2 Koningen
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Eens zeiden de profetenzonen tot Eliseus: Zie eens; de ruimte, die wij met u bewonen, is te bekrompen voor ons.
1І сказали пророцькі сини (ученики) Елисеєві: Як бачиш, місце, де живемо при тобі, нам потїсне;
2Laat ons daarom naar de Jordaan gaan, en er ieder een balk halen, dan kunnen we daar een woning bouwen. Hij antwoordde: Goed.
2Пійдемо лишень на Йордань, і нехай там кожен візьме по дереву, щоб спорядити нам місце, й осїстись на йому. А він сказав: ійдїть.
3Maar een van hen zeide: Doe uw dienaren een genoegen, en ga met ons mee. Hij antwoordde: Goed, ik ga mee.
3Один же між ними просить: Зроби нам ласку, йди з кметями твоїми. І сказав він: Добре! йду з вами.
4Hij ging dus mee; en aan de Jordaan gekomen, begonnen ze bomen te vellen.
4От і пійшов із ними. Як же дойшли до Йорданї, почали рубати дерево.
5Maar terwijl er een met een bijl sloeg, vloog het ijzeren blad in het water. Hij riep: Ach heer; en het is nog wel een geleende.
5Тим часом як один рубав деревину, упала сокира його з топорища в воду. І крикнув він: Ой добродїю! а вона ж позичена.
6De godsman vroeg: Waar is het gevallen? En de man wees de plaats aan. Toen sneed Eliseus een stuk hout af, wierp het erheen, en deed het ijzer boven drijven.
6Чоловік же Божий рече: Де вона впала? Як же показав йому місце, вирубав він цїпок, кинув туди, й ось сокира сплила.
7Nu sprak hij: Haal het er uit. En de ander stak zijn hand uit en greep het.
7Він і каже: Лови! той простяг руку й взяв її.
8Toen de koning van Aram met Israël in oorlog was, sprak hij bij een beraadslaging tot zijn bevelvoerders: Daar en daar moet gij u in een hinderlaag leggen.
8Царь Сирийський вирушив війною проти Ізрайлитян і перемовлявсь із слугами своїми та й сказав їм: У тому а тому місцї заляжемо залягом.
9Maar de godsman liet den koning van Israël berichten: Wees op uw hoede, dat gij die plaats niet voorbij trekt; want daar liggen de Arameën in hinderlaag.
9Чоловік же Божий, послав до царя Ізраїлського сказати: Остерегайся проходити тим місцем, бо там залягли Сирийцї.
10En de koning van Israël zond een waarschuwing naar de plaats, die de godsman genoemd had, en men was op zijn hoede. Daar dit herhaaldelijk gebeurde,
10І послав царь Ізраїлський на те місце, що вказав йому чоловік Божий. І так остерегав його що-разу, й він устерігся там, де вказано, не раз та й не два.
11werd de koning van Aram er woedend over. Hij riep zijn bevelvoerders bijeen, en zeide hun: Kunt gij me dan niet zeggen, wie ons aan den koning van Israël verraadt?
11І стревожилось серце царя Сирийського про сю річ, і скликавши свої слуги, каже їм: Чи не виказали б ви менї, хто мене зраджує цареві Ізрайлевому?
12Maar een van hen gaf ten antwoord: Er is geen verraad, mijn heer en koning; maar de profeet Eliseus in Israël bericht aan den koning van Israël zelfs wat gij in uw slaapkamer zegt.
12І відказав один ізміж слуг його: Нї, пане мій, царю; тільки пророк Елисей, що в Ізраїлї, переказує цареві Ізраїлському й ті слова, які ти промовиш ув опочивній сьвітлицї.
