Deuteronomio 27
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1OR Mosè, con gli Anziani d'Israele, comandò e disse al popolo: Osservate tutti i comandamenti i quali oggi vi do.
1Toen gaf Moses met de oudsten van Israël aan het volk het volgende bevel: Onderhoudt alle geboden, die ik u geef.
2E nel giorno che sarete passati il Giordano, per entrar nel paese che il Signore Iddio vostro vi dà, rizzati delle grandi pietre, e smaltale con calcina.
2En wanneer gij de Jordaan zijt overgetrokken naar het land, dat Jahweh, uw God, u gaat geven, moet gij u grote stenen oprichten, ze met kalk bestrijken,
3E scrivi sopra esse tutte le parole di questa Legge, dopo che tu sarai passato, per entrar nel paese che il Signore Iddio tuo ti dà, paese stillante latte e miele; siccome il Signore Iddio de' tuoi padri te ne ha parlato.
3en alle woorden van deze Wet daarop schrijven. En wanneer gij dus zijt overgetrokken, om in het land te komen, dat Jahweh, uw God, u gaat geven, een land dat druipt van melk en honing, zoals Jahweh, de God uwer vaderen beloofd heeft:
4Quando adunque sarete passati il Giordano, rizzatevi queste pietre, le quali oggi vi comando, nel monte di Ebal; e smaltatele con calcina.
4wanneer gij dus aan de overkant van de Jordaan zijt gekomen, moet ge die stenen, waarvan Ik u spreek, met kalk bestrijken, en op de berg Ebal oprichten.
5Edifica ancora quivi un altare al Signore Iddio tuo, un altar di pietre; non far passare ferro sopra esse.
5Dan moet gij daar voor Jahweh, uw God, een altaar bouwen. Het moet een altaar van stenen zijn, die ge niet met ijzer moogt bewerken;
6Edifica l'altare del Signore Iddio tuo di pietre intiere; e offerisci sopra esso olocausti al Signore Iddio tuo.
6ge moet het altaar van Jahweh, uw God, van ongehouwen stenen bouwen. En nadat gij daarop een brandoffer voor Jahweh, uw God, hebt opgedragen,
7Sacrifica ancora quivi sacrificii da render grazie; e mangia, e rallegrati davanti al Signore Iddio tuo.
7moet ge vredeoffers slachten, daar een maaltijd houden en vrolijk zijn voor het aanschijn van Jahweh, uw God.
8E scrivi sopra quelle pietre tutte le parole di questa Legge chiaramente e bene.
8Dan moet ge op die stenen alle woorden van deze Wet schrijven, duidelijk en klaar.
9Mosè ancora, co' sacerdoti Leviti, parlò a tutto Israele, dicendo: Attendi, e ascolta, Israele: Oggi tu sei divenuto popolo del Signore Iddio tuo.
9Nu spraken Moses en de levietische priesters tot heel Israël: Zwijg Israël, en luister! Heden zijt gij het volk van Jahweh, uw God, geworden.
10Ubbidisci adunque alla voce del Signore Iddio tuo, e metti in opera i suoi comandamenti, e i suoi statuti, i quali oggi ti do.
10Luister dus naar de stem van Jahweh, uw God, en onderhoud zijn geboden en bepalingen, die ik u heden opleg.
11Mosè ancora in quello stesso giorno comandò, e disse al popolo:
11Daarna gaf Moses op die eigen dag het volk het volgende bevel:
12Gli uni d'infra voi stieno sopra il monte di Gherizim, per benedire il popolo quando sarete passati il Giordano; cioè, le tribù di Simeone, di Levi, di Giuda, d 'Issacar, di Giuseppe, e di Beniamino;
12Wanneer ge de Jordaan zijt overgetrokken, moeten Simeon, Levi, Juda, Issakar, Josef en Benjamin op de berg Gerizzim post vatten, om het volk te zegenen;
13e gli altri stieno sopra il monte di Ebal, per pronunziar la maledizione; cioè, le tribù di Ruben, di Gad, di Aser, di Zabulon, di Dan, e di Neftali.
13en Ruben, Gad, Aser, Zabulon, Dan en Neftali op de berg Ebal voor de vervloeking.
14E parlino i Leviti, e dicano ad alta voce a tutti gl'Israeliti:
14Dan moeten de levieten met luider stem aan alle mannen van Israël plechtig verkonden:
15Maledetto sia l'uomo che avrà fatta scultura, o statua di getto, che è cosa abbominevole al Signore, opera di man di artefice, e l'avrà riposta in luogo occulto. — E risponda tutto il popolo, e dica: Amen.
15Vervloekt de man, die een gesneden of gegoten beeld, zo’n gruwel voor Jahweh, zo’n kunstenaarsmaaksel, vervaardigt, en het heimelijk opstelt. En heel het volk zal antwoorden en zeggen: Amen!
16Maledetto sia chi sprezza suo padre o sua madre. — E dica tutto il popolo: Amen.
16Vervloekt, die zijn vader en moeder veracht. En heel het volk zal zeggen: Amen!
17Maledetto sia chi muove i termini del suo prossimo. — E tutto il popolo dica: Amen.
17Vervloekt, die de grens van zijn naaste verlegt. En heel het volk zal zeggen: Amen!
18Maledetto sia chi trasvia il cieco. — E tutto il popolo dica: Amen.
18Vervloekt, die een blinde op een dwaalweg voert. En heel het volk zal zeggen: Amen!
19Maledetto sia chi pervertisce la ragione del forestiere, dell'orfano, e della vedova. — E tutto il popolo dica: Amen.
19Vervloekt, die het recht van vreemdeling, wees en weduwe verkracht. En heel het volk zal zeggen: Amen!
20Maledetto sia chi giace con la moglie di suo padre; perciocchè egli scopre il lembo di suo padre. — E tutto il popolo dica: Amen.
20Vervloekt, die gemeenschap houdt met de vrouw van zijn vader; want hij slaat het dek van zijn vader op. En heel het volk zal zeggen: Amen!
21Maledetto sia chi si congiugne con alcuna bestia. — E tutto il popolo dica: Amen.
21Vervloekt, die een beest misbruikt, welk dan ook. En heel het volk zal zeggen: Amen!
22Maledetto sia chi giace con la sua sorella, figliuola di suo padre, o figliuola di sua madre. — E tutto il popolo dica: Amen.
22Vervloekt, die gemeenschap houdt met zijn zuster, de dochter van zijn vader, of die zijner moeder. En heel het volk zal zeggen: Amen!
23Maledetto sia chi giace con la sua suocera. — E tutto il popolo dica: Amen.
23Vervloekt, die gemeenschap houdt met zijn schoonmoeder. En heel het volk zal zeggen: Amen!
24Maledetto sia chi uccide il suo prossimo in occulto. — E tutto il popolo dica: Amen.
24Vervloekt, die zijn naaste in het geheim vermoordt. En heel het volk zal zeggen: Amen!
25Maledetto sia chi prende presente, per far morir l'innocente. — E tutto il popolo dica: Amen.
25Vervloekt, die een geschenk aanneemt, om onschuldig bloed te vergieten. En heel het volk zal zeggen: Amen!
26Maledetto sia chi non avrà attenute le parole di questa Legge, per metterle in opera. — E tutto il popolo dica: Amen.
26Vervloekt, die de woorden van deze Wet niet gestand doet, en ze niet volbrengt. En heel het volk zal zeggen: Amen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.