Prediker
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Alles heeft zijn uur; Voor al wat er onder de hemel gebeurt, is er een vaste tijd:
1Усьому під небом свій час і всякому дїлу своя пора:
2Een tijd van baren, en een tijd van sterven; Een tijd van planten, en een tijd van ontwortelen;
2Час родитись і час умірати, час насаджувати й час виривати насаджене;
3Een tijd van moorden, en een tijd van genezen; Een tijd van afbreken, en een tijd van opbouwen;
3Час убивати й час гоїти, час валити й час будовати;
4Een tijd van schreien, en een tijd van lachen; Een tijd van rouwen, en een tijd van dansen.
4Час плакати й час сьміятись; час сумовати й час танцювати,
5Een tijd van stenen wegwerpen, een tijd van stenen rapen; Een tijd van omhelzen, en een tijd van gescheiden zijn;
5Час розкидати каміннє й час збірати каміннє; час обіймати й час від обнимань відхилятись;
6Een tijd van zoeken, en een tijd van verliezen; Een tijd van bewaren, en een tijd van verspillen;
6Час шукати й час губити; час збірати й час розкидати!
7Een tijd van scheuren, en een tijd van naaien; Een tijd van zwijgen, en een tijd van spreken;
7Час роздирати й час сшивати; час мовчати й час говорити;
8Een tijd van beminnen, en een tijd van haten; Een tijd van oorlog, en een tijd van vrede.
8Час любити й час ненавидїти; час воюватись і час миритись.
9Wat heeft de zwoeger dan nog voor nut Van de moeite, die hij zich getroost?
9Яка користь буде трудящому з усієї роботи його?
10Ik begreep, hoe God aan de mensen hun taak heeft gegeven, Om er zich mee af te tobben.
10Міркував я про ту журбу, яку дав Бог людям, щоб у нїй вправлялись.
11Al wat Hij maakte, is goed op zijn tijd; En al heeft Hij ook de eeuwigheid gelegd in het hart van den mens, Toch kan de mens de daden van God Niet van het begin tot het einde doorgronden.
11Усе він сотворив свого часу гарно, й сьвіт вложив їм у душу; тільки що чоловікові не зрозуміти всього твору Божого з почину та й до кінця.
12Zo begreep ik, dat er niets beter is voor den mens, Dan zich verheugen en zich te goed doen in het leven.
12Зрозумів я, що їм нема нїчого лучшого, як веселитись і чинити добре, поки й життя їх.
13Want als iemand kan eten en drinken En van al zijn zwoegen genieten, Dan is dat een gave van God!
13І коли хто їсть і пє, й бачить добро в кожній працї своїй, то й се дар Божий.
14Ik begreep, dat al wat God doet, voor altijd blijft; Daar kan men niets aan toevoegen of van afdoen: God maakt het zo, dat men Hem vreest.
14Зрозумів я, що все, що творить Бог, тріває навіки: нїчого до того придати й нїчого з того уймити; Бог чинить усе так, щоб перед ним почесть почувати.
15Wat thans bestaat, was er reeds lang; En wat er zijn zal, bestond al vroeger; Want God zoekt wat voorbij is, telkens weer op.
15Що було, те є й тепер; що буде, те вже було, — і Бог викликає знов те, що минуло.
16Ook zag ik onder de zon, Dat het onrecht zetelt op de plaats van het recht, En de boze op de plaats van den vrome.
16Ще ж бачив я під сонцем: де б мала правда бути, там кривда; де б бути правосуддю, там кривосуддє.
17Maar ik dacht bij mijzelf: Eens zal God den vrome en den boze richten; Want ieder ding en ieder werk heeft bij Hem zijn tijd.
17І сказав я в серцї мойму: Праведного й безбожного судити ме Бог, бо прийде час про все, а тодї й суд на всякі вчинки.
18Maar als ik mijn gedachten over de mensen liet gaan, Zag ik, dat zij wel door God zijn geschapen, Maar feitelijk gelijk zijn aan het dier;
18І сказав я в серцї мойму про дїтей людських, що Бог витрібовує їх, нехай знають, що й вони зьвіррє.
19Want mens en dier hebben hetzelfde lot. De één moet sterven even goed als de ander; Want beiden hebben zij dezelfde adem. De mens heeft niets vóór boven het dier; Waarachtig, alles is ijdelheid!
19Доля бо людська й доля зьвіряча однака; як сї вмірають, так і ті вмірають, і одно диханнє у всїх, а людина не переважує зьвіря, бо все марнота.
20Zij gaan beiden naar dezelfde plaats; Beiden kwamen zij voort uit stof, En beiden keren zij terug tot stof.
20Все йде в одно місце: взялось із перстї й усе вернесь у порох.
21Wie weet of ‘s mensen levensadem opstijgt naar boven, En die van het dier naar beneden gaat in de grond?
21Хто бо знає, чи дух людський іде в гору, й чи зьвірячий дух ійде вниз, у землю?
22Zo begreep ik, dat er niets beter is voor den mens, Dan te genieten van zijn werken; want dat komt hem toe. Wie toch kan hem zekerheid geven Van wat de toekomst hem brengt?
22Оце ж я побачив, що нема нїчого лучшого, як уживати чоловікові своєї працї; бо се доля його; бо хто приведе його поглянути на те, що послї него буде?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.