2 Koningen
Chapter 12
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het was in het zevende regeringsjaar van Jehoe. Hij regeerde veertig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Sibja, en was afkomstig uit Beër-Sjéba.
1У сьомому роцї Егуєвому настав Йоас царем, а царював у Ерусалимі сорок год. Матїр же його звали Зибія, з Берсабиї.
2Zijn leven lang deed Joasj wat recht was in de ogen van Jahweh, zoals hij van den priester Jehojada geleerd had.
2І чинив Йоас що було Господеві до вподоби по всї днї свої, покіль навчав його сьвященник Йодай;
3Maar ook hij schafte de offerhoogten niet af, zodat het volk nog altijd op de hoogten bleef offeren en wierook branden.
3Тільки висот не позносив; люд жертував і кадив іще по висотах.
4Joasj had tot de priesters gezegd: Al het geld, dat als wijgeschenk in de tempel van Jahweh geofferd wordt, zowel wat iedereen als schatting is opgelegd, als ook de vrijwillige bijdragen voor de tempel van Jahweh,
4І промовив Йоас до сьвященників: Усї гроші, що приносять яко посьвятний дар у храм Господень, гроші від приходячих, гроші за кожну душу по цїнуванню, й ті гроші, що хто з своєї охоти приносить у храм Господень,
5mogen de priesters, van wie het hun ter hand stelt, ten eigen bate aannemen; maar dan moeten zij ook de bouwvallige delen van de tempel, die zij bemerken, herstellen.
5Нехай беруть сьвященники до себе, кожен по своїй черзї, й нехай ними поновляють що в храму попсувалось, усюди, де треба понови.
6Doch in het drie en twintigste regeringsjaar van Joasj hadden de priesters de bouwvallige delen van de tempel nog niet hersteld.
6У двайцять третьому ж роцї царя Йоаса сьвященники нїчого ще не поправили, що в храму попсувалось.
7Daarom ontbood koning Joasj den priester Jehojada met de andere priesters bij zich, en zeide hun: Waarom blijft gij in gebreke, de bouwvallige delen van de tempel te herstellen? Voortaan moogt gij van gevers geen geld meer ten eigen bate aannemen, maar moet gij het voor de bouwvallige delen van de tempel afstaan.
7І покликав царь Йоас первосьвященника Йодая з иншими сьвященниками, та й промовив до них: Чом же ви нїчого не поправили, що попсувалось у храму? Оце ж не беріте вже нїяких грошей до себе по черзї, а віддавайте на те, що в храму попсувалось.
8De priesters stemden er in toe, geen geld meer van het volk aan te nemen, maar dan ook de bouwvallige delen van de tempel niet te herstellen.
8І пристали сьвященники на те, щоб не брати від люду нїяких грошей на поправу того, що в храму попсувалось.
9Toen nam de priester Jehojada een kist, maakte een gleuf in het deksel, en zette ze naast de zuil, rechts van de ingang van de tempel van Jahweh; daarin moesten de priesters-dorpelwachters al het geld werpen, dat voor de tempel van Jahweh binnenkwam.
9І взяв первосьвященник Йодай скриньку, й зробив отвір в накривцї, та й поставив її коло жертівника праворуч, де входили в дом Господень, і вкидали туди сьвященники, що стояли на сторожі в дверях, всї гроші, що приношено в храм Господень.
10Wanneer dezen nu zagen, dat er veel geld in de kist was, kwam de kanselier van den koning met den hogepriester, om het geld, dat zich in de tempel van Jahweh bevond, mee te nemen en te tellen.
10Скоро ж постерегали, що в скринцї було багацько грошей, приходив тодї писарь царський та первосьвященник і висипали та й перелїчували срібло, найдене в храму Господньому.
11En als zij het hadden afgewogen, stelden zij het ter hand aan de opzichters der werklieden, die met het toezicht over de tempel belast waren. Dezen betaalden het uit aan de timmerlieden, de bouwmeesters, de steenhouwers en de bouwlieden, die aan de tempel van Jahweh werkten;
11І передавали злїчені гроші в руки наставникам над роботою коло дому Господнього, а ті давали їх теслям та будовничим, що порались коло храму Господнього;
12of zij kochten er hout en gehouwen steen voor, en bestreden er alle verdere uitgaven mee, die voor het herstel van de bouwvallige delen van de tempel van Jahweh gedaan moesten worden.
12Та мурарям та каменолупам, як і на закуп дерева й тесаного каменя, щоб поправляти ушкоду в храму Господньому, й на все потрібне до поправки храму.
13Maar zilveren bekkens, messen, offerschalen, trompetten en andere gouden en zilveren voorwerpen, die voor de tempel nodig waren, werden van het geld, dat voor de tempel van Jahweh werd opgebracht, niet gemaakt;
13Однакож не справляно за гроші, що приносили до храму Господнього, срібних коновок, ножів, поливальнїх чаш, труб і всякого иншого золотого чи срібного посуду до дому Господнього,
14want het werd uitbetaald aan de werklieden, die daarvoor de tempel van Jahweh moesten herstellen.
14А давано їх робітникам, щоб вони поправляли храм Господень.
15De mannen, aan wie het geld ter hand werd gesteld, om het aan de werklieden uit te betalen, behoefden geen rekenschap af te leggen; want het waren vertrouwde mensen.
15З людьми ж, що їм видавали гроші на плату робочим, не рахувались, бо ті поводились чесно.
16Maar het geld voor schuld- en zondeoffers werd niet voor de tempel afgedragen; dit bleef voor de priesters bestemd.
16Гроші ж на жертви за переступ і гроші на жертви за гріх не вносилось у храм, бо вони належали сьвященникам.
17In die tijd trok Chazaël, de koning van Aram, op, deed een aanval op Gat en veroverde het. Daarna maakte hij aanstalten, om tegen Jerusalem op te trekken.
17Тодї наступив Азаїл, царь Сирийський, й пійшов войною на Гет і звоював його. Як же показував Азаїл вид, що хоче йти на Ерусалим,
18Daarom nam koning Joasj van Juda alle wijgeschenken, die zijn vaderen Josafat, Joram en Achazja, koningen van Juda, en hijzelf geofferd hadden, en al het goud, dat in de schatkamers van de tempel van Jahweh en van het koninklijk paleis lag opgeborgen, en zond het aan Chazaël, den koning van Aram. Deze liet toen Jerusalem met rust.
18Узяв Йоас, царь Юдейський, всї посьвятні дари, що посьвятили (Господеві) предки його, Йосафат, Йорам і Охозія, царі Юдейські, й свої власні посьвятні дари, та все золото, що було в скарбівнях храму Господнього й в царській палатї, та й послав усе Азаїлові, цареві Сирийському. І занехав він поход на Ерусалим.
19De verdere geschiedenis van Joasj, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
19Инше про Йоаса і про все, що він чинив, прописано в книзї лїтописній царів Юдейських.
20Enigen van Joasj’ hovelingen smeedden een samenzwering tegen hem en doodden hem, terwijl hij zich naar de Milloburcht begaf.
20І встали слуги його, й зложили змову та й убили Йоаса в домі Милли, на дорозї до Селла.
21De moordenaars waren zijn hovelingen Jozakar, de zoon van Sjimat, en Jehozabar, de zoon van Sjomer. Hij werd bij zijn vaderen in de Davidsstad begraven. Zijn zoon Amas-ja volgde hem op.
21А вбили його слуги його: Йозахар Симеотенко та Егозабад Сомеренко, й він умер, і поховано його побіч батьків його в Давидовому городї. Амазія ж, син його, став царем намість його.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.