2 Koningen
Chapter 8
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Eliseus had in een gesprek met de vrouw, wier zoon hij ten leven had opgewekt, gezegd: Vertrek, en ga met uw gezin voor enige tijd ergens in het buitenland wonen; want Jahweh dreigt met hongersnood. Die is er trouwens reeds, en zal zeven jaar duren.
1Елисей розмовляв з молодицею, що воскресив сина її, й рече їй: Збирайся й ійди з твоїми домівниками звідсї та й зупинись денебудь, де зможеш, бо Господь нашле семилїтню голоднечу на сю землю.
2En de vrouw was vertrokken en had gedaan, wat de godsman gezegd had; zij was heengegaan met haar gezin, en had zeven jaar in het land der Filistijnen vertoefd.
2Знялась тодї молодиця та й учинила по слову чоловіка Божого, й пійшла з домовниками своїми звідти та й пробувала сїм лїт в Филистійській землї.
3Na verloop van zeven jaar was de vrouw uit het land der Filistijnen teruggekeerd, en nu ging zij naar den koning, om zijn hulp in te roepen voor haar huis en haar land.
3Як уплив же семий рік, вернулась молодиця з Филистійської землї та й прийшла просити царя про свою господу й поля свої.
4De koning was toen in gesprek met Gechazi, den dienaar van Eliseus. Hij zeide: Vertel me toch al de wonderen, die Eliseus gedaan heeft.
4Царь же саме тодї розмовляв із Гієзієм, слугою чоловіка Божого, та й каже: Роскажи ж менї про всї великі дїла, які вчинив Елисей.
5En juist was hij den koning aan het vertellen, hoe Eliseüs een dode had opgewekt, toen de vrouw, wier zoon hij het leven had weergegeven, bij den koning kwam smeken om haar huis en haar land. Gechazi zeide: Mijn heer en koning, daar hebt gij de vrouw met haar zoon, dien Eliseus heeft opgewekt.
5Тим часом, як він росказував цареві, що той мертвого оживив, появилась молодиця, що її сина він оживив, щоб шукати в царя помочі про свою господу й поля. І каже Гієзій: Пане мій, царю, оце й є та молодиця, а се її син, що Елисей воскресив його!
6Nu ondervroeg de koning de vrouw, en zij vertelde hem alles. Toen gaf de koning haar een kamerling mee met de opdracht: Zorg er voor, dat zij heel haar eigendom terugkrijgt, met heel de opbrengst van de akker sinds het ogenblik, waarop zij het land verliet, tot heden toe.
6І поспитав царь у молодицї, а вона розказала йому. І дав їй царь одного дворака та й повелїв йому: Гледи, щоб усе, що до неї належить, а до того й усю користь із її нив вернено їй з того часу, як покинула землю, аж по сей день!
7Eliseus kwam eens te Damascus, ter, wijl koning Ben-Hadad van Aram ziek lag. Toen men den koning berichtte, dat de godsman in de stad was aangekomen,
7І пійшов Елисей у Дамаск, саме як Бенадад, царь Сирийський, лежав у недузї. Як же йому сказано: Прийшов сюди чоловік Божий,
8zeide hij tot Chazaël: Neem geschenken mee en ga naar den godsman, om door zijn bemiddeling Jahweh te raadplegen, en Hem te vragen, of ik van deze ziekte genezen zal.
8Каже царь Азаїлові: Візьми з собою гостинцї, йди зустріч Божому чоловікові та й поспитай через його в Господа, чи я одужаю з сієї недуги моєї.
9Chazaël ging er dus heen, en nam als geschenk veertig kameellasten met allerlei kostbaarheden van Damascus mee. Bij den godsman aangekomen, maakte hij zijn opwachting, en zeide: Uw zoon Ben-Hadad, de koning van Aram, zendt mij tot u, om u te vragen, of hij van zijn ziekte genezen zal.
9І пійшов Азаїл зустріч йому, взявши з собою гостинцї, всякі дорогощі Дамаські, скілько сорок верблюдів могли понести, й, прийшовши, став перед ним та й промовив: Син твій Бенадад, царь Сирийський, послав мене до тебе поспитати: Чи одужаю я з сієї недуги моєї?
10Eliseus antwoordde: Ga hem maar zeggen, dat hij zal genezen; doch Jahweh heeft mij geopenbaard, dat hij zeker zal sterven.
10І відказав йому Елисей: Йди, скажи йому: Одужаєш, хоч Господь виявив менї, що він мусить умерти.
11Maar nu verstarde het gelaat van den godsman; hij werd hevig ontsteld, en begon ten slotte te wenen.
11І вдививсь (Елисей) в його, так що він аж занепокоївся, і заплакав чоловік Божий.
12Chazaël vroeg hem: Heer, waarom weent gij? Hij antwoordde: Omdat ik weet, hoeveel kwaad gij de Israëlieten zult aandoen; hun vestingen zult gij in brand steken, hun jonge mannen met het zwaard doden, hun kleine kinderen verpletteren en hun zwangere vrouwen openrijten.
12І питає в його Азаїл: Чого ти плачеш, добродїю? І відказав він: Бо знаю, яке ти лихо заподїєш Ізрайлеві. Утверджені їх городи пустиш ти пожаром, а їх молодїж побєш мечем, дїтвору їх пороздоптуєш, і вагітних жінок розтинати меш.
