2 Koningen 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Josias was acht jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een en dertig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Jedida, en was de dochter van Adaja uit Boskat.
1Вісїм год було Йосії, як він настав царем, а трийцять і один рік царював у Ерусалимі. Матїр його звали Едида Адаївна, з Бозкафи.
2Hij deed wat goed was in de ogen van Jahweh, en volgde in alles het voorbeeld van zijn vader David, zonder rechts of links daarvan af te wijken.
2І чинив він те, що було Господеві до вподоби, й ходив як раз дорогою предка свого Давида й не хибив з неї нї праворуч, нї лїворуч.
3In het achttiende jaar van zijn regering zond koning Josias den geheimschrijver Sjafan, den zoon van Asaljáhoe, zoon van Mesjoellam, naar de tempel van Jahweh met de opdracht:
3У вісїмнайцятому ж роцї царя Йосії послав царь писаря Шафана, сина Азаліїного, Мешулламенка, у храм Господень, повелїваючи:
4Ga naar den hogepriester Chilki-jáhoe, en laat hem het offergeld te voorschijn halen, dat de dorpelwachters in de tempel van Jahweh bij het volk hebben ingezameld.
4Ійди до первосьвященника Хелкії, нехай він перелїчить гроші, що приношено в храм Господень, і що сторожі порогові зібрали від народу,
5Het moet aan de opzichters der werklieden van de tempel van Jahweh ter hand worden gesteld. Dezen moeten het aan de werklieden uitbetalen, die aan de tempel van Jahweh werken, om de bouwvallige delen te herstellen:
5І нехай передадуть їх наставникам ремісників, приставленим до храму Господнього, а сї нехай роздадуть їх робітникам в дому Господньому на направу попсованого в храму,
6aan de steenhouwers, de bouwmeesters, de bouwlieden en de timmerlieden; bovendien moeten zij er hout en gehouwen steen voor de herstellingswerken aan de tempel voor kopen.
6Теслям, каменотесам та мурарям, та й на закуп дерева й тесаного каміння до направи храму;
7Over het geld, dat hun ter hand wordt gesteld, behoeven ze geen rekenschap af te leggen; want het zijn vertrouwde mensen.
7Однакже не требувати від них рахунку з грошей переданих у їх руки, бо вони орудують чесно.
8Maar nu sprak de hogepriester Chilki-jáhoe tot den geheimschrijver Sjafan: Ik heb in de tempel van Jahweh het boek der wet gevonden. Hij reikte het aan Sjafan over, en deze las het.
8І сказав первосьвященник писареві Шафанові: Я знайшов книгу закону в дому Господньому. І подав Хелкія Шафанові книгу, й той читав її.
9Daarop ging de geheimschrijver Sjafan aan den koning verslag uitbrengen, en zeide: Uw dienaren hebben het geld, dat zich in de tempel bevond, te voorschijn gehaald, en het aan de opzichters en werklieden van de tempel van Jahweh gegeven.
9І вернувся писарь Шафан до царя, й здав цареві справу, говорючи: Слуги твої взяли гроші, що знайшлись у храму, й передали їх наставникам над роботами, приставленим до храму Господнього.
10Tegelijkertijd deelde de geheimschrijver Sjafan den koning mee: De priester Chilki-ja heeft mij een boek gegeven. En Sjafan las het den koning voor.
10І оповідав писарь Шафан цареві: Сьвященник Хелкія дав менї книгу. І читав її Шафан перед царем.
11Toen de koning hoorde, wat er in het boek der wet stond geschreven, scheurde hij zijn klederen.
11Почувши царь слова книги закону, роздер одежу на собі.
12En aanstonds gaf hij aan den priester Chilki-ja, aan Achikam, den zoon van Sjafan, aan Akbor, den zoon van Mikaja, en aan den geheimschrijver Sjafan en den hofbeambte Asaja de opdracht:
12І повелїв царь сьвященникові Хелкії та Ахикамові Шафаненкові, та Ахборові Михеєнкові, та писареві Шафанові, та Асаїї, слузї царському, говорючи:
13Gaat voor mij en het volk van heel Juda Jahweh raadplegen over de inhoud van dit teruggevonden boek; want Jahweh moet wel in hevige toorn tegen ons zijn ontstoken, omdat onze vaderen niet geluisterd hebben naar de bevelen van dit boek, en zich niet hebben gestoord aan al wat er in geschreven staat.
13Ійдїте й поспитайте Господа за мене й за нарід і за всю Юдею що до слів сієї книги, що знайдено; великий бо гнїв Господень запалав на нас за те, що батьки наші не слухали словес книги сієї, щоб так притьма чинити, як нам приписано.
14Daarom ging de priester Chilki-jáhoe met Achikam, Akbor, Sjafan en Asaja naar de profetes Choelda, de vrouw van den magazijnmeester Sjalloem, den zoon van Tikwa, zoon van Charchas, die in de voorstad van Jerusalem woonde, om de zaak met haar te bespreken.
14І пійшов сьвященник Хелкія з Ахикамом, Ахбором, Шафаном й Асаїєю до пророчицї Олдами, жони Шаллумової, сина Тикви Хархасенка, доглядника одеж, — жила ж вона в Ерусалимі, в другій частї — й розмовляли вони з нею.
15Zij zeide tot hen: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Zegt aan den man, die u tot Mij heeft gezonden:
15І промовила вона до них: Так говорить Господь, Бог Ізрайлїв: Скажіте чоловікові, що вас до мене послав:
16Zo spreekt Jahweh! Ik ga onheil brengen over deze plaats en haar bewoners: al wat in het boek staat geschreven, dat de koning van Juda gelezen heeft.
16Тако глаголе Господь: Ось я наведу лихо на се місце й на осадники його, — всї погрози в книзї, що прочитав царь Юдейський.
17Omdat zij Mij hebben verlaten en voor andere goden hebben geofferd, om Mij met het maaksel van hun handen te tergen, daarom zal mijn toorn tegen deze plaats ontvlammen en niet meer worden gedoofd.
17За те, що покинули мене та й кадять иншим богам, щоб мене підпалювати на гнїв усїма вчинками рук своїх, запалав гнїв мій проти місця сього та й не погасне.
18Maar aan den koning van Juda, die u gezonden heeft, om Jahweh te raadplegen, kunt ge dit zeggen: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Omdat bij het horen der bedreigingen
18Цареві ж Юдейському, що вас послав поспитати Господа, скажіте: Так говорить Господь, Бог Ізрайлїв, що до слів, які ти чув:
19uw hart werd ontsteld; omdat gij u voor Jahweh hebt vernederd, toen gij vernaamt, hoe Ik tegen deze plaats en haar bewoners gezegd had, dat zij een hoon en een vloek zouden worden; omdat gij uw klederen gescheurd en voor mijn aanschijn geweend hebt: daarom heb Ik u verhoord, is de godsspraak van Jahweh!
19Що твоє серце помякшало й ти впокорився перед Господом, як почув єси, що я висказав проти сього місця й осадників його, що вони викличуть страх і прокляттє, та що роздер єси одежу на собі й плакав передо мною, за се й я вислухав тебе, — говорить Господь.
20(a) Ik zal u tot uw vaderen verzamelen, en gij zult in vrede worden bijgezet in uw graf; want uw ogen zullen niets van het onheil aanschouwen, dat Ik over deze plaats ga brengen! Toen zij dit antwoord aan den koning hadden meegedeeld,
20Оце ж я прилучу тебе до батьків твоїх, і ти спочнеш в твойму гробовищі в мирі, а очі твої не побачать всїх злигоднїв, що я наведу на се місце. І принесли вони цареві відповідь.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.