2 Koningen 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu ontbood de profeet Eliseus een van de profetenzonen, en beval hem: Omgord uw lenden, en ga met deze kruik olie naar Rama in Gilad.
1Пророк же Елисей покликав одного з учеників пророцьких та й повелїв йому: Підпережи чересла твої, возьми сей олїйний посудок із собою та й іди до Рамоту в Галаадї;
2Daar aangekomen, moet ge uitzien naar Jehoe, den zoon van Jehosjafat, zoon van Nimsji. En wanneer ge hem gevonden hebt, moet ge hem uit de kring van zijn gezellen roepen, en hem in een binnenkamer brengen.
2Прийшовши туди, відшукай там Егуя Йосафатенка, Намессієнка, й приступи та й вели йому вийти зсеред його товариства та й поведи його в середню сьвітлицю;
3Neem dan de kruik met olie, giet die over zijn hoofd uit, en zeg: “Zo spreekt Jahweh! Ik zalf u tot koning over Israël.” Open daarna de deur, en loop hard weg.
3Тодї візьмеш олїйну посудину та й золлєш йому на голову й скажеш: Так глаголе Господь: Помазав я тебе в царі над Ізраїлем. Опісля відчини двері та й біжи, не гайся.
4De jonge profeet ging dus naar Rama in Gilad, en
4І пійшов молодик, слуга пророків, у Рамот Галаадський.
5kwam daar juist aan, toen de legeroversten bij elkander zaten. Hij sprak: Overste, ik heb u iets te zeggen. Jehoe vroeg: Wien van ons allen? Hij antwoordde: U, overste.
5Як же прийшов туди, седїло саме військове отаманнє; і каже він: Маю щось тобі сказати, гетьмане. І спитав Егуй: Кому з усїх нас? Відказав той: Тобі, гетьмане!
6Nu stond Jehoe op, en toen hij binnen was, goot de jonge profeet de olie over zijn hoofd, en zeide tot hem: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Ik zalf u tot koning over Israël, het volk van Jahweh.
6І піднявся він і ввійшов у сьвітлицю. Той же злив йому олїї на голову та й каже: Так говорить Господь, Бог Ізрайлїв: Помазую тебе царем над Господнїм народом, над Ізраїлем.
7Gij moet het huis van Achab, uw meester, verdelgen. Want Ik zal het bloed van mijn dienaars, de profeten, en van al de dienaars van Jahweh wreken op Izébel
7І вигубиш ти дом Ахабів, пана твого, щоб я помстився за кров слуг моїх, пророків, і за кров усїх рабів Господнїх (погибших) із руки Езабелиної;
8en op heel het huis van Achab; Ik zal al wat man is in Achabs huis, slaaf of vrij, in Israël uitroeien,
8І вигине ввесь дом Ахабів, і вигублю я в Ахаба й те, що до стїни мочить, і зачинене й покинуте в Ізраїлї;
9en met het huis van Achab handelen, zoals Ik met het huis van Jeroboam, den zoon van Nebat, en met dat van Basja, den zoon van Achi-ja, gedaan heb.
9І зроблю я з домом Ахабовим те, що з домом Еробоамовим Набатенковим, і з домом Баасиним Ахієнковим;
10En Izébel zullen de honden verslinden op de open plaats voor Jizreël, en niemand zal haar begraven. Toen opende hij de deur, en liep weg.
10Езабелю ж їсти муть пси на майданї Езреелському, й нїхто її не поховає. Тодї відчинив двері й утїк.
11Toen Jehoe bij de dienaren van zijn meester terugkwam, vroegen zij hem: Is er iets aan de hand? Wat kwam die razende doen? Hij antwoordde hun: Ge kent zulke mensen en hun manier van doen.
11Як же вернувсь Егуй до слуг пана свого, спитали вони в його: Чи гаразд? Чого сей несамовитий приходив до тебе? І відказав їм: Ви ж знаєте чоловіка сього й що він говорить.
12Maar ze zeiden: Uitvluchten; vertel het ons. Toen zei Jehoe: Hij heeft mij letterlijk gezegd: “Zo spreekt Jahweh! Ik zalf u tot koning over Israël”.
12І кажуть вони: Хитрощі! Скажи бо нам. І відказує він: Так і так сказав менї, говорючи: Так глаголе Господь: Помазую тебе царем над Ізраїлем.
13Terstond namen nu allen hun mantels, en spreidden die boven op de trap onder hem uit, staken de bazuin en riepen: Jehoe is koning!
13І взяли вони кожен одежу свою та й вистелили йому престол, і затрубили в трубу й проголосили: Егуй став царем!
