2 Koningen 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1In het twaalfde jaar der regering van Achaz over Juda werd Hosjéa, de zoon van Ela, koning van Israël. Hij regeerde negen jaar te Samaria.
1犹大 王 亚哈斯 十二年, 以拉 的儿子 何细亚 在 撒马利亚 登基作 以色列 王九年。
2Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, ofschoon niet zo erg als de koningen van Israël, die hem vooraf waren gegaan.
2他行耶和华眼中看为恶的事,只是不像在他以前的 以色列 诸王。
3Daarom trok koning Sjalmanéser van Assjoer tegen Hosjéa op, en Hosjéa moest zich onderwerpen en schatting betalen.
3亚述 王 撒缦以色 上来攻击 何细亚 , 何细亚 就服事他,给他进贡。
4En toen de koning van Assjoer later ontdekte, dat Hosjéa tegen hem samenspande, gezanten naar koning So van Egypte had gezonden en de jaarlijkse schatting voor den koning van Assjoer niet meer opbracht, nam de koning van Assjoer hem gevangen en sloot hem op in een kerker.
4何细亚 背叛,差人去见 埃及 王 梭 ,不照往年所行的与 亚述 王进贡。 亚述 王知道了,就把他锁禁,囚在监里。
5Na een veldtocht door het hele land trok de koning van Assjoer tenslotte naar Samaria, dat hij drie jaar lang belegerde.
5亚述 王上来攻击 以色列 遍地,上到 撒马利亚 ,围困三年。
6In het negende jaar van Hosjéa nam de koning van Assjoer Samaria in. De Israëlieten voerde hij in ballingschap naar Assjoer, en wees hun Chalach, met een gebied aan de Chabor, een kanaal in Gozar, en enige steden van Medië, tot woonplaats aan.
6何细亚 第九年 亚述 王攻取了 撒马利亚 ,将 以色列 人掳到 亚述 ,把他们安置在 哈腊 与 歌散 的 哈博河 边,并 米底亚 人的城邑。
7Dit alles gebeurde, omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen Jahweh, hun God, die hen uit de macht van Farao, den koning van Egypte, verlost en uit Egypte geleid had. Zij waren andere goden gaan dienen,
7这是因 以色列 人得罪那领他们出 埃及 地、脱离 埃及 王法老手的耶和华—他们的 神,去敬畏别神,
8en hadden volgens de gebruiken der volkeren geleefd, die Jahweh voor de Israëlieten had uitgedreven.
8随从耶和华在他们面前所赶出外邦人的风俗和 以色列 诸王所立的条规。
9Tegenover Jahweh, hun God, hadden de Israëlieten zich vele ongerechtigheden veroorloofd. In al hun steden, zowel in de wachttorens als in de vestingen, hadden zij offerhoogten gebouwd,
9以色列 人暗中行不正的事,违背耶和华—他们的 神,在他们所有的城邑,从了望楼直到坚固城,建筑邱坛;
10op elke hoge heuvel en onder elke groene boom heilige zuilen en palen geplaatst.
10在各高冈上、各青翠树下立柱像和木偶;
11Daar hadden zij wierook gebrand, evenals de volkeren, die Jahweh bij hun komst had weggevoerd, en schandelijke dingen gedaan, om Jahweh te tarten.
11在邱坛上烧香,效法耶和华在他们面前赶出的外邦人所行的,又行恶事惹动耶和华的怒气;
12Zo hadden zij de schandgoden gediend, ofschoon Jahweh hun dit nadrukkelijk had verboden.
12且事奉偶像,就是耶和华警戒他们不可行的。
13Toch had Jahweh zowel Israël als Juda door al zijn profeten en zieners gewaarschuwd, en hun gezegd: Bekeert u van uw wangedrag, en onderhoudt de geboden en voorschriften van de wet, die Ik aan uw vaderen gegeven heb, en door mijn dienaars de profeten heb ingescherpt.
13但耶和华借众先知、先见劝戒 以色列 人和 犹大 人说:「当离开你们的恶行,谨守我的诫命律例,遵行我吩咐你们列祖,并借我仆人众先知所传给你们的律法。」
14Maar ze wilden niet luisteren en waren hardnekkig evenals hun vaderen, die ook niet op Jahweh, hun God, hadden vertrouwd.
