דְּבָרִים 14
Modern Hebrew BibleTranslation
Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1בנים אתם ליהוה אלהיכם לא תתגדדו ולא תשימו קרחה בין עיניכם למת׃
1Gij zijt kinderen van Jahweh, uw God! Gij moogt u daarom om een dode niet kerven en u aan uw voorhoofd niet kaal scheren:
2כי עם קדוש אתה ליהוה אלהיך ובך בחר יהוה להיות לו לעם סגלה מכל העמים אשר על פני האדמה׃
2want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd, en dat Jahweh uit alle volken, die op de aardbodem zijn, tot zijn eigen volk heeft verkoren.
3לא תאכל כל תועבה׃
3Niets wat een gruwel is moogt ge eten.
4זאת הבהמה אשר תאכלו שור שה כשבים ושה עזים׃
4De volgende dieren moogt ge dus eten: het rund, het schaap en de geit,
5איל וצבי ויחמור ואקו ודישן ותאו וזמר׃
5het hert, de gazel en het damhert, den steenbok, de antiloop, den wilden os en de klipgeit;
6וכל בהמה מפרסת פרסה ושסעת שסע שתי פרסות מעלת גרה בבהמה אתה תאכלו׃
6kortom alle viervoetige dieren, die volledig in tweeën gespleten hoeven hebben en tevens herkauwers zijn, moogt gij eten.
7אך את זה לא תאכלו ממעלי הגרה וממפריסי הפרסה השסועה את הגמל ואת הארנבת ואת השפן כי מעלה גרה המה ופרסה לא הפריסו טמאים הם לכם׃
7Maar van de dieren, die herkauwen of volledig gespleten hoeven hebben, moogt ge de volgende niet eten: de kameel, de haas, de klipdas; want ze zijn wel herkauwend, doch hebben geen gespleten hoeven; ze zijn voor u onrein.
8ואת החזיר כי מפריס פרסה הוא ולא גרה טמא הוא לכם מבשרם לא תאכלו ובנבלתם לא תגעו׃
8Evenmin het varken, want het heeft wel volledig gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees moogt ge niet eten, en hun krengen niet aanraken.
9את זה תאכלו מכל אשר במים כל אשר לו סנפיר וקשקשת תאכלו׃
9Van al wat in het water leeft, moogt ge alles eten, wat vinnen en schubben heeft.
10וכל אשר אין לו סנפיר וקשקשת לא תאכלו טמא הוא לכם׃
10Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, moogt ge niet eten; het is voor u onrein.
11כל צפור טהרה תאכלו׃
11Alle reine vogels moogt ge eten.
12וזה אשר לא תאכלו מהם הנשר והפרס והעזניה׃
12Maar de volgende moogt ge niet eten: de arend, de lammergier en de aasgier,
13והראה ואת האיה והדיה למינה׃
13de wouw, en de verschillende soorten valken,
14ואת כל ערב למינו׃
14alle soorten raven,
15ואת בת היענה ואת התחמס ואת השחף ואת הנץ למינהו׃
15de struisvogel, de sperwer, de meeuw, en de verschillende soorten haviken,
16את הכוס ואת הינשוף והתנשמת׃
16de steenuil, de velduil en nachtuil,
17והקאת ואת הרחמה ואת השלך׃
17de reiger, de stinkgier en de pelikaan,
18והחסידה והאנפה למינה והדוכיפת והעטלף׃
18de ooievaar, de verschillende soorten kraanvogels, de specht en de vleermuis.
19וכל שרץ העוף טמא הוא לכם לא יאכלו׃
19Verder zijn alle gevleugelde insekten voor u onrein; ze mogen niet worden gegeten.
20כל עוף טהור תאכלו׃
20Alle reine vogels moogt ge eten.
21לא תאכלו כל נבלה לגר אשר בשעריך תתננה ואכלה או מכר לנכרי כי עם קדוש אתה ליהוה אלהיך לא תבשל גדי בחלב אמו׃
21Gij moogt geen enkel kreng eten. Gij moogt het echter aan den vreemdeling, die binnen uw poorten woont, geven om te eten, of het aan een buitenlander verkopen. Want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd. Gij moogt het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.
22עשר תעשר את כל תבואת זרעך היצא השדה שנה שנה׃
22Gij moet ieder jaar de tienden afzonderen van de hele opbrengst van uw zaad, dat op het veld groeit.
23ואכלת לפני יהוה אלהיך במקום אשר יבחר לשכן שמו שם מעשר דגנך תירשך ויצהרך ובכרת בקרך וצאנך למען תלמד ליראה את יהוה אלהיך כל הימים׃
23Deze tienden van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en kudde moet ge voor het aanschijn van Jahweh, uw God, op de plaats eten, die Hij zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen. Zo zult gij Jahweh, uw God, heel uw leven lang leren vrezen.
24וכי ירבה ממך הדרך כי לא תוכל שאתו כי ירחק ממך המקום אשר יבחר יהוה אלהיך לשום שמו שם כי יברכך יהוה אלהיך׃
24Maar zo de afstand te groot voor u is, en gij het dus niet kunt vervoeren, omdat de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen, te ver van u is verwijderd, en omdat Jahweh, uw God, u zo rijk heeft gezegend,
25ונתתה בכסף וצרת הכסף בידך והלכת אל המקום אשר יבחר יהוה אלהיך בו׃
25dan moet ge het te gelde maken en het geld met u meenemen, en naar de plaats gaan, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen.
26ונתתה הכסף בכל אשר תאוה נפשך בבקר ובצאן וביין ובשכר ובכל אשר תשאלך נפשך ואכלת שם לפני יהוה אלהיך ושמחת אתה וביתך׃
26Gij kunt met het geld alles kopen wat gij verlangt: runderen, schapen, wijn en sterke drank, kortom alles wat ge begeert, en daar met uw gezin voor het aanschijn van Jahweh, uw God, een maaltijd houden en vrolijk zijn.
27והלוי אשר בשעריך לא תעזבנו כי אין לו חלק ונחלה עמך׃
27Ook den leviet, die binnen uw poorten woont, moogt ge niet vergeten, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft.
28מקצה שלש שנים תוציא את כל מעשר תבואתך בשנה ההוא והנחת בשעריך׃
28Maar om de drie jaren moet ge alle tienden van uw opbrengst in dat jaar naar uw poorten brengen en ze daar laten liggen.
29ובא הלוי כי אין לו חלק ונחלה עמך והגר והיתום והאלמנה אשר בשעריך ואכלו ושבעו למען יברכך יהוה אלהיך בכל מעשה ידך אשר תעשה׃
29Dan zullen de leviet, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft gekregen, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen, ze komen eten en zich verzadigen. Zo zal Jahweh, uw God, u zegenen bij alle arbeid, die gij verricht.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.