Prediker 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nog een ander kwaad zag ik onder de zon, Dat loodzwaar drukt op den mens!
1Ще одно лихо бачив я під сонцем, а його не трохи між людьми:
2God geeft iemand rijkdom, schatten en eer, Zodat er niets aan zijn verlangens ontbreekt; Doch God staat hem niet toe, er gebruik van te maken, Maar een vreemde bedient zich er van: Dat is ijdel, een smartelijk lijden.
2Буває такий чоловяга, що Бог дає йому достатки, скарби й честь, та й не знає душа його недостачі в нїчому, чого бажає, та не дав йому Бог розуму, хіснуватись тим, а чужий тим користуєсь; се марнота, се сумна річ!
3Al had iemand honderd kinderen, Bereikte hij ook een zeer hoge leeftijd, En waren zijn dagen nog zo talrijk: Maar hij was van geluk niet verzadigd En geen begrafenis viel hem ten deel: Ik zou een misgeboorte gelukkiger achten dan hem.
3Коли б у такого чоловіка була цїла сотня дїтей, і він жив лїта многі, — та й ще умножились днї життя його, а як душа його не втїшається добром, та не було б йому й похорону, то я скажу: щасливший над його плод, перед часом народжений;
4Want zo iets komt vluchtig, gaat in duisternis heen, Zijn naam blijft in het donker verscholen;
4Сей бо нагло прийшов та й відійшов у темряву, й не знане імя його;
5Het heeft geen licht gezien, geen kennis bezeten, Maar rust heeft het meer dan de ander.
5Він навіть не видїв і не знав сонця і він спокійнїйший, нїж той.
6Al leefde hij tweeduizend jaar, maar zonder geluk: Gaan beiden niet naar dezelfde plaats?
6А той, хоч би прожив дві тисячі років, не веселившись добром своїм, — хиба ж не все пійде в однакове місце?
7Al het zwoegen van den mens geldt zijn mond; Toch wordt zijn begeerte er niet door verzadigd.
7Вся праця в людини — для її рота, а душа її не насичуєсь.
8Wat heeft dan de wijze vóór op den dwaas; Wat de arme, al verstaat hij de kunst om te leven?
8Чим же переважує розумний дурного? або такий тихий, що вміє обходитись із людьми?
9Beter is wat de ogen zien, dan het smachten der begeerte; Ook dat is ijdel en jagen naar wind.
9Однакже лучше бачити перед очима, нїж тільки жадати. І тут марнота та й утома духа.
10Al wat bestaat, werd al lang met name genoemd; Het is bepaald, dat het maar een mens is, Die niet in gericht kan treden Met Hem, die groter is dan hijzelf.
10Що є на сьвітї, тому дано імя, й знають, що се — чоловік та й що годї йому правуватись із дужчим.
11Ja, veel er over spreken vermeerdert nog de dwaasheid; Wat zou het den mens kunnen baten?
11Багато таких річей, що прибільшують марноту; та що лучше чоловікові?
12Wie zal den mens kunnen zeggen, Wat goed voor hem is in het leven, In het gering getal van zijn dagen, Die als een schaduw voorbijgaan. Wie zal den mens kunnen zeggen, Wat er na hem gebeurt onder de zon.
12Хто ж знає, що добре про чоловіка в часї марного життя його, що проходить, як тїнь? І хто скаже йому, що буде послї його під сонцем?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.