2 Koningen 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1In het derde jaar der regering van Hosjéa, den zoon van Ela over Israël, werd Ezekias, de zoon van Achaz, koning van Juda.
1У третьому роцї Осії Ілиєнка, царя Ізраїлського, настав царем Езекія Ахазенко, син царя Юдейського.
2Hij was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en heeft negen en twintig jaar te Jerusalem geregeerd. Zijn moeder heette Abi, en was de dochter van Zekarja.
2Двайцять і пять лїт віку було йому, як став царем, а двайцять і девять год царював у Ерусалимі. Матїр його звалась Аби Захаріївна.
3Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vader David.
3І чинив він праведне в очах Господнїх, притьма так, як чинив предок його Давид.
4Hij schafte de offerhoogten af, verbrijzelde de heilige zuilen en hakte de heilige palen om. Zelfs sloeg hij de koperen slang, die Moses gemaakt had, aan stukken; want tot dan toe hadden de Israëlieten daarvoor wierook gebrand, en haar Nechoesjtan genoemd.
4Він позносив висоти, порозбивав (камяні) боввани, повирубував дуброви й розбив мідяного змія, що зробив був Мойсей, — бо до того часу Ізрайлитяне кадили йому — й назвав його Нехуштан.
5Hij vertrouwde op Jahweh, en had daarin zijns gelijke niet, noch voor noch na hem, onder al de koningen van Juda.
5Він уповав на Господа, Бога Ізрайлевого, й такого, як він, не було між усїма царями Юдиними, нї послї його нї перед ним.
6Hij bleef aan Jahweh verknocht en verliet Hem niet, maar onderhield de geboden, die Jahweh aan Moses gegeven had.
6І стояв він при Господї й не відступав від його, й держав заповідї його, що заповідав Господь Мойсейові.
7Daarom was Jahweh met hem, en slaagde hij in al zijn ondernemingen. Hij kwam in opstand tegen den koning van Assjoer, en bleef hem niet dienstbaar.
7І був Господь повсячасно з ним, а у всьому, що він починав, поступав він мудро. І відпав він від царя Ассирийського й перестав служити йому.
8Ook sloeg hij de Filistijnen tot Gaza terug, en veroverde het gebied der stad met wachttorens en vestingen.
8Він побив Филистіїв аж до Гази й у всїх займищах їх від вартової башти до утвердженого городу.
9In het vierde jaar der regering van Ezekias, dat is het zevende jaar der regering van Hosjéa, den zoon van Ela, over Israël, trok Sjalmanéser, de koning van Assjoer, tegen Samaria op. Hij belegerde het,
9У четвертому роцї царя Езекії, се б то в сьомому роцї Осії Ілиєнка, царя Ізраїлського, двинув Салманассар, царь Ассирийський, проти Самариї та й обложив її,
10en nam het na verloop van drie jaar in. De inname van Samaria geschiedde in het zesde jaar van Ezekias, dat is het negende jaar der regering van Hosjéa over Israël.
10І здобув її по трьох роках, се б то в шестому роцї Езекії, а в девятому роцї Осії, царя Ізраїлського, впокорено Самарию.
11De koning van Assjoer voerde de Israëlieten in ballingschap naar Assjoer en liet hen wonen in Chalach, aan de Chabor, een kanaal van Gozan, en in enige steden van Medië.
11І перевів царь Ассирийський Ізрайлитян в Ассирию та й оселив їх у Халасї й в Хаборі, при ріцї Гозан, і в городах Мидийських,
12Dit alles gebeurde, omdat zij niet naar de stem van Jahweh, hun God, hadden geluisterd, zijn verbond hadden verlaten, niet hadden gehoorzaamd aan al wat Moses, de dienaar van Jahweh, had bevolen, en er niet naar hadden geleefd.
12Бо вони не слухали заповідей Господа, Бога свого, й переступали завіт його; усього, що заповідав Мойсей, раб Господень, вони й не слухали й не певнили.
13In het veertiende regeringsjaar van Ezekias trok Sinacherib, de koning van Assjoer, tegen alle versterkte steden van Juda op, en maakte zich daarvan meester.
13У чотирнайцятому роцї царя Езекії двинув Сеннахирим, царь Ассирийський, проти всїх утверджених городів Юдиних та й поопановував їх.
14Toen zond Ezekias, de koning van Juda, gezanten naar den koning van Assjoer te Lakisj, en liet hem zeggen: Ik heb misdreven! Trek weer van mij weg; dan zal ik opbrengen wat gij me oplegt. Nu vorderde de koning van Assjoer van Ezekias, den koning van Juda, driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud.
