2 Koningen 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1Eliseus had in een gesprek met de vrouw, wier zoon hij ten leven had opgewekt, gezegd: Vertrek, en ga met uw gezin voor enige tijd ergens in het buitenland wonen; want Jahweh dreigt met hongersnood. Die is er trouwens reeds, en zal zeven jaar duren.
1Na Elisha el tuh fahk nu sin mutan se ma muta Shunem, su el tuh akmoulyauk wen se natu ah, lah LEUM GOD El ac supwama sracl se nu fin acn uh ke lusen yac itkosr, ac mutan sac in som liki acn uh wi sou lal, ac muta in siena acn saya.
2En de vrouw was vertrokken en had gedaan, wat de godsman gezegd had; zij was heengegaan met haar gezin, en had zeven jaar in het land der Filistijnen vertoefd.
2Mutan sac tuh wi na ma fwackyang nu sel ah, na el ac sou lal ah som muta Philistia ke yac itkosr.
3Na verloop van zeven jaar was de vrouw uit het land der Filistijnen teruggekeerd, en nu ging zij naar den koning, om zijn hulp in te roepen voor haar huis en haar land.
3Ke safla yac itkosr ah, el foloko nu Israel, ac el som nu yorol tokosra ac siyuk tuh lohm sel ac acn sel in folokyang nu sel.
4De koning was toen in gesprek met Gechazi, den dienaar van Eliseus. Hij zeide: Vertel me toch al de wonderen, die Eliseus gedaan heeft.
4Ke el utyak, tokosra el sramsram nu sel Gehazi, mwet kulansap lal Elisha. Tokosra el lungse etu ke mwenmen lal Elisha.
5En juist was hij den koning aan het vertellen, hoe Eliseüs een dode had opgewekt, toen de vrouw, wier zoon hij het leven had weergegeven, bij den koning kwam smeken om haar huis en haar land. Gechazi zeide: Mijn heer en koning, daar hebt gij de vrouw met haar zoon, dien Eliseus heeft opgewekt.
5Ke pacl se Gehazi el srumun nu sel tokosra ke luman ma Elisha el oru ke el akmoulyauk sie mwet misa, na mutan sac sang pac siyuk lal nu sel tokosra. Gehazi el fahk nu sel, “Leum fulat, pa ingan mutan sac, ac pa ingan wen se natul ma Elisha el akmoulyauk ah!”
6Nu ondervroeg de koning de vrouw, en zij vertelde hem alles. Toen gaf de koning haar een kamerling mee met de opdracht: Zorg er voor, dat zij heel haar eigendom terugkrijgt, met heel de opbrengst van de akker sinds het ogenblik, waarop zij het land verliet, tot heden toe.
6Ke tokosra el kusen siyuk kac, mutan sac el akkeyala ma Gehazi el fahk. Na tokosra el pangonma sie mwet pwapa lal ac fahkang elan folokonang ma nukewa lun mutan sac nu sel, weang pac molin fokin ima ke acn sel ke lusen yac itkosr ma el muta ke siena facl.
7Eliseus kwam eens te Damascus, ter, wijl koning Ben-Hadad van Aram ziek lag. Toen men den koning berichtte, dat de godsman in de stad was aangekomen,
7Elisha el som nu Damascus ke pacl se ma Tokosra Benhadad lun Syria el mas. Ke fwackyang nu sel tokosra lah Elisha el oasr we,
8zeide hij tot Chazaël: Neem geschenken mee en ga naar den godsman, om door zijn bemiddeling Jahweh te raadplegen, en Hem te vragen, of ik van deze ziekte genezen zal.
8tokosra el fahk nu sel Hazael, sie sin mwet pwapa lal ah, “Us sie mwe lung an sang nu sin mwet palu sac, ac sap elan lolngok nu sin LEUM GOD lah nga ac kwela ku tia.