13Toen beval de koning: Trekt er op uit, om te weten te komen, waar hij is; dan zal ik hem gevangen doen nemen. En toen hem gemeld werd, dat de profeet zich te Dotan bevond,
13І повелїв він: Ійдїте та дивітесь, де він, щоб менї послати та й піймати його. Як же сказано йому: Він у Дотаїмі,
14zond hij er een machtig leger met paarden en strijdwagens op af, dat ‘s nachts aankwam en de stad omsingelde.
14Послав туди конї й колесницї й потужню купу військову. Пійшли вони в ночі та й обняли город.
15Toen de dienaar van den godsman de volgende morgen opstond en naar buiten ging, zag hij, dat er een leger met paarden en strijdwagens om de stad lag. En hij riep tot Eliseüs: Ach heer, wat moeten we nu beginnen?
15Уранцї рано встав слуга чоловіка Божого й вийшов, аж се облягла військова купа з кіньми й колесницями навкруги місто. І каже йому слуга його: Ой горе, паноньку! що нам оце почати?
16Maar deze antwoordde: Wees niet bang; want de onzen zijn talrijker dan zij.
16Він же сказав: Не лякайся, бо тих, що з нами, більш, анїж тих, що з ними.
17En hij bad: Jahweh, open zijn ogen, opdat hij kan zien. En Jahweh opende de ogen van den dienaar, en hij zag het gebergte, dat Eliseus omringde, vol vurige paarden en strijdwagens.
17І моливсь Елисей й промовляв: Господи! відкрий йому очі, щоб він бачив! І відкрив Господь слузї очі, й вбачав він, як гора навкруги Елисея була заповнена кіньми й поломяними колесницями.
18Nu kwamen de Arameën op Eliseus af. Maar hij bad tot Jahweh: Sla dit volk met blindheid! En op het gebed van Eliseus werd het met blindheid geslagen.
18Як же Сирийцї двинули проти його, моливсь Елисей Господеві й промовляв: Удар же сих людей слїпотою! І вдарив їх слїпотою, як моливсь Елисей.
19Toen sprak Eliseus tot hen: Dit is de weg niet, en de stad evenmin! Volgt mij maar, dan breng ik u bij den man, dien gij zoekt. Maar hij bracht ze naar Samaria.
19І рече їм Елисей: Се не та дорога й не той город; ійдїте за мною, так я приведу вас до того чоловіка, що ви шукаєте. І привів їх у Самарию.
20Zodra zij in Samaria waren aangekomen, sprak Eliseus: Jahweh, open hun de ogen, opdat zij zien. En Jahweh opende hun de ogen, en nu zagen ze, dat ze in Samaria waren.
20Як тільки ж прийшли вони в Самарию, рече Елисей: Господи! відкрий їм очі, щоб вони бачили. І відкрив їм Господь очі, й вони побачили себе в серединї в Самариї.
21Toen de koning van Israël ze zag, vroeg hij Eliseus: Vader, zal ik ze neerslaan?
21Як же побачив їх царь Ізрайлїв, питає в Елисея: Чи мєнї їх вистинати, батьку?
22Maar hij antwoordde: Neen; die ge met zwaard en boog gevangen hebt genomen, kunt ge neerslaan. Maar dezen moet ge spijs en drank verschaffen; dan kunnen ze eten en drinken en daarna teruggaan naar hun heer.
22Він же відказав: Не вбивай їх. Хиба ти заполонив їх мечем твоїм і луком твоїм, щоб їх убивати? Постав перед ними їду та воду, нехай їдять і пють, а тодї нехай ійдуть до свого пана.
23Hij bereidde hun dus een grote maaltijd; en nadat ze gegeten en gedronken hadden, liet hij ze naar hun heer vertrekken. Ze gingen naar hun heer, en sinds die tijd drongen er geen aramese benden meer in het gebied van Israël.
23І звелїв наготовити їм великий пир, і як вони понаїдались і понапивались, відпустив їх, і пійшли вони до свого пана. З того часу не було нападу Сирийцїв на Ізраїль-землю.
24Enige tijd later riep koning Ben-Hadad van Aram heel zijn leger bijeen, trok tegen Samaria op, en sloot het in.