14І послав Езекія, царь Юдейський, до царя Ассирийського в Лахис, сказати: Я провинився. Йди назад від мене, а що на мене наложиш, нести му. І наложив царь Ассирийський на Езекію триста талантів срібла й трийцять талантів золота.
15En Ezekias gaf hem al het geld, dat in de tempel van Jahweh en in de schatkamers van het koninklijk paleis lag opgeborgen.
15І оддав Езекія все срібло, яке знайшлось у храму Господньому й в скарбівнях царської палати.
16Bij die gelegenheid liet Ezekias van de deuren van Jahweh’s tempel en van de pijlers, die hij zelf had overtrokken, het goud afsnijden, om het aan den koning van Assjoer te geven.
16Того ж часу зняв Езекія золото з дверей в храму Господньому й з стовпів у дверей, що Езекія, царь Юдейський, пообтягав був золотом, та й пооддавав його цареві Ассирийському.
17Nu zond de koning van Assjoer, van Lakisj uit, een Tartan, een opperkamerling en een opperbevelhebber met een sterke krijgsmacht naar Jerusalem tegen koning Ezekias. Toen zij zich na hun aankomst bij het kanaal van de Bovenvijver op de weg van het Blekersveld hadden opgesteld,
17Та царь Ассирийський послав Тартана та Рабсариса та Рабсака з Лахиса з великою військовою потугою до короля Езекії в Ерусалим. І пійшли вони й прийшли під Ерусалим, і зайняли становище на водопроводї вижшого ставу, на дорозї до поля красильнього.
18en om den koning riepen, ging de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe naar hen toe, vergezeld van den schrijver Sjebna en den kanselier Joach, den zoon van Azaf.
18І кликали вони царя. Вийшов же до них Еліяким Хелкієнко, начальник палати, й Себна, писарь, та Йоах Асафенко, лїтописець.
19De opperbevelhebber zeide tot hen: Gaat aan Ezekias berichten: Dit zegt de Opperkoning, de koning van Assjoer! Waar haalt ge toch uw vertrouwen vandaan?
19І промовив до них Рабсак: Скажіте Езекії: Так говорить великий царь, царь Ассирийський: Що се за надїя, на яку ти вповаєш?
20Denkt ge misschien, dat woorden alleen alkrijgsbeleid en krijgsmacht zijn? Op wien vertrouwt ge dan wel, om u tegen mij te verzetten?
20Ти говорив тільки пусті слова: до війни треба розумної ради й сили; а ти на кого вповаєш, що одорвавсь од мене?
21Zie, ge vertrouwt op Egypte, op die geknakte rietstok, die iemand de hand doorboort en wondt, als hij er op steunt; ja, dat is Farao, de egyptische koning voor iedereen, die op hem vertrouwt.
21Оце ж ти задумав опертись на Египет, — на тую надломлену тростину, що кожному, хто на неї обіпреться, забється в руку й проколе її. Таківський той Фараон, царь Египецький про всїх, що покладають на його надію.
22Misschien zult ge mij zeggen: Wij vertrouwen op Jahweh, onzen God. Maar heeft Ezekias dan zijn offerhoogten en altaren niet laten verwijderen, en tot Juda en Jerusalem gezegd: “Alleen voor dit altaar te Jerusalem moogt gij u neerwerpen?”
22Коли ж менї відкажете: Ми на Господа, Бога нашого, вповаємо, то чи ж се не той самий, що його висоти та жертівники позносив Езекія, й повелїв Юдї й Ерусалимові: Перед сим тілько жертівником, в Ерусалимі, маєте покланятись.
23Welnu, ga eens een weddenschap aan met den koning van Assjoer, mijn meester. Ik zal u twee duizend paarden leveren; maar ik wed, dat gij er niet eens de ruiters voor hebt.
23Оце ж увійди в угоду з моїм паном, царем Ассирийським: я дам тобі дві тисячі коней, коли спроможешся достати їздецїв до них.
24Maar hoe zult ge dan weerstand kunnen bieden aan de geringste onderbevelhebbers van mijn heer? Of vertrouwt ge op Egypte voor strijdwagens en ruiters?
24Як тобі оборонитись і від одного начальника найменьших слуг пана мого? Чи вповаєш на Египет задля колесниць та комонника?
25Maar ben ik dan, zonder dat Jahweh het wilde, tegen dit land opgetrokken, om het te verwoesten? Neen, Jahweh heeft mij gezegd: “Trek op naar dit land en verwoest het.”