13Chazaël zeide: Maar hoe kan uw dienaar, een dode hond, zo iets geweldigs verrichten? Eliseus antwoordde: Jahweh heeft mij u als koning van Aram doen zien.
13І відказав Азаїл: Хто ж такий раб твій, я, пес, щоб таке страшне чинити? І рече Елисей: Господь указав менї в тобі царя Сирийського.
14Zo ging hij van Eliseus heen. Toen hij bij zijn heer was aangekomen, vroeg deze hem: Wat heeft Eliseus u gezegd? Hij antwoordde: Hij heeft mij gezegd, dat gij genezen zult.
14От і пійшов собі він од Елисея, а як прийшов до свого пана, питає сей: Що сказав Елисей? І відповів: Казав, що ти одужаєш.
15Maar de volgende dag nam hij een laken, doopte het in water en drukte het Ben-Hadad op het gezicht. Deze stierf, en Chazaël werd koning in zijn plaats.
15На другий же день узяв він покривало, намочив його в водї та й розпростер на його лицї, і він умер, а Азаїл зробився намість його царем.
16In het vijfde jaar der regering van Joram, den zoon van Achab, over Israël, werd Joram, de zoon van Josafat, koning van Juda.
16І зробився в пятому роцї Йорама Ахабенка, царя Ізрайлевого, царем Йорам, син Йосафатів, царя Юдиного.
17Hij was twee en dertig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde acht jaar te Jerusalem.
17Трийцять і два роки було віку його, як зробився царем, а царював вісїм год у Ерусалимі.
18Hij volgde het wangedrag van de koningen van Israël, evenals het huis van Achab; want hij was met een dochter van Achab gehuwd. Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh.
18І ходив він дорогою царів Ізраїлських, як чинив дом Ахабів, бо держав дочку Ахабову, й чинив те, що було Господеві не до вподоби.
19Toch wilde Jahweh Juda niet vernietigen terwille van David, zijn dienaar, tot wien Hij gezegd had, dat Hij hem voor altijd een licht zou geven voor zijn aanschijn.
19Та Господь не хотїв вигубити Юду задля раба свого Давида, бо він обітував йому дати сьвіточ в дїтях його по всї часи.
20Tijdens zijn regering maakten de Edomieten zich onafhankelijk van Juda, en stelden een eigen koning aan.
20Під його царюваннєм визволились Едомії зпід верховоду Юдиного та й поставили царя над собою.
21Daarom trok Joram met al zijn strijdwagens naar Saïr. Maar toen hij ‘s nachts een aanval waagde, werd hij door de Edomieten omsingeld en met de aanvoerders van zijn strijdwagens verslagen, en het volk vluchtte naar huis.
21І двинув Йорам з усїма боєвими возами під Заїр, і піднявсь уночі та й побив Ідуміїв, що держали його в облязї, й їх начальників над колесницями, а люд повтїкав додому.
22Zo werd Edom van Juda onafhankelijk, en is het gebleven tot heden toe. Ook Libna ging bij die gelegenheid verloren.
22Та відпали Едомії зпід верховоду Юдиного по сей день. Тодї ж відпала й Либна.
23De verdere geschiedenis van Joram, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
23Проче про Йорама й про все, що він творив, прописано в книзї лїтописній царів Юдиних.
24Joram ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de Davidstad bij zijn vaderen begraven. Zijn zoon Achazja volgde hem op.
24І спочив Йорам із батьками своїми й поховано його коло батьків його в Давидовому городї, а син його Охозія зробився царем намість його.
25In het twaalfde jaar der regering van Joram, den zoon van Achab, over Israël, werd Achazja, de zoon van Joram, koning van Juda.
25У двайцятому роцї Йорамовому Ахабенковому, царя Ізрайлевого, настав царем Охозія, син Йорама, царя Юдейського.
26Achazja was twee en twintig jaar, toen hij koning werd, en regeerde één jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Ataljáhoe, en was de dochter van Amri.
26Двайцять і два годи було віку Охозієвого, як він став царем, а царював один рік у Ерусалимі. Матїр його звалась Готолїя, внука Амбрієва, царя Ізраїлського.
27Hij volgde het wangedrag van het huis van Achab en deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, juist als het huis van Achab; hij was trouwens met het huis van Achab verwant.
27І ходив він дорогою дому Ахабового, й чинив те, що було Господеві не до вподоби, як і дом Ахабів, бо був посвоячений із домом Ахабовим.
28Toen Joram, de zoon van Achab, ten strijde trok tegen koning Chazaël van Aram, werd hij bij Rama in Gilad door de Arameën gewond.
28І двинув він із Йорамом Ахабенком на війну проти Азаїла, царя Сирийського, під Рамот у Галаадї; та Сирийцї поранили Йорама.
29Daarom keerde koning Joram terug, om te Jizreël te herstellen van de wonden, die de Arameën hem in de oorlog met Chazaël, den koning van Aram, bij Rama hadden toegebracht. En bij die gelegenheid kwam Achazja, de zoon van Joram en koning van Juda, den zieken Joram, den zoon van Achab, te Jizreël bezoeken.
29І вернувсь царь Йорам у Езреель, щоб вигоювати рани, що задали йому Сирийцї в Рамотї, як воював із Азаїлем, царем Сирийським. І прийшов був Охозія Йораменко, царь Юдин, одвідати в Езреелї Йорама Ахабенка, бо він лежав у недузї.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.