2 Koningen 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Tijdens de regering van Jehojakim trok Nabukodonosor, de koning van Babel, op en onderwierp hem. Maar na drie jaren kwam hij in opstand.
1彼の時代に、バビロンの王ネブカドネザルが攻め上って来たので、エホヤキムは三年間彼のしもべとなった。その後、彼は向きを変えて彼に背いた。
2Daarom zond Nabukodonosor chaldese, aramese, moabietische en ammonietische benden op hem af. Hij stuurde ze naar Juda, om het te verwoesten, zoals Jahweh door zijn dienaren de profeten voorspeld had.
2主はカルデア人の略奪隊、アラム人の略奪隊、モアブ人の略奪隊、アンモンの子らの略奪隊を彼に対して送られた。主は彼らをユダに対して送り、これを滅ぼそうとされた。主がそのしもべである預言者たちを通して語られた言葉のとおりであった。
3Want het was de gramschap van Jahweh, die dit over Juda deed komen, omdat Hij het uit zijn aanschijn wilde verwerpen om al de zonden, die Manasses bedreven had,
3このことがユダに起こったのは、確かに主の命令による。彼らを御前から取り除くためであり、マナセが犯したすべての罪、
4en om het onschuldige bloed, dat hij had vergoten en waarmee hij Jerusalem had vervuld. Jahweh heeft dat niet willen vergeven.
4また彼が流した罪のない血のためであった。彼がエルサレムを罪のない血で満たしたので、主は赦そうとはされなかった。
5De verdere geschiedenis van Jehojakim, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
5エホヤキムのその他の事績と、彼が行ったすべてのことは、ユダの王たちの年代記の書に記されているではないか。
6Jehojakim ging bij zijn vaderen te ruste en zijn zoon Jehojakin volgde hem op.
6エホヤキムは先祖とともに眠りにつき、その息子エホヤキンが代わって王となった。
7De koning van Egypte trok nu niet langer meer op uit zijn land; want de koning van Babel had heel het gebied van de beek van Egypte af tot aan de rivier de Eufraat op den koning van Egypte veroverd.
7エジプトの王は二度と自分の国から出て来なかった。バビロンの王がエジプトの川からユーフラテス川に至るまで、エジプトの王に属するすべてのものを奪い取っていたからである。
8Jehojakin was achttien jaar oud, toen hij koning werd. Hij regeerde drie maanden te Jerusalem. Zijn moeder heette Nechoesjta en was de dochter van Elnatan uit Jerusalem.
8エホヤキンが王となったときは十八歳で、エルサレムで三か月間治めた。彼の母の名はネフシュタといい、エルサレムのエルナタンの娘であった。
9Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vaderen hadden gedaan.
9彼は父が行ったすべてのことに従って、主の目に悪とされることを行った。
10Tijdens zijn regering trokken de dienaren van Nabukodonosor, den koning van Babel, naar Jerusalem, en belegerden de stad.
10その時、バビロンの王ネブカドネザルのしもべたちがエルサレムに攻め上って来て、町は包囲された。
11En terwijl zijn dienaren haar belegerden, verscheen Nabukodonosor zelf voor de stad.
11そのしもべたちが町を包囲している間に、バビロンの王ネブカドネザルが町にやって来た。
12Nu begaf Jehojakin, de koning van Juda, zich met zijn moeder, zijn hovelingen, legeroversten en kamerlingen naar den koning van Babel. Deze nam hem in het achtste jaar van zijn regering gevangen.
12ユダの王エホヤキンは、彼と、その母と、そのしもべたちと、その君主たちと、その役人たちとともにバビロンの王のところに出て行った。バビロンの王は、自らの治世の第八年に彼を捕らえた。
13Hij voerde alle schatten van de tempel van Jahweh en van het koninklijk paleis weg, en beroofde alle voorwerpen, die koning Salomon voor de tempel van Jahweh had laten vervaardigen, van hun goud, zoals Jahweh voorzegd had.
13主が語られたとおり、彼は主の家と王宮の宝物をすべて運び出し、イスラエルの王ソロモンが主の神殿のために造った金の器をことごとく切り裂いた。
14Alle voorname personen en weerbare mannen van Jerusalem, tezamen tienduizend man, voerde hij met alle smeden en bankwerkers in ballingschap weg; alleen de heffe van het volk bleef achter.
14彼はエルサレムのすべての者、すべての君主、すべての勇士、すなわち一万人の捕虜、およびすべての職人と鍛冶屋を捕らえ移した。その地の民の最も貧しい者たちのほかには、だれも残されなかった。
15Jehojakin voerde hij weg naar Babel; ook de moeder van den koning, zijn vrouwen en kamerlingen en de voornaamste burgers voerde hij van Jerusalem in ballingschap naar Babel.
15彼はエホヤキンをバビロンへ捕らえ移した。また、王の母、王の妻たち、彼の役人たち、その地の有力者たちを、彼はエルサレムからバビロンへ捕らえ移した。
16Bovendien voerde de koning van Babel alle weerbare mannen, tezamen zevenduizend, en duizend smeden en bankwerkers, allen, die voor de strijd gebruikt konden worden, in ballingschap naar Babel.
16バビロンの王は、七千人のすべての勇士と、一千人の職人や鍛冶屋、すなわち戦いに適したすべての力強い男たちを、捕虜としてバビロンに連れて行った。
17Ten slotte stelde de koning van Babel Mattanja, een oom van Jehojakin, in diens plaats tot koning aan, en veranderde zijn naam in Sidki-jáhoe.
17バビロンの王はエホヤキンの叔父マタヌヤを彼に代わる王とし、その名をゼデキヤと改めさせた。
18Sidki-jáhoe was een en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Chamital, en was de dochter van Jirmejáhoe uit Libna.
18ゼデキヤが王となったときは二十一歳で、エルサレムで十一年間治めた。彼の母の名はハムタルといい、リブナのエレミヤの娘であった。
19Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, juist zoals Jehojakim had gedaan.
19彼はエホヤキムが行ったすべてのことに従って、主の目に悪とされることを行った。
20Daarom moest de gramschap van Jahweh wel tegen Jerusalem en Juda losbarsten, totdat Hij ze van zijn aanschijn zou hebben verworpen. Daar Sidki-jáhoe tegen den koning van Babel in opstand was gekomen,
20エルサレムとユダにこのことが起こったのは主の怒りによる。ついに主は彼らを御前から捨て去られた。ゼデキヤはバビロンの王に背いた。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.