14他们却不听从,竟硬着颈项,效法他们列祖,不信服耶和华—他们的 神,
15Zij stoorden zich niet aan zijn geboden, evenmin als aan het verbond, dat Hij met hun vaderen gesloten had, en verachtten de vermaningen, die Hij hun gaf. Zo zijn ze nietigheden gaan dienen, om zelf tot niet te vervallen, evenals de heidenen, die hen omringden, ofschoon Jahweh hun verboden had te doen, zoals zij.
15厌弃他的律例和他与他们列祖所立的约,并劝戒他们的话,随从虚无 的神 ,自己成为虚妄,效法周围的外邦人,就是耶和华嘱咐他们不可效法的;
16Ze hebben al de geboden van Jahweh, hun God, overtreden! Ze maakten zich gegoten beelden, twee kalveren en heilige zuilen. Ze aanbaden heel het hemelse heir, en dienden Báal.
16离弃耶和华—他们 神的一切诫命,为自己铸了两个牛犊的像,立了 亚舍拉 ,敬拜天上的万象,事奉 巴力 ,
17Hun zonen en dochters wierpen ze ten offer in het vuur, en lieten zich in met waarzeggerij en wichelarij. Zo gaven ze zich over aan al wat kwaad was in de ogen van Jahweh, om Hem te tarten.
17又使他们的儿女经火,用占卜,行法术卖了自己,行耶和华眼中看为恶的事,惹动他的怒气。
18Daarom werd Jahweh hevig op Israël vergramd, en dreef Hij het van zijn aanschijn weg. Alleen de stam Juda bleef over.
18所以耶和华向 以色列 人大大发怒,从自己面前赶出他们,只剩下 犹大 一个支派。
19Maar ook Juda hield zich niet aan de geboden van Jahweh, zijn God, en volgde de practijken van Israël na.
19犹大 人也不遵守耶和华—他们 神的诫命,随从 以色列 人所立的条规。
20Daarom zou Jahweh heel het geslacht der Israëlieten versmaden; Hij zou het vernederen, aan plunderaars overleveren, en het tenslotte van zijn aanschijn verwerpen.
20耶和华就厌弃 以色列 全族,使他们受苦,把他们交在抢夺他们的人手中,以致赶出他们离开自己面前,
21Reeds toen Israël zich van het huis van David afscheurde, en Jeroboam, den zoon van Nebat, tot koning uitriep, had Jeroboam het van Jahweh weggetroond, en het tot een grote zonde verleid.
21将 以色列 国从 大卫 家夺回;他们就立 尼八 的儿子 耶罗波安 作王。 耶罗波安 引诱 以色列 人不随从耶和华,陷在大罪里。
22En de Israëlieten waren al de zonden, die Jeroboam gedaan had, blijven bedrijven, zonder er ooit mee op te houden,
22以色列 人犯 耶罗波安 所犯的一切罪,总不离开,
23totdat Jahweh hen tenslotte van zijn aanschijn wegwierp, zoals Hij door zijn dienaars, de profeten, voorspeld had. En Israël werd uit zijn land in ballingschap naar Assjoer weggevoerd; daar bleef het tot op deze dag.
23以致耶和华从自己面前赶出他们,正如借他仆人众先知所说的。这样, 以色列 人从本地被掳到 亚述 ,直到今日。
24Nu bracht de koning van Assjoer volk uit Babel, Koeta, Awwa, Chamat en Sefarwáim naar de steden van Samaria, en liet hen daar wonen in de plaats van de Israëlieten. Dezen namen Samaria in bezit, en vestigden zich daar in de steden.
24亚述 王从 巴比伦 、 古他 、 亚瓦 、 哈马 ,和 西法瓦音 迁移人来,安置在 撒马利亚 的城邑,代替 以色列 人;他们就得了 撒马利亚 ,住在其中。
25In de eerste tijd, dat zij er woonden, vereerden zij Jahweh niet. Toen zond Jahweh leeuwen op hen af, die velen van hen verscheurden.
25他们才住那里的时候,不敬畏耶和华,所以耶和华叫狮子进入他们中间,咬死了些人。
26Nu berichtte men aan den koning van Assjoer: De volkeren, die gij naar Samaria hebt weggevoerd, om zich daar in de steden te vestigen, kennen de dienst van den god van dat land niet; daarom heeft hij leeuwen op hen afgestuurd, die hen doden, omdat ze zijn dienst niet kennen.
26有人告诉 亚述 王说:「你所迁移安置在 撒马利亚 各城的那些民,不知道那地之神的规矩,所以那神叫狮子进入他们中间,咬死他们。」
27Toen beval de koning van Assjoer: Zendt er een van de priesters heen, die ik van daar heb weggevoerd. Deze moet er zich gaan vestigen, om hen de dienst van dien god te leren.
