2 Koningen
Chapter 12
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Chinese Union Vers…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1Het was in het zevende regeringsjaar van Jehoe. Hij regeerde veertig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Sibja, en was afkomstig uit Beër-Sjéba.
1耶户 第七年, 约阿施 登基,在 耶路撒冷 作王四十年。他母亲名叫 西比亚 ,是 别是巴 人。
2Zijn leven lang deed Joasj wat recht was in de ogen van Jahweh, zoals hij van den priester Jehojada geleerd had.
2约阿施 在祭司 耶何耶大 教训他的时候,就行耶和华眼中看为正的事;
3Maar ook hij schafte de offerhoogten niet af, zodat het volk nog altijd op de hoogten bleef offeren en wierook branden.
3只是邱坛还没有废去,百姓仍在那里献祭烧香。
4Joasj had tot de priesters gezegd: Al het geld, dat als wijgeschenk in de tempel van Jahweh geofferd wordt, zowel wat iedereen als schatting is opgelegd, als ook de vrijwillige bijdragen voor de tempel van Jahweh,
4约阿施 对众祭司说:「凡奉到耶和华殿分别为圣之物所值通用的银子,或各人当纳的身价,或乐意奉到耶和华殿的银子,
5mogen de priesters, van wie het hun ter hand stelt, ten eigen bate aannemen; maar dan moeten zij ook de bouwvallige delen van de tempel, die zij bemerken, herstellen.
5你们当从所认识的人收了来,修理殿的一切破坏之处。」
6Doch in het drie en twintigste regeringsjaar van Joasj hadden de priesters de bouwvallige delen van de tempel nog niet hersteld.
6无奈到了 约阿施 王二十三年,祭司仍未修理殿的破坏之处。
7Daarom ontbood koning Joasj den priester Jehojada met de andere priesters bij zich, en zeide hun: Waarom blijft gij in gebreke, de bouwvallige delen van de tempel te herstellen? Voortaan moogt gij van gevers geen geld meer ten eigen bate aannemen, maar moet gij het voor de bouwvallige delen van de tempel afstaan.
7所以 约阿施 王召了大祭司 耶何耶大 和众祭司来,对他们说:「你们怎么不修理殿的破坏之处呢?从今以后,你们不要从所认识的人再收银子,要将所收的交出来,修理殿的破坏之处。」
8De priesters stemden er in toe, geen geld meer van het volk aan te nemen, maar dan ook de bouwvallige delen van de tempel niet te herstellen.
8众祭司答应不再收百姓的银子,也不修理殿的破坏之处。
9Toen nam de priester Jehojada een kist, maakte een gleuf in het deksel, en zette ze naast de zuil, rechts van de ingang van de tempel van Jahweh; daarin moesten de priesters-dorpelwachters al het geld werpen, dat voor de tempel van Jahweh binnenkwam.
9祭司 耶何耶大 取了一个柜子,在柜盖上钻了一个窟窿,放于坛旁,在进耶和华殿的右边;守门的祭司将奉到耶和华殿的一切银子投在柜里。
10Wanneer dezen nu zagen, dat er veel geld in de kist was, kwam de kanselier van den koning met den hogepriester, om het geld, dat zich in de tempel van Jahweh bevond, mee te nemen en te tellen.
10他们见柜里的银子多了,便叫王的书记和大祭司上来,将耶和华殿里的银子数算包起来。
11En als zij het hadden afgewogen, stelden zij het ter hand aan de opzichters der werklieden, die met het toezicht over de tempel belast waren. Dezen betaalden het uit aan de timmerlieden, de bouwmeesters, de steenhouwers en de bouwlieden, die aan de tempel van Jahweh werkten;
11把所平的银子交给督工的,就是耶和华殿里办事的人;他们把银子转交修理耶和华殿的木匠和工人,
12of zij kochten er hout en gehouwen steen voor, en bestreden er alle verdere uitgaven mee, die voor het herstel van de bouwvallige delen van de tempel van Jahweh gedaan moesten worden.
12并瓦匠、石匠,又买木料和凿成的石头,修理耶和华殿的破坏之处,以及修理殿的各样使用。
13Maar zilveren bekkens, messen, offerschalen, trompetten en andere gouden en zilveren voorwerpen, die voor de tempel nodig waren, werden van het geld, dat voor de tempel van Jahweh werd opgebracht, niet gemaakt;
13但那奉到耶和华殿的银子,没有用以做耶和华殿里的银杯、蜡剪、碗、号,和别样的金银器皿,
14want het werd uitbetaald aan de werklieden, die daarvoor de tempel van Jahweh moesten herstellen.
14乃将那银子交给督工的人修理耶和华的殿;
15De mannen, aan wie het geld ter hand werd gesteld, om het aan de werklieden uit te betalen, behoefden geen rekenschap af te leggen; want het waren vertrouwde mensen.
15且将银子交给办事的人转交做工的人,不与他们算账,因为他们办事诚实。
16Maar het geld voor schuld- en zondeoffers werd niet voor de tempel afgedragen; dit bleef voor de priesters bestemd.
16惟有赎愆祭、赎罪祭的银子没有奉到耶和华的殿,都归祭司。
17In die tijd trok Chazaël, de koning van Aram, op, deed een aanval op Gat en veroverde het. Daarna maakte hij aanstalten, om tegen Jerusalem op te trekken.
17那时, 亚兰 王 哈薛 上来攻打 迦 特 ,攻取了,就定意上来攻打 耶路撒冷 。
18Daarom nam koning Joasj van Juda alle wijgeschenken, die zijn vaderen Josafat, Joram en Achazja, koningen van Juda, en hijzelf geofferd hadden, en al het goud, dat in de schatkamers van de tempel van Jahweh en van het koninklijk paleis lag opgeborgen, en zond het aan Chazaël, den koning van Aram. Deze liet toen Jerusalem met rust.
18犹大 王 约阿施 将他列祖 犹大 王 约沙法 、 约兰 、 亚哈谢 所分别为圣的物和自己所分别为圣的物,并耶和华殿与王宫府库里所有的金子都送给 亚兰 王 哈薛 ; 哈薛 就不上 耶路撒冷 来了。
19De verdere geschiedenis van Joasj, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
19约阿施 其余的事,凡他所行的都写在 犹大 列王记上。
20Enigen van Joasj’ hovelingen smeedden een samenzwering tegen hem en doodden hem, terwijl hij zich naar de Milloburcht begaf.
20约阿施 的臣仆起来背叛,在下 悉拉 的 米罗 宫那里将他杀了。
21De moordenaars waren zijn hovelingen Jozakar, de zoon van Sjimat, en Jehozabar, de zoon van Sjomer. Hij werd bij zijn vaderen in de Davidsstad begraven. Zijn zoon Amas-ja volgde hem op.
21杀他的那臣仆就是 示米押 的儿子 约撒甲 和 朔默 的儿子 约萨拔 。众人将他葬在 大卫城 他列祖的坟地里。他儿子 亚玛谢 接续他作王。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.