2 Koningen 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Josias was acht jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een en dertig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Jedida, en was de dochter van Adaja uit Boskat.
1یوشیا هشت ساله بود که پادشاه شد ودر اورشلیم سی و یک سال سلطنت نمود. و اسم مادرش یدیده، دختر عدایه، ازبصقت بود.
2Hij deed wat goed was in de ogen van Jahweh, en volgde in alles het voorbeeld van zijn vader David, zonder rechts of links daarvan af te wijken.
2و آنچه را که در نظر خداوند پسندبود، به عمل آورد، و به تمامی طریق پدر خود، داود سلوک نموده، به طرف راست یا چپ انحراف نورزید.
3In het achttiende jaar van zijn regering zond koning Josias den geheimschrijver Sjafan, den zoon van Asaljáhoe, zoon van Mesjoellam, naar de tempel van Jahweh met de opdracht:
3و در سال هجدهم یوشیا پادشاه واقع شد که پادشاه، شافان بن اصلیا بن مشلام کاتب را به خانه خداوند فرستاده، گفت:
4Ga naar den hogepriester Chilki-jáhoe, en laat hem het offergeld te voorschijn halen, dat de dorpelwachters in de tempel van Jahweh bij het volk hebben ingezameld.
4«نزد حلقیا رئیس کهنه برو و او نقرهای را که به خانه خداوند آورده میشود و مستحفظان در، آن را از قوم جمع میکنند، بشمارد.
5Het moet aan de opzichters der werklieden van de tempel van Jahweh ter hand worden gesteld. Dezen moeten het aan de werklieden uitbetalen, die aan de tempel van Jahweh werken, om de bouwvallige delen te herstellen:
5و آن را بهدست سرکارانی که بر خانه خداوند گماشته شدهاند، بسپارند تا ایشان آن را به کسانی که در خانه خداوند کار میکنند، به جهت تعمیر خرابیهای خانه بدهند،
6aan de steenhouwers, de bouwmeesters, de bouwlieden en de timmerlieden; bovendien moeten zij er hout en gehouwen steen voor de herstellingswerken aan de tempel voor kopen.
6یعنی به نجاران و بنایان و معماران، و تا چوبها و سنگهای تراشیده به جهت تعمیر خانه بخرند.»
7Over het geld, dat hun ter hand wordt gesteld, behoeven ze geen rekenschap af te leggen; want het zijn vertrouwde mensen.
7امانقرهای را که بهدست ایشان سپردند، حساب نکردند زیرا که به امانت رفتار نمودند.
8Maar nu sprak de hogepriester Chilki-jáhoe tot den geheimschrijver Sjafan: Ik heb in de tempel van Jahweh het boek der wet gevonden. Hij reikte het aan Sjafan over, en deze las het.
8و حلقیا، رئیس کهنه، به شافان کاتب گفت: «کتاب تورات را در خانه خداوند یافتهام.» وحلقیا آن کتاب را به شافان داد که آن را خواند.
9Daarop ging de geheimschrijver Sjafan aan den koning verslag uitbrengen, en zeide: Uw dienaren hebben het geld, dat zich in de tempel bevond, te voorschijn gehaald, en het aan de opzichters en werklieden van de tempel van Jahweh gegeven.
9وشافان کاتب نزد پادشاه برگشت و به پادشاه خبرداده، گفت: «بندگانت، نقرهای را که در خانه خداوند یافت شد، بیرون آوردند و آن را بهدست سرکارانی که بر خانه خداوند گماشته بودند، سپردند.»
10Tegelijkertijd deelde de geheimschrijver Sjafan den koning mee: De priester Chilki-ja heeft mij een boek gegeven. En Sjafan las het den koning voor.
10و شافان کاتب، پادشاه را خبر داده، گفت: «حلقیا، کاهن، کتابی به من داده است.» پس شافان آن را به حضور پادشاه خواند.
11Toen de koning hoorde, wat er in het boek der wet stond geschreven, scheurde hij zijn klederen.
11پس چون پادشاه سخنان سفر تورات راشنید، لباس خود را درید.
