ze met kalk bestrijken,
3ut possis in eis scribere omnia verba legis hujus, Jordane transmisso: ut introëas terram, quam Dominus Deus tuus dabit tibi, terram lacte et melle manantem, sicut juravit patribus tuis.
3en alle woorden van deze Wet daarop schrijven. En wanneer gij dus zijt overgetrokken, om in het land te komen, dat Jahweh, uw God, u gaat geven, een land dat druipt van melk en honing, zoals Jahweh, de God uwer vaderen beloofd heeft:
4Quando ergo transieritis Jordanem, erigite lapides, quos ego hodie præcipio vobis in monte Hebal, et lævigabis eos calce:
4wanneer gij dus aan de overkant van de Jordaan zijt gekomen, moet ge die stenen, waarvan Ik u spreek, met kalk bestrijken, en op de berg Ebal oprichten.
5et ædificabis ibi altare Domino Deo tuo de lapidibus, quos ferrum non tetigit,
5Dan moet gij daar voor Jahweh, uw God, een altaar bouwen. Het moet een altaar van stenen zijn, die ge niet met ijzer moogt bewerken;
6et de saxis informibus et impolitis: et offeres super eo holocausta Domino Deo tuo,
6ge moet het altaar van Jahweh, uw God, van ongehouwen stenen bouwen. En nadat gij daarop een brandoffer voor Jahweh, uw God, hebt opgedragen,
7et immolabis hostias pacificas, comedesque ibi, et epulaberis coram Domino Deo tuo.
7moet ge vredeoffers slachten, daar een maaltijd houden en vrolijk zijn voor het aanschijn van Jahweh, uw God.
8Et scribes super lapides omnia verba legis hujus plane et lucide.
8Dan moet ge op die stenen alle woorden van deze Wet schrijven, duidelijk en klaar.
9Dixeruntque Moyses et sacerdotes Levitici generis ad omnem Israëlem: Attende, et audi, Israël: hodie factus es populus Domini Dei tui:
9Nu spraken Moses en de levietische priesters tot heel Israël: Zwijg Israël, en luister! Heden zijt gij het volk van Jahweh, uw God, geworden.
10audies vocem ejus, et facies mandata atque justitias, quas ego præcipio tibi.
10Luister dus naar de stem van Jahweh, uw God, en onderhoud zijn geboden en bepalingen, die ik u heden opleg.
11Præcepitque Moyses populo in die illo, dicens:
11Daarna gaf Moses op die eigen dag het volk het volgende bevel:
12Hi stabunt ad benedicendum populo super montem Garizim, Jordane transmisso: Simeon, Levi, Judas, Issachar, Joseph, et Benjamin.
12Wanneer ge de Jordaan zijt overgetrokken, moeten Simeon, Levi, Juda, Issakar, Josef en Benjamin op de berg Gerizzim post vatten, om het volk te zegenen;
13Et e regione isti stabunt ad maledicendum in monte Hebal: Ruben, Gad, et Aser, et Zabulon, Dan, et Nephthali.
13en Ruben, Gad, Aser, Zabulon, Dan en Neftali op de berg Ebal voor de vervloeking.
14Et pronuntiabunt Levitæ, dicentque ad omnes viros Israël excelsa voce:
14Dan moeten de levieten met luider stem aan alle mannen van Israël plechtig verkonden:
15Maledictus homo qui facit sculptile et conflatile, abominationem Domini, opus manuum artificum, ponetque illud in abscondito: et respondebit omnis populus, et dicet: Amen.
15Vervloekt de man, die een gesneden of gegoten beeld, zo’n gruwel voor Jahweh, zo’n kunstenaarsmaaksel, vervaardigt, en het heimelijk opstelt. En heel het volk zal antwoorden en zeggen: Amen!
16Maledictus qui non honorat patrem suum, et matrem: et dicet omnis populus: Amen.
16Vervloekt, die zijn vader en moeder veracht. En heel het volk zal zeggen: Amen!
17Maledictus qui transfert terminos proximi sui: et dicet omnis populus: Amen.
17Vervloekt, die de grens van zijn naaste verlegt. En heel het volk zal zeggen: Amen!
18Maledictus qui errare facit cæcum in itinere: et dicet omnis populus: Amen.
18Vervloekt, die een blinde op een dwaalweg voert. En heel het volk zal zeggen: Amen!
19Maledictus qui pervertit judicium advenæ, pupilli et viduæ: et dicet omnis populus: Amen.
19Vervloekt, die het recht van vreemdeling, wees en weduwe verkracht. En heel het volk zal zeggen: Amen!
20Maledictus qui dormit cum uxore patris sui, et revelat operimentum lectuli ejus: et dicet omnis populus: Amen.
20Vervloekt, die gemeenschap houdt met de vrouw van zijn vader; want hij slaat het dek van zijn vader op. En heel het volk zal zeggen: Amen!
21Maledictus qui dormit cum omni jumento: et dicet omnis populus: Amen.
21Vervloekt, die een beest misbruikt, welk dan ook. En heel het volk zal zeggen: Amen!
22Maledictus qui dormit cum sorore sua, filia patris sui, vel matris suæ: et dicet omnis populus: Amen.
22Vervloekt, die gemeenschap houdt met zijn zuster, de dochter van zijn vader, of die zijner moeder. En heel het volk zal zeggen: Amen!
23Maledictus qui dormit cum socru sua: et dicet omnis populus: Amen.
23Vervloekt, die gemeenschap houdt met zijn schoonmoeder. En heel het volk zal zeggen: Amen!
24Maledictus qui clam percusserit proximum suum: et dicet omnis populus: Amen.
24Vervloekt, die zijn naaste in het geheim vermoordt. En heel het volk zal zeggen: Amen!
25Maledictus qui accipit munera, ut percutiat animam sanguinis innocentis: et dicet omnis populus: Amen.
25Vervloekt, die een geschenk aanneemt, om onschuldig bloed te vergieten. En heel het volk zal zeggen: Amen!
26Maledictus qui non permanet in sermonibus legis hujus, nec eos opere perficit: et dicet omnis populus: Amen.
26Vervloekt, die de woorden van deze Wet niet gestand doet, en ze niet volbrengt. En heel het volk zal zeggen: Amen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.