14Zo kwam Jehoe, de zoon van Jehosjafat, zoon van Nimsji, tegen Joram in opstand. Deze had toen met heel Israël Rama in Gilad bezet tegen Chazaël, den koning van Aram,
14І вчинив Егуй Йосафатенко, Намессієнко змову проти Йорама. Йорам же стояв на сторожі з усїми Ізрайлитянами в Рамотї Галаадському проти Азаїла, царя Сирийського;
15maar was nu naar Jizreël teruggekeerd, om daar te herstellen van de wonden, die de Arameën hem in de strijd tegen Chazaël, den koning van Aram, hadden toegebracht. Nu sprak Jehoe: Wanneer ge er niets op tegen hebt, laten we niemand uit de stad ontsnappen, om het in Jizreël te gaan melden.
15А вернувся був він, щоб вигоюватись в Езреелї з ран, що задали йому Сирийцї, як воював із Азаїлом, царем Сирийським. Егуй же промовив: Коли се вам любо, не давайте нїкому втекти з городу, щоб подати вість в Езреелї.
16Toen besteeg hij zijn wagen en reed naar Jizreël; want daar lag Joram ziek, en koning Achazja van Juda was bij hem op bezoek.
16І сїв Егуй на коня та й поїхав у Езреель, де лежав Йорам, і куди прийшов був Охозія, царь Юдейський, щоб одвідати Йорама.
17De wachter op de toren van Jizreël zag de bende van Jehoe aankomen en riep: Ik zie een grote troep volk. Joram beval: Neem een ruiter en stuur hun die tegemoet om te vragen, wat er gaande is.
17Вартовик же стояв на баштї в Езреелї, й як тільки побачив роту Егуєву, що наближалась, звістив: Я бачу роту. І повелїв Йорам: Візьми одного кінного та пошли зустріч, щоб спитав: Чи ви з мирним задумом?
18De ruiter reed hem dus tegemoet, en zeide: De koning vraagt, wat er gaande is. Jehoe antwoordde: Gij hebt er niets mee te maken, wat er gaande is. Keer om en volg mij! Nu berichtte de wachter: De bode heeft hen bereikt, maar keert niet terug.
18І поїхав їздець зустріч, та й каже: Так повелїв царь сказати: Чи ви з мирним задумом? Егуй же відказав: Що тобі до миру? Зверни та й їдь за мною. І звістив вартовик та й сказав: Посланець доїхав до них, та не вертається.
19Toen stuurde Joram er een anderen ruiter op af. Ook deze kwam bij hem, en zeide: De koning vraagt, wat er gaande is. Jehoe antwoordde: Gij hebt er niets mee te maken, wat er gaande is. Keer om en volg mij!
19І послав другого кінного, та й сей, доїхавши до них, сказав: Так питає царь: Чи ви з мирним задумом? Егуй же відказав: Що тобі до миру? Заверни та їдь за мною.
20En weer berichtte de wachter: De bode heeft hen bereikt, maar keert niet terug. Maar dat rijden daar lijkt wel het rijden van Jehoe, den zoon van Nimsji; want hij rijdt als een razende.
20І звістив сторож, кажучи: Доїхав до них та й не вертається, а їзда схожа на їзду Егуя Намессієнка, бо він жене, мов скажений.
21Nu beval Joram: Span in! En toen de paarden waren ingespannen, reden koning Joram van Israël en koning Achazja van Juda, elk op zijn eigen wagen, de stad uit, Jehoe tegemoet; en juist bij de akker van Nabot uit Jizreël ontmoetten ze hem.
21І повелїв Йорам запрягати. І як запрягли колесницю його, виїхав Йорам, царь Ізраїлський, із Охозієм, царем Юдейським, кожен своєю колесницею. Виїхали ж вони проти його та й зустрілись із ним на ниві Езреелїя Набота.
22Zodra Joram Jehoe zag, vroeg hij: Jehoe, wat is er toch gaande? Deze antwoordde: Wat er gaande is? Dat de afgoderij van uw moeder Izébel en haar duivelskunsten nog altijd voortduren!
22Як побачив Йорам Егуя, спитав: Чи з миром, Егую? Відказав же сей: Який тут мир, покіль твоя мати Езабель безчесть творить і без кінця відомствує?
23Met een ruk wendde Joram de teugel, vluchtte weg, en schreeuwde tot Achazja: Verraad, Achazja!
23І повернув Йорам рукою своєю, а втїкаючи, промовив до Охозії: Зрада, Охозію!
24Maar Jehoe spande zijn boog, en trof Joram tussen de schouderbladen; de pijl doorboorde hem het hart, en hij zonk in zijn wagen ineen.
