2 Koningen
Chapter 19
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Toen koning Ezekias dit hoorde, scheurde hij zijn klederen, sloeg het boetekleed om, en ging naar de tempel van Jahweh.
1ヒゼキヤ王はそれを聞いたとき、自分の服を引き裂き、粗布を体にまとって、主の家に入った。
2Tegelijkertijd zond hij Eljakim, den hofmaarschalk, met den schrijver Sjebna en de oudsten der priesters, in boeteklederen gehuld, naar den profeet Isaias, den zoon van Amos.
2彼は家を管理するエリアキム、書記官シェブナ、および祭司の長老たちに粗布をまとわせて、アモツの息子である預言者イザヤのもとに遣わした。
3Ze moesten hem zeggen: Dit zegt Ezekias! Deze dag is een dag van benauwing, van straf en van smaad; de kinderen openen de moederschoot al, maar de kracht om te baren ontbreekt.
3彼らはイザヤに言った。「ヒゼキヤはこう申しております。『今日は苦難と懲らしめと辱めの日です。子どもが産道まで来ているのに、産み出す力がありません。
4Maar wellicht heeft Jahweh, uw God, acht geslagen op de woorden van den opperbevelhebber, die door zijn heer, den koning van Assjoer, gezonden werd, om den levenden God te honen, en straft Jahweh, uw God, hem om de woorden die Hij gehoord heeft. Zend dus een bede omhoog voor het overschot, dat er nog is!
4あなたの神、主が、生ける神をそしるためにその主君であるアッシリアの王が遣わしたラブシャケのすべての言葉を聞き、あなたの神、主が聞かれたその言葉を責めてくださるかもしれない。それゆえ、生き残っている者たちのために祈ってほしい。』」
5Toen dan de dienaren van koning Ezekias bij Isaias waren gekomen,
5こうして、ヒゼキヤ王のしもべたちはイザヤのところに来た。
6sprak Isaias tot hen: Dit moet ge tot uw meester zeggen: Zo spreekt Jahweh! Wees niet bang voor de woorden, die gij gehoord hebt, en waarmee de knechten van den assyrischen koning Mij hebben gehoond.
6イザヤは彼らに言った。「あなたがたの主君にこう言いなさい。『主はこう言われる。「アッシリアの王のしもべたちがわたしを冒涜した、あなたが聞いた言葉を恐れてはならない。
7Zie, Ik zal een geest in hem zenden, waardoor hij terugkeert naar zijn land, zodra hij geruchten verneemt; en in zijn land zal Ik hem door het zwaard doen vallen!
7わたしは彼のうちに一つの思いを起こす。彼はある知らせを聞いて自分の国へ帰る。わたしは彼を、その国で剣に倒れさせる。」』」
8De opperbevelhebber keerde nu naar den koning van Assjoer terug. En daar hij vernomen had, dat deze Lakisj al had verlaten, trof hij hem bij Libna aan, dat juist door hem belegerd werd.
8ラブシャケが帰って行くと、アッシリアの王がリブナと戦っているのを見つけた。彼がラキシュから去ったと聞いたからである。
9En toen deze hoorde: “Tirháka, de koning van Koesj, is tegen u ten strijde getrokken,” zond hij opnieuw gezanten naar Ezekias met de volgende opdracht:
9セナケリブは、「エチオピアの王ティルハカがあなたと戦うために出て来た」との知らせを聞き、再び使者をヒゼキヤに遣わして言った。
10Zegt dit aan Ezekias, den koning van Juda: Laat uw God, op wien gij vertrouwt, u niet bedriegen en zeggen: Jerusalem zal niet worden overgeleverd aan den assyrischen koning.
10「あなたがたはユダの王ヒゼキヤにこう言え。『あなたが頼みとしているあなたの神が、「エルサレムはアッシリアの王の手に引き渡されることはない」と言ってあなたを欺かせてはならない。
11Zie, ge hebt toch gehoord, dat de koningen van Assjoer alle landen ten ondergang hebben gedoemd; en zoudt gij dan ontsnappen?
11あなたは、アッシリアの王たちが諸国を完全に滅ぼしたことを聞いているはずだ。それでも自分だけは救われると思うのか。
12Hebben de goden de volkeren gered, die door mijn vaderen werden vernield: Gozan, Charan, Résef, en de bewoners van Éden in Telassar?
12わたしの先祖が滅ぼした諸国の神々は、彼らを救い出しただろうか。ゴザン、ハラン、レツェフ、そしてテラサルにいたエデンの子らを。
13Waar is de koning van Chamat gebleven, en de koning van Arpad, de koning van Sefarwáim, Hena en Iwwa?
13ハマテの王、アルパドの王、セファルワイムの町の王、ヘナの王、イワの王はどこにいるか。』」
14Toen Ezekias van de gezanten de brief had ontvangen, en hem had gelezen, ging hij naar de tempel, legde hem open voor Jahweh neer,
14ヒゼキヤは使者たちの手から手紙を受け取り、それを読んだ。それからヒゼキヤは主の家へ上って行き、それを主の前に広げた。
15en bad tot Jahweh: Jahweh, Israëls God, die op de cherubs troont; Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde; Gij hebt hemel en aarde geschapen!
15ヒゼキヤは主の御前で祈って言った。「ケルビムの上に座しておられるイスラエルの神、主よ。あなたこそ、ただあなただけが、地上のすべての王国の神です。あなたが天と地を造られました。
16Ach Jahweh, neig toch uw oor, en luister; open uw ogen, o Jahweh, en zie: Verneem, wat Sinacherib mij gemeld heeft, om den levenden God te honen.
16主よ、耳を傾けて聞いてください。主よ、目を開いて見てください。生ける神をそしるために彼が送ったセナケリブの言葉を聞いてください。
17Ach Jahweh, het is waar: de koningen van Assjoer hebben de volkeren met hun landen verwoest.
17主よ、確かにアッシリアの王たちは諸国とその地を荒れ廃れさせ、
18Ze hebben ook hun goden in het vuur geworpen en vernield; want ze waren geen god, maar enkel het werk van mensenhanden, van hout en van steen.
18彼らの神々を火に投げ込みました。それらは神々ではなく、人の手のわざ、木や石にすぎなかったからです。それゆえ、彼らはそれらを滅ぼしたのです。
19Ach Jahweh, onze God, red ons nu uit zijn handen, opdat alle koninkrijken der aarde erkennen, dat Gij alleen God zijt, o Jahweh!
19今、われわれの神、主よ、どうか彼の手から救ってください。そうすれば、地上のすべての王国は、主よ、あなただけが神であると知るでしょう。」
20Toen liet Isaias, de zoon van Amos, aan Ezekias zeggen: Dit zegt Jahweh, Israëls God! Ik heb de bede gehoord, die gij tot Mij hebt opgezonden om Sinacherib, den assyrischen koning.
20アモツの息子イザヤはヒゼキヤに人を遣わして言った。「イスラエルの神、主はこう言われる。『あなたがアッシリアの王セナケリブについてわたしに祈ったことを、わたしは聞いた。』
21Dit is het woord, dat Jahweh tegen hem gesproken heeft: Ze veracht en bespot u, De jonkvrouw, de dochter van Sion; Meewarig schudt ze het hoofd achter u, Jerusalems dochter!
21これが、主が彼について語られた言葉である。 『処女であるシオンの娘は、あなたをさげすみ、あなたをあざ笑った。 エルサレムの娘は、あなたの後ろで頭を振った。
22Wien hebt ge gehoond en beschimpt, Tegen wien een hoge toon aangeslagen. En uw trotse blikken geheven? Tegen Israëls Heilige!
22あなたはだれをそしり、冒涜したのか。 あなたはだれに向かって声を上げ、目を高く上げたのか。 イスラエルの聖なる方に向かってではないか。
23Door uw boden hebt ge den Heer gehoond, En gezegd: Met mijn tallooze wagens Heb ik de toppen der bergen bestegen, En de flanken van de Libanon. Ik heb zijn rijzige ceders geveld, En zijn schoonste cypressen; Zijn hoogste toppen bereikt, Zijn dichtste wouden.
23あなたは自分の使者たちによって主をそしり、そして言った。 「数多くの戦車を率いて、わたしは山々の頂、レバノンの奥深くまで上った。 わたしはその高い杉の木と、選び抜かれた糸杉の木を切り倒し、 その果ての高み、その豊かな森に入る。
24Ik heb geboord en gedronken De wateren van vreemde landen, En opgedroogd met de zool van mijn voeten Alle stromen van Masor.
24わたしは井戸を掘り、異国の水を飲んだ。 わたしの足の裏でエジプトのすべての川を干上がらせる。」
25Hebt ge dan niet vernomen, Hoe Ik dit vroeger al had beschikt? Wat Ik al lang had besloten, Heb Ik thans in vervulling doen gaan. Tot puinhopen moesten Versterkte steden worden verwoest;
25わたしが昔からこれを計画し、 いにしえの日から定めていたことを、あなたは聞かなかったのか。 今、わたしはそれを実現させ、 あなたが防備の町々を廃墟の山とするようにした。
26Haar bewoners machteloos zijn, Verschrikt en beschaamd. Ze moesten zijn als kruid op het veld, Als tengere planten; Als gras op het dak, Dat verdort, eer het opschiet.
26それゆえ、そこの住民は力が弱く、 恐れおののき、恥じ入った。 彼らは野の草や青々とした草のようになり、 屋上の草、育つ前に枯れる穀物のようになった。
27Maar Ik ken uw opstaan en zitten, Uw gaan en uw komen;
27しかし、わたしはあなたが座る時も、 出る時も、入る時も、 わたしに向かって激しく怒ることも知っている。
28Uw razen steeg tot Mij op, Uw tieren kwam Mij ter ore. Daarom sla Ik mijn ring door uw neus, Leg mijn toom aan uw lippen; En voer u terug langs de weg, Die gij kwaamt.
28あなたがわたしに向かって激しく怒り、あなたの傲慢さがわたしの耳に届いたため、 わたしはあなたの鼻にわたしの鉤をかけ、あなたの唇にわたしのくつわをはめ、 あなたが来た道からあなたを引き返させる。』
29En dit is het teken voor u: Dit jaar zult ge nog nawas eten, Het volgend jaar wat er groeit in het wild; Maar in het derde jaar zult ge zaaien en oogsten, Wijngaarden planten en de vrucht er van eten.
29『これがあなたへのしるしとなる。 今年は自然に生えたものを食べ、 二年目にはそこから伸びたものを食べる。 そして三年目には種を蒔いて刈り入れ、ぶどう畑を作ってその実を食べよ。
30Wat er van u overblijft, En wat er van het huis van Juda nog rest. Zal wortel schieten naar omlaag, En vruchten dragen naar boven.
30ユダの家の生き残った者たちは、再び下に根を張り、上に実を結ぶ。
31Want de Rest zal zich uit Jerusalem verspreiden, Wat er overbleef uit de Sion; De ijver van Jahweh der heerscharen Brengt het tot stand!
31残りの者がエルサレムから出て行き、逃れた者がシオンの山から出て行くからである。 万軍の主の熱心がこれを行う。』
32Daarom spreekt Jahweh over den koning van Assjoer: Hij zal deze stad niet binnen komen, Geen pijl er op afschieten; Met geen schild ze bestormen, Met geen wal ze omringen.
32それゆえ、アッシリアの王について主はこう言われる。 『彼がこの町に入ることはなく、 ここに矢を射ることもなく、 盾をもってその前に来ることもなく、 これに対して土塁を築くこともない。
33Hij keert terug langs de weg, die hij kwam; Deze stad komt hij niet binnen, zegt Jahweh!
33彼は自分が来た道を帰り、 この町に入ることはない』と主は言われる。
34Ik zal deze stad beschutten en redden Terwille van Mij, en van David, mijn dienaar!
34『わたしはこの町を守ってこれを救う。 わたし自身のため、またわたしのしもべダビデのために。』」
35Nog dezelfde nacht ging de engel van Jahweh uit en doodde in het assyrische leger honderd vijf en tachtig duizend man; ‘s morgens bij het ontwaken zag men enkel nog lijken.
35その夜、主の使いが出て行き、アッシリアの陣営で十八万五千人を打った。朝早く起きてみると、皆、死体となっていた。
36Nu brak Sinacherib, de koning van Assjoer, op, nam de terugtocht en bleef in Ninive.
36そこでアッシリアの王セナケリブは立ち去り、帰って行ってニネベに住んだ。
37En toen hij eens aan het bidden was in de tempel van Nisrok, zijn god, werd hij met het zwaard doorstoken door zijn zonen Adrammélek en Saréser, die naar het land Ararat vluchtten. Zijn zoon Ésar-Chaddon volgde hem op.
37彼がその神ニスロクの家で拝んでいたとき、彼の子であるアドラメレクとシャレツェルが剣で彼を打ち、アララテの地へ逃げた。そして彼の息子エサル・ハドンが代わって王となった。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.