24І сталось опісля, що царь Сирийський Бенадад постягав докупи всю військову силу свою та й двинув і обложив Самарию.
25En het beleg duurde zo lang, dat er in Samaria een grote hongersnood ontstond, en een ezelskop tachtig zilverlingen, een kwart maatje schillen1 vijf zilverlingen kostte.
25І настала велика голоднеча в Самариї, й дойшло до такого скруту, що осляча голова стояла вісїмдесять срібних секлів, а четвертина міри голубячого гною пять срібних секлів.
26Toen nu de koning eens op de muur voorbijging, riep een vrouw hem smekend toe: Heer en koning, help toch!
26Як вийшов раз царь Ізраїлський на мур, заголосила до його якась женщина та й просить: Поможи менї, добродїю мій, царю!
27Hij antwoordde: Als Jahweh u niet helpt, hoe zal ik het dan kunnen? Soms met iets van de dorsvloer of perskuip2?
27Він же відказав: Коли тобі не поможе Господь, так із чого я поможу тобі? з току, чи з вино-тискарнї?
28De koning vroeg verder: Wat hebt ge eigenlijk? Zij antwoordde: Deze vrouw hier heeft tot mij gezegd: “Geef uw zoon, om hem vandaag op te eten; dan eten we morgen den mijne op.”
28І поспитав у неї царь: Що тобі треба? Відказала ж вона: Отта жінка говорила менї: Дай сина твого, щоб ми сьогоднї зʼїли його, а завтра зʼїмо мого сина.
29Zo hebben we dus mijn zoon gekookt en gegeten; maar toen ik haar de volgende dag zei, haar zoon te geven, om hem op te eten, had ze hem verborgen.
29От ми зварили мого сина та й ізїли, а як на другий день я сказала їй: Давай же сюди твого сина, щоб нам його зʼїсти, то вона свого сина сховала.
30Toen de koning de vrouw dit hoorde vertellen, scheurde hij zijn klederen, en daar hij op de muur liep, zag het volk, dat hij onder zijn kleed op het blote lijf een boetekleed droeg.
30Як почув же царь, що женщина таке говорить, роздер одежу на собі, й ходив по мурі, і бачив люд, що на тїлї в його волосяне веретище.
31En hij riep uit: Zo moge Jahweh mij doen en nog erger3, als het hoofd van Eliseus, den zoon van Sjafat, morgen nog op zijn romp staat4.
31І каже він: Нехай Бог учинить менї се й те, та ще й причинить, коли голова Елисеїна зістанеться сьогоднї в його на плечах.
32Terwijl de koning iemand voor zich uitzond, zat Eliseus in zijn woning met enigen van de oudsten om zich heen. Maar eer die bode Eliseus bereikt had, sprak deze tot de oudsten: Ziet ge; dat moordenaarskind heeft er iemand op uitgestuurd, om mij het hoofd af te slaan! Pas op; sla de deur dicht, als die bode wil binnenkomen, en duw hem met de deur naar buiten. Maar hoor ik daar niet de voetstappen van zijn meester achter hem aan?
32Як седїв же Елисей в своїй хатинї й значнї люде седїли в його, післав царь від себе чоловіка. Перше ж нїж посланець дійшов до його, рече він значнїм людям: А знаєте ви, що сей син душогубця послав до мене, щоб стяти менї голову? Гледїте ж, скоро посланець надійде, зачинїте двері та й не допустїть увійти, бо ось, чути вже тупаннє пана його за ним.
33En terwijl hij nog sprak, kwam de koning al naar hem toe en riep: Zie, zo groot is het onheil, dat Jahweh ons heeft berokkend! Wat zou ik nog langer op Jahweh hopen?
33Ще він промовляв до них, аж прибув царь до його та й каже: Бачиш, яке лихо від Господа! Чого ж іще менї визирати від Господа?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.