24Та Егуй напяв лука й стрілив Йорамові між плечі, так що стріла пройшла йому крізь серце, й він поваливсь у своїй колесницї,
25Nu beval Jehoe Bidkar, zijn hoofdman: Neem hem op, en werp hem op de akker van den Jizreëliet Nabot. Want ik herinner mij, dat, toen wij samen achter zijn vader Achab reden, Jahweh deze godsspraak tot hem richtte:
25І сказав Егуй гетьманові Бадекарові: Возьми, кинь його на ниву Езреелїя Набота; згадай бо, як ми вдвох їхали за його батьком Ахабом, і як Господь вирік на його такий засуд:
26“Zo spreekt Jahweh! Gisteren heb ik het bloed van Nabot en zijn zonen gezien! Zo spreekt Jahweh! Op deze eigen akker vergeld Ik het u! “Neem hem dus op, en werp hem op de akker, naar het woord van Jahweh.
26Справдї кров Наботову й кров дїтей його бачив я вчора, говорить Господь, і відплачу тобі на сїй ниві, говорить Господь; то ж тепер кинь його на ниву, по слову Господньому.
27Toen Achazja, de koning van Juda, dit zag, vluchtte hij weg in de richting van Bet-Haggan; maar Jehoe zette hem achterna en riep: Nu hem; schiet hem neer! Zij schoten hem in zijn wagen neer in de pas van Goer, bij Jibleam. Hij kon nog juist naar Megiddo vluchten, maar daar stierf hij.
27Вбачаючи се Охозія, царь Юдин, утїк дорогою до садового будинка. Егуй же гнався за ним і повелїв: І сього вбийте на возї. І пострілили його на узгіррю Гур, коло Іблеаму. І втїк він у Мегиддо та й сконав там.
28Zijn dienaren legden hem nu in zijn wagen, en brachten hem naar Jerusalem; daar begroeven zij hem in zijn eigen graf bij zijn vaderen in de Davidstad.
28І зложили його слуги його на колесницю та й повезли в Ерусалим, і поховали в його гробовищі коло батьків у Давидовому городї.
29In het elfde jaar der regering van Joram, den zoon van Achab, was Achazja koning van Juda geworden.
29Ув одинайцятому роцї Йорама Ахабенка настав був Охозія царем над Юдою.
30Nu ging Jehoe naar Jizreël. Zodra Izébel dit hoorde, verfde zij haar ogen, maakte haar kapsel in orde, en ging door het venster staan kijken.
30Егуй же прибув ув Езреель. Скоро довідалась Езабель, попідмальовувала собі війки, украсила голову свою та й визирала в вікно.
31En toen Jehoe de poort binnenreed, riep zij: Hoe gaat het, Zimri; hoe gaat het den moordenaar van zijn heer?
31Як же вїздив Егуй у ворота, промовила вона: Чи гаразд Замбрієві, душогубцеві пана свого?
32Hij keek op naar het venster, en riep: Wie houdt het met mij; wie? En tot een paar kamerlingen, die naar hem keken,
32Він же позирнув на вікно та й каже: Хто зо мною, хто? І визирнули до його два чи три скопцї.
33riep hij: Gooit ze er uit! Dezen wierpen haar naar beneden; haar bloed spatte tegen de muur en tegen de paarden, die haar vertrapten.
33І приказав він: Скиньте її вниз! І скинули її вниз. І побризькала кров з неї мур і конї, й розтоптали вони її.
34Daarop ging Jehoe de stad binnen; en toen hij gegeten en gedronken had, gaf hij bevel: Gaat kijken naar die vervloekte, en begraaft haar; want zij is tenslotte een koningsdochter.
34Він же ввійшов, їв і пив; потім повелїв: Спогляньте на ту проклятущу та й поховайте її, бо вона царська дочка.
35Maar toen men heenging, om haar te begraven, vond men niets meer van haar dan de schedel, de voeten en de handen.
35Як пійшли ж її ховати, не знайшли з неї нїчого, опріч черепа та ніг, та долонь із її рук.
36Ze keerden terug, om het aan Jehoe te melden. Hij riep uit: Zo heeft het Jahweh door zijn dienaar Elias uit Tisjbe voorspeld: “Op de plaats van Jizreël zullen de honden het vlees van Izébel verslinden;
36І вернувшись, звістили йому; він же сказав: Таке було слово Господнє, що вирік через слугу свого Тесбіа Ілию: На майданї в Езреелї жерти муть пси тїло Езабелине,
37het lijk van Izébel zal zijn als mest op het land, zodat men niet zal kunnen zeggen: Daar ligt Izébel!”
37І буде труп Езабелин на майданї Езреелському неначе гній, так що нїхто не скаже: Се Езабель.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.