25Та хиба ж я без волї Господньої прийшов на се місце, щоб його спустошити? Сам Господь звелїв менї: Ійди проти сієї землї й спустош її.
26Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, Sjebna en Joach zeiden tot den opperbevelhebber: Spreek maar aramees met uw dienaars; wij verstaan dat wel. Maar spreek geen joods tegen ons; want dan verstaat het volk op de muur het ook.
26І сказав Еліяким Хелкієнко та Себна та й Йоах Рабсакові: Розмовляй з рабами твоїми по сирийськи, бо ми розуміємо сю мову, а не говори до нас по юдейськи в слух людей, що на мурі.
27Maar de opperbevelhebber gaf hun ten antwoord: Heeft mijn meester mij soms met deze boodschap alleen tot u en uw koning gezonden; of ook tot die mannen daar op de muur, die hun eigen drek met u zitten te eten, en die hun eigen water drinken?
27Рабсак же відказав їм: Чи мій пан послав мене тільки до твого пана й до тебе, щоб сї слова сказати? Нї, також і до тих людей, що седять на мурі, щоб укупі з вами свій кал їсти й свою моч пити?
28Daarom kwam de opperbevelhebber nog dichterbij en riep hardop in het Joods: Hoort het woord van den Opperkoning van Assjoer!
28І виступив Рабсак та й промовив голосно по юдейськи, й каже: Слухайте слово великого царя, царя Ассирийського!
29Dit zegt de koning: Laat Ezekias u niet bedriegen; want hij kan u niet redden uit mijn hand.
29Так говорить царь: Нехай вас Езекія не баламутить, бо йому не визволити вас із руки моєї;
30En laat Ezekias u ook niet op Jahweh doen rekenen en zeggen: Jahweh zal ons zeker verlossen; deze stad zal niet in de handen van den koning van Assjoer vallen!
30Та й нехай не баламутить вас Езекія надїєю на Господа, мовляючи: Господь визволить нас і не подасть городу сього цареві Ассирийському на поталу.
31Luistert niet naar Ezekias; want dit zegt de koning van Assjoer: Sluit vrede met mij, en geeft u over; dan zal iedereen de vrucht van zijn wijnstok en vijgeboom eten, en het water drinken uit zijn put,
31Не слухайте Езекії! бо так говорить царь Ассирийський: Зробіте примиррє зо мною й вийдїть до мене, й нехай всякий їсть виноград свій й смокви свої, й кожен нехай пє воду з колодязя свого,
32totdat ik u kom meenemen naar een land, dat op het uwe gelijkt: een land van koren en wijn, van brood en wijngaarden, van olijfbomen en honing; zo zult gij leven en niet sterven. Luistert niet naar Ezekias; hij misleidt u, wanneer hij zegt: Jahweh zal ons verlossen.
32Покіль я прийду та й займу вас у таку землю, що вашій землї рівна, у землю хлїбню й винну, у землю багату на овощ і виноград, у землю маслини й меду, й будете жити, а не помрете. Оце ж не слухайте Езекії! бо він вас зводить, говорючи: Господь вирятує нас.
33Hebben soms de goden van de andere volkeren hun land uit de macht van den assyrischen koning verlost?
33Хиба боги народів вирятували, кожен свою землю, з руки царя Ассирийського?
34Waar zijn de goden van Chamat en Arpad, waar de goden van Sefarwáim, Hena en Iwwa? Waar zijn de goden van het land van Samaria; hebben zij Samaria uit mijn hand kunnen redden?
34Де боги Ематові й Арпадові? де боги Сефарваїмові, Енині й Івині? Чи ж вирятували вони Самарию з руки моєї?
35Wie is er onder de goden van al die landen, die zijn gebied uit mijn macht heeft verlost? Zou Jahweh dan Jerusalem uit mijn hand kunnen redden?
35Котрий з усїх богів сих земель вирятував свою землю з руки моєї?
36Men zweeg en antwoordde hem geen woord; want de koning had bevel gegeven: Ge moet hem niets terugzeggen.
36І мовчав народ і не відказували йому нї слова, бо мали наказ від царя: Не відповідайте йому.
37Maar de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, de schrijver Sjebna en de kanselier Joach, de zoon van Azaf, scheurden hun klederen en gingen naar Ezekias, om hem de woorden van den opperbevelhebber over te brengen.
37І прийшов Еліяким Хелкієнко, начальник палати, та Себна, писарь, та й Йоах Асафенко, лїтописець, з роздертою одїжжю до Езекії, та й оповіли йому слова Рабсакові.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.