27亚述 王就吩咐说:「叫所掳来的祭司回去一个,使他住在那里,将那地之神的规矩指教那些民。」
28Zo kwam dus een van de priesters, die uit Samaria waren weggevoerd, terug. Hij vestigde zich te Betel, en leerde hen, hoe zij Jahweh moesten vereren.
28于是有一个从 撒马利亚 掳去的祭司回来,住在 伯特利 ,指教他们怎样敬畏耶和华。
29Tegelijkertijd echter maakten de verschillende volkeren hun eigen goden en plaatsten ze in de tempels op de offerhoogten, die de Samaritanen gebouwd hadden in de steden, waar die volkeren zich nu hadden gevestigd.
29然而,各族之人在所住的城里各为自己制造神像,安置在 撒马利亚 人所造有邱坛的殿中。
30De Babyloniërs maakten Soekkot-Benot, de Koetiërs een Nergal, de Chamatieten een Asjima,
30巴比伦 人造 疏割·比讷 像; 古他 人造 匿甲 像; 哈马 人造 亚示玛 像;
31de Awwieten een Nibchaz en een Tartak en de Sejarwieten verbrandden hun kinderen voor Adrammélek en Anammélek, de goden van Sefarwáim.
31亚瓦 人造 匿哈 和 他珥他 像; 西法瓦音 人用火焚烧儿女,献给 西法瓦音 的神 亚得米勒 和 亚拿米勒 。
32Zij vereerden ook Jahweh, maar stelden uit de gewone standen priesters aan, die voor hen dienst moesten doen in de tempels op de offerhoogten.
32他们惧怕耶和华,也从他们中间立邱坛的祭司,为他们在有邱坛的殿中献祭。
33En ofschoon zij Jahweh vereerden, dienden ze ook hun eigen goden volgens de gebruiken der volkeren, waaruit ze waren weggevoerd.
33他们又惧怕耶和华,又事奉自己的神,从何邦迁移,就随何邦的风俗。
34Tot op deze dag leven ze volgens hun oude gebruiken. Zij vreesden Jahweh dus niet; want ze leefden niet volgens de instellingen en voorschriften, de wet en de geboden, die Jahweh gegeven heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij Israël noemde.
34他们直到如今仍照先前的风俗去行,不 专心 敬畏耶和华,不 全 守自己的规矩、典章,也不遵守耶和华吩咐 雅各 后裔的律法、诫命。( 雅各 ,就是从前耶和华起名叫 以色列 的。)
35Met hen toch heeft Jahweh een verbond gesloten en hun gezegd: Gij zult geen andere goden vereren, aanbidden en dienen, en hun geen offers brengen.
35耶和华曾与他们立约,嘱咐他们说:「不可敬畏别神,不可跪拜事奉他,也不可向他献祭。
36Alleen Jahweh, die u met geweldige kracht en met gespierde arm uit Egypte geleid heeft, moogt gij vereren en aanbidden; Hem alleen moogt gij offers brengen.
36但那用大能和伸出来的膀臂领你们出 埃及 地的耶和华,你们当敬畏,跪拜,向他献祭。
37De instellingen en voorschriften, de wet en de geboden, die Hij voor u heeft neergeschreven, moet gij ten allen tijde onderhouden, en geen andere goden vereren.
37他给你们写的律例、典章、律法、诫命,你们应当永远谨守遵行,不可敬畏别神。
38Ook moogt gij het verbond niet vergeten, dat Ik met u heb gesloten. Gij moogt geen vreemde goden vereren,
38我— 耶和华 与你们所立的约你们不可忘记,也不可敬畏别神。
39maar Jahweh, uw God, alleen; dan zal Hij u uit de handen van al uw vijanden verlossen.
39但要敬畏耶和华—你们的 神,他必救你们脱离一切仇敌的手。」
40Maar zij luisterden niet en hielden hun vroegere gebruiken in stand.
40他们却不听从,仍照先前的风俗去行。
41Deze volkeren vereerden dus Jahweh, terwijl ze tegelijkertijd hun afgodsbeelden dienden; en hun kinderen en kindskinderen zijn het voorbeeld hunner vaderen blijven volgen tot op de dag van vandaag.
41如此这些民又惧怕耶和华,又事奉他们的偶像。他们子子孙孙也都照样行,效法他们的祖宗,直到今日。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.