12En aanstonds gaf hij aan den priester Chilki-ja, aan Achikam, den zoon van Sjafan, aan Akbor, den zoon van Mikaja, en aan den geheimschrijver Sjafan en den hofbeambte Asaja de opdracht:
12و پادشاه، حلقیای کاهن و اخیقام بن شافان و عکبور بن میکایا وشافان کاتب و عسایا، خادم پادشاه را امر فرموده، گفت:
13Gaat voor mij en het volk van heel Juda Jahweh raadplegen over de inhoud van dit teruggevonden boek; want Jahweh moet wel in hevige toorn tegen ons zijn ontstoken, omdat onze vaderen niet geluisterd hebben naar de bevelen van dit boek, en zich niet hebben gestoord aan al wat er in geschreven staat.
13«بروید و از خداوند برای من و برای قوم و برای تمامی یهودا درباره سخنانی که در این کتاب یافت میشود، مسالت نمایید، زیرا غضب خداوند که بر ما افروخته شده است، عظیم میباشد، از این جهت که پدران ما به سخنان این کتاب گوش ندادند تا موافق هرآنچه درباره مامکتوب است، عمل نمایند.»
14Daarom ging de priester Chilki-jáhoe met Achikam, Akbor, Sjafan en Asaja naar de profetes Choelda, de vrouw van den magazijnmeester Sjalloem, den zoon van Tikwa, zoon van Charchas, die in de voorstad van Jerusalem woonde, om de zaak met haar te bespreken.
14پس حلقیای کاهن و اخیقام و عکبور وشافان و عسایا نزد حلده نبیه، زن شلام بن تقوه بن حرحس لباس دار، رفتند و او در محله دوم اورشلیم ساکن بود. و با وی سخنگفتند.
15Zij zeide tot hen: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Zegt aan den man, die u tot Mij heeft gezonden:
15و او به ایشان گفت: «یهوه، خدای اسرائیل چنین میگوید: به کسیکه شما را نزد من فرستاده است، بگویید:
16Zo spreekt Jahweh! Ik ga onheil brengen over deze plaats en haar bewoners: al wat in het boek staat geschreven, dat de koning van Juda gelezen heeft.
16خداوند چنین میگوید: اینک من بلایی بر این مکان و ساکنانش خواهم رسانید، یعنی تمامی سخنان کتاب را که پادشاه یهوداخوانده است،
17Omdat zij Mij hebben verlaten en voor andere goden hebben geofferd, om Mij met het maaksel van hun handen te tergen, daarom zal mijn toorn tegen deze plaats ontvlammen en niet meer worden gedoofd.
17چونکه مرا ترک کرده، برای خدایان دیگر بخورسوزانیدند تا به تمامی اعمال دستهای خود، خشم مرا به هیجان بیاورند. پس غضب من بر این مکان مشتعل شده، خاموش نخواهد شد.
18Maar aan den koning van Juda, die u gezonden heeft, om Jahweh te raadplegen, kunt ge dit zeggen: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Omdat bij het horen der bedreigingen
18لیکن به پادشاه یهودا که شما را به جهت مسالت نمودن از خداوند فرستاده است، چنین بگویید: یهوه، خدای اسرائیل چنین میفرماید: درباره سخنانی که شنیدهای
19uw hart werd ontsteld; omdat gij u voor Jahweh hebt vernederd, toen gij vernaamt, hoe Ik tegen deze plaats en haar bewoners gezegd had, dat zij een hoon en een vloek zouden worden; omdat gij uw klederen gescheurd en voor mijn aanschijn geweend hebt: daarom heb Ik u verhoord, is de godsspraak van Jahweh!
19چونکه دل تو نرم بود و هنگامی که کلام مرادرباره این مکان و ساکنانش شنیدی که ویران ومورد لعنت خواهند شد، به حضور خداوندمتواضع شده، لباس خود را دریدی، و به حضورمن گریستی، بنابراین خداوند میگوید: من نیز تورا اجابت فرمودم.
20(a) Ik zal u tot uw vaderen verzamelen, en gij zult in vrede worden bijgezet in uw graf; want uw ogen zullen niets van het onheil aanschouwen, dat Ik over deze plaats ga brengen! Toen zij dit antwoord aan den koning hadden meegedeeld,
20لهذا اینک من، تو را نزدپدرانت جمع خواهم کرد و در قبر خود به سلامتی گذارده خواهی شد و تمامی بلا را که من بر این مکان میرسانم، چشمانت نخواهد دید.» پس ایشان نزد پادشاه جواب آوردند.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.