Prediker 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Alles heeft zijn uur; Voor al wat er onder de hemel gebeurt, is er een vaste tijd:
1To everything there is a season, and a time for every purpose under heaven:
2Een tijd van baren, en een tijd van sterven; Een tijd van planten, en een tijd van ontwortelen;
2a time to be born and a time to die, a time to plant and a time to uproot,
3Een tijd van moorden, en een tijd van genezen; Een tijd van afbreken, en een tijd van opbouwen;
3a time to kill and a time to heal, a time to break down and a time to build,
4Een tijd van schreien, en een tijd van lachen; Een tijd van rouwen, en een tijd van dansen.
4a time to weep and a time to laugh, a time to mourn and a time to dance,
5Een tijd van stenen wegwerpen, een tijd van stenen rapen; Een tijd van omhelzen, en een tijd van gescheiden zijn;
5a time to cast away stones and a time to gather stones together, a time to embrace and a time to refrain from embracing,
6Een tijd van zoeken, en een tijd van verliezen; Een tijd van bewaren, en een tijd van verspillen;
6a time to search and a time to count as lost, a time to keep and a time to discard,
7Een tijd van scheuren, en een tijd van naaien; Een tijd van zwijgen, en een tijd van spreken;
7a time to tear and a time to mend, a time to be silent and a time to speak,
8Een tijd van beminnen, en een tijd van haten; Een tijd van oorlog, en een tijd van vrede.
8a time to love and a time to hate, a time for war and a time for peace.
9Wat heeft de zwoeger dan nog voor nut Van de moeite, die hij zich getroost?
9What does the worker gain from his toil?
10Ik begreep, hoe God aan de mensen hun taak heeft gegeven, Om er zich mee af te tobben.
10I have seen the burden that God has laid upon the sons of men to occupy them.
11Al wat Hij maakte, is goed op zijn tijd; En al heeft Hij ook de eeuwigheid gelegd in het hart van den mens, Toch kan de mens de daden van God Niet van het begin tot het einde doorgronden.
11He has made everything beautiful in its time. He has also set eternity in the hearts of men, yet they cannot fathom the work that God has done from beginning to end.
12Zo begreep ik, dat er niets beter is voor den mens, Dan zich verheugen en zich te goed doen in het leven.
12I know that there is nothing better for them than to rejoice and do good while they live,
13Want als iemand kan eten en drinken En van al zijn zwoegen genieten, Dan is dat een gave van God!
13and also that every man should eat and drink and find satisfaction in all his labor—this is the gift of God.
14Ik begreep, dat al wat God doet, voor altijd blijft; Daar kan men niets aan toevoegen of van afdoen: God maakt het zo, dat men Hem vreest.
14I know that everything God does endures forever; nothing can be added to it or taken from it. God does it so that they should fear Him.
15Wat thans bestaat, was er reeds lang; En wat er zijn zal, bestond al vroeger; Want God zoekt wat voorbij is, telkens weer op.
15What exists has already been, and what will be has already been, for God will call to account what has passed.
16Ook zag ik onder de zon, Dat het onrecht zetelt op de plaats van het recht, En de boze op de plaats van den vrome.
16Furthermore, I saw under the sun that in the place of judgment there is wickedness, and in the place of righteousness there is wickedness.
17Maar ik dacht bij mijzelf: Eens zal God den vrome en den boze richten; Want ieder ding en ieder werk heeft bij Hem zijn tijd.
17I said in my heart, “God will judge the righteous and the wicked, since there is a time for every activity and every deed.”
18Maar als ik mijn gedachten over de mensen liet gaan, Zag ik, dat zij wel door God zijn geschapen, Maar feitelijk gelijk zijn aan het dier;
18I said to myself, “As for the sons of men, God tests them so that they may see for themselves that they are but beasts.”
19Want mens en dier hebben hetzelfde lot. De één moet sterven even goed als de ander; Want beiden hebben zij dezelfde adem. De mens heeft niets vóór boven het dier; Waarachtig, alles is ijdelheid!
19For the fates of both men and beasts are the same: As one dies, so dies the other—they all have the same breath. Man has no advantage over the animals, since everything is futile.
20Zij gaan beiden naar dezelfde plaats; Beiden kwamen zij voort uit stof, En beiden keren zij terug tot stof.
20All go to one place; all come from dust, and all return to dust.
21Wie weet of ‘s mensen levensadem opstijgt naar boven, En die van het dier naar beneden gaat in de grond?
21Who knows if the spirit of man rises upward and the spirit of the animal descends into the earth?
22Zo begreep ik, dat er niets beter is voor den mens, Dan te genieten van zijn werken; want dat komt hem toe. Wie toch kan hem zekerheid geven Van wat de toekomst hem brengt?
22I have seen that there is nothing better for a man than to enjoy his work, because that is his lot. For who can bring him to see what will come after him?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.