2 Koningen 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen koning Ezekias dit hoorde, scheurde hij zijn klederen, sloeg het boetekleed om, en ging naar de tempel van Jahweh.
1Почувши се царь Езекія, роздер одежу на собі, обгорнувся волосяним веретищем і пійшов у храм Господень.
2Tegelijkertijd zond hij Eljakim, den hofmaarschalk, met den schrijver Sjebna en de oudsten der priesters, in boeteklederen gehuld, naar den profeet Isaias, den zoon van Amos.
2Еліякима ж, начальника палати, та Себну, писаря, вкупі з значнїйшими сьвященниками, окритих веретищами, послав до пророка Ісаії Амосенка.
3Ze moesten hem zeggen: Dit zegt Ezekias! Deze dag is een dag van benauwing, van straf en van smaad; de kinderen openen de moederschoot al, maar de kracht om te baren ontbreekt.
3І промовили вони до його: Так говорить Езекія: День смутку, лайки й сорому є день сей: прийшли сини до породу, та нема снаги вродити.
4Maar wellicht heeft Jahweh, uw God, acht geslagen op de woorden van den opperbevelhebber, die door zijn heer, den koning van Assjoer, gezonden werd, om den levenden God te honen, en straft Jahweh, uw God, hem om de woorden die Hij gehoord heeft. Zend dus een bede omhoog voor het overschot, dat er nog is!
4Може, почує Господь, Бог твій, усї слова Рабсакові, що його послав пан його, царь Ассирийський, зневажати живого Бога й поругати словами, що їх чув Господь, Бог твій. Благай же за тих, що зостались іще живими.
5Toen dan de dienaren van koning Ezekias bij Isaias waren gekomen,
5Як же прийшли слуги царя Езекії до Ісаії,
6sprak Isaias tot hen: Dit moet ge tot uw meester zeggen: Zo spreekt Jahweh! Wees niet bang voor de woorden, die gij gehoord hebt, en waarmee de knechten van den assyrischen koning Mij hebben gehoond.
6Сказав їм Ісаїя: Промовте так до вашого пана: Так говорить Господь: Не лякайся тих речей, що чув єси, якими поругали мене слуги царя Ассирийського.
7Zie, Ik zal een geest in hem zenden, waardoor hij terugkeert naar zijn land, zodra hij geruchten verneemt; en in zijn land zal Ik hem door het zwaard doen vallen!
7Отсе я пошлю в його такого духу, що він почує звістку й вернеться він у свою землю, й поляже в своїй землї од меча.
8De opperbevelhebber keerde nu naar den koning van Assjoer terug. En daar hij vernomen had, dat deze Lakisj al had verlaten, trof hij hem bij Libna aan, dat juist door hem belegerd werd.
8Коли вернувсь Рабсак назад, найшов царя Ассирийського, як облягав Либну, бо перечув, що той відойшов од Лахиса.
9En toen deze hoorde: “Tirháka, de koning van Koesj, is tegen u ten strijde getrokken,” zond hij opnieuw gezanten naar Ezekias met de volgende opdracht:
9Як довідався ж про Тиргаку, царя Етиопського, що говорили: Вирушив він, щоб воювати з тобою, послав знов посли до Езекії, сказати:
10Zegt dit aan Ezekias, den koning van Juda: Laat uw God, op wien gij vertrouwt, u niet bedriegen en zeggen: Jerusalem zal niet worden overgeleverd aan den assyrischen koning.
10Промовте так до Езекії, царя Юдиного: Не давай твойму Богові, що на його вповаєш, баламутити тебе, думаючи: Ерусалим не буде подан цареві Ассирийському на поталу.
11Zie, ge hebt toch gehoord, dat de koningen van Assjoer alle landen ten ondergang hebben gedoemd; en zoudt gij dan ontsnappen?
11Ти сам чував, що творили царі Ассирийські з усїма землями, розпростираючи на їх проклін, а ти б то від його вирятувався?
12Hebben de goden de volkeren gered, die door mijn vaderen werden vernield: Gozan, Charan, Résef, en de bewoners van Éden in Telassar?
12Хиба ж боги народів, що їх мої предки в нїщо пообертали, вирятували їх, — як Гозан та Харан та Резеф та людей Еденських у Талассарі?
13Waar is de koning van Chamat gebleven, en de koning van Arpad, de koning van Sefarwáim, Hena en Iwwa?
13Де царь Ематський й царь Арпадський й царь пад городом Сефарваїмом, Еною й Іввою?
14Toen Ezekias van de gezanten de brief had ontvangen, en hem had gelezen, ging hij naar de tempel, legde hem open voor Jahweh neer,
14Взявши ж Езекія письмо з рук поселських і прочитавши його, пійшов у храм Господень та й розгорнув його перед Господом,
15en bad tot Jahweh: Jahweh, Israëls God, die op de cherubs troont; Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde; Gij hebt hemel en aarde geschapen!
15І молився Езекія перед Господом і говорив: Господи, Боже Ізрайлїв, що престолуєш над херувимами! ти один Бог над усїма царствами на землї; ти сотворив небо й землю.
16Ach Jahweh, neig toch uw oor, en luister; open uw ogen, o Jahweh, en zie: Verneem, wat Sinacherib mij gemeld heeft, om den levenden God te honen.
16Прихили, Господи, ухо твоє та й почуй; одкрий, Господи, очі твої, та й побач! Почуй же слова Сеннахирима, що прислав, щоб живого Бога зневажити!
17Ach Jahweh, het is waar: de koningen van Assjoer hebben de volkeren met hun landen verwoest.
17Справдї, Господи, царі Ассирийські попустошили народи й землї,
18Ze hebben ook hun goden in het vuur geworpen en vernield; want ze waren geen god, maar enkel het werk van mensenhanden, van hout en van steen.
18І повкидали богів їх ув огонь, та то не боги, а робота рук людських, дерево й камінь, тим і змогли їх понївечити.
19Ach Jahweh, onze God, red ons nu uit zijn handen, opdat alle koninkrijken der aarde erkennen, dat Gij alleen God zijt, o Jahweh!
19Тепер же, Господи, вирятуй нас із руки його, щоб усї царства на землї зрозуміли, що ти, Господи, єдиний Бог!
20Toen liet Isaias, de zoon van Amos, aan Ezekias zeggen: Dit zegt Jahweh, Israëls God! Ik heb de bede gehoord, die gij tot Mij hebt opgezonden om Sinacherib, den assyrischen koning.
20І послав Ісаїя Амосенко до Езекії, сказати: Тако глаголе Господь, Бог Ізрайлїв: Те, про що ти молився що до Сеннахирима, царя Ассирийського, я вислухав.
21Dit is het woord, dat Jahweh tegen hem gesproken heeft: Ze veracht en bespot u, De jonkvrouw, de dochter van Sion; Meewarig schudt ze het hoofd achter u, Jerusalems dochter!
21Оце те слово, що виповів Господь про його: Погордить тобою й посьміється з тебе дївиця-дочка Сиону. Позадь тебе похитає головою дочка Ерусалиму.
22Wien hebt ge gehoond en beschimpt, Tegen wien een hoge toon aangeslagen. En uw trotse blikken geheven? Tegen Israëls Heilige!
22Кого ж бо ти зневажав і поругав? Проти кого се голос ізняв ти, й так звисока глянув очима? На сьвятого Ізрайлевого!
23Door uw boden hebt ge den Heer gehoond, En gezegd: Met mijn tallooze wagens Heb ik de toppen der bergen bestegen, En de flanken van de Libanon. Ik heb zijn rijzige ceders geveld, En zijn schoonste cypressen; Zijn hoogste toppen bereikt, Zijn dichtste wouden.
23Через послів твоїх ти глузував з Господа й сказав: У множестві возів моїх я взойшов на висоту гір, на ребра Ливану, та й рубав рослі кедри й найкрасші кипариси його, й добравсь аж до крайних гряниць його, до найгусчого саду його;
24Ik heb geboord en gedronken De wateren van vreemde landen, En opgedroogd met de zool van mijn voeten Alle stromen van Masor.
24Я відкопував та випивав воду чужу, й сушив стопами ніг моїх всї потоки Египецькі.
25Hebt ge dan niet vernomen, Hoe Ik dit vroeger al had beschikt? Wat Ik al lang had besloten, Heb Ik thans in vervulling doen gaan. Tot puinhopen moesten Versterkte steden worden verwoest;
25Чи ти чував, що я з давендавна чинив? Із давнезнїх часїв постановив я се, а тепер привів до того, що ти опустошуєш утверджені городи в купи румовищ.
26Haar bewoners machteloos zijn, Verschrikt en beschaamd. Ze moesten zijn als kruid op het veld, Als tengere planten; Als gras op het dak, Dat verdort, eer het opschiet.
26А їх осадники в немочі, дрожать і в соромі. Вони мов трава у полі, мов никла зелень на криші, й збіжжє загоріле, нїм в колос убралось.
27Maar Ik ken uw opstaan en zitten, Uw gaan en uw komen;
27Чи седиш ти, чи виходиш, чи входиш, усе я знаю, а й буяннє твоє проти мене.
28Uw razen steeg tot Mij op, Uw tieren kwam Mij ter ore. Daarom sla Ik mijn ring door uw neus, Leg mijn toom aan uw lippen; En voer u terug langs de weg, Die gij kwaamt.
28За твою сьмілість проти мене, та що твоя гординя дойшла до слуху мого, я тобі в ніздрі каблучку заправлю, й зубела мої у рот твій (заложу), й заверну тебе назад тою ж дорогою, якою прийшов єси.
29En dit is het teken voor u: Dit jaar zult ge nog nawas eten, Het volgend jaar wat er groeit in het wild; Maar in het derde jaar zult ge zaaien en oogsten, Wijngaarden planten en de vrucht er van eten.
29І ось тобі (Езекію) знамено: Сього року їсти мете те, що маєте, а на другий рік самосївне, на третий же рік сїйте й жнїте й насаджуйте виноградники й їжте вроджай їх.
30Wat er van u overblijft, En wat er van het huis van Juda nog rest. Zal wortel schieten naar omlaag, En vruchten dragen naar boven.
30І що позоставалось іще з Юдиного дому, пустить ізнов корінь внизу, й принесе плід угорі.
31Want de Rest zal zich uit Jerusalem verspreiden, Wat er overbleef uit de Sion; De ijver van Jahweh der heerscharen Brengt het tot stand!
31З Ерусалиму бо зийде (мов трава) останок, а те, що врятуєсь, із Сион-гори. Ревність Господа Сил небесних учинить се.
32Daarom spreekt Jahweh over den koning van Assjoer: Hij zal deze stad niet binnen komen, Geen pijl er op afschieten; Met geen schild ze bestormen, Met geen wal ze omringen.
32Тим то так говорить Господь про царя Ассирийського: У сей город він не ввійде, і стріли не пустить, й не закриється щитом він в приступі до його, й не насипле проти його валу.
33Hij keert terug langs de weg, die hij kwam; Deze stad komt hij niet binnen, zegt Jahweh!
33По якій дорозї прийшов, по самій тій вернеться, не ввійде в сей город, — говорить Господь.
34Ik zal deze stad beschutten en redden Terwille van Mij, en van David, mijn dienaar!
34Город сей я берегти му, щоб урятувати його задля себе й задля раба мого Давида.
35Nog dezelfde nacht ging de engel van Jahweh uit en doodde in het assyrische leger honderd vijf en tachtig duizend man; ‘s morgens bij het ontwaken zag men enkel nog lijken.
35І сталось: однієї ночі прийшов ангел Господень та й положив трупом ув Ассирийському таборі сто вісїмдесять і пять тисяч; і як повставали рано вранцї, аж ось самі мертві тїла.
36Nu brak Sinacherib, de koning van Assjoer, op, nam de terugtocht en bleef in Ninive.
36І рушив Сеннахирим, царь Ассирийський, та й пійшов і вернувсь, та й седїв у Ниневиї.
37En toen hij eens aan het bidden was in de tempel van Nisrok, zijn god, werd hij met het zwaard doorstoken door zijn zonen Adrammélek en Saréser, die naar het land Ararat vluchtten. Zijn zoon Ésar-Chaddon volgde hem op.
37І як молився він у храму свого бога Нисроха, убили його мечем сини його, Адрамелех та Шарезер, і повтїкали в Арарат-землю, а син його Асардан зробився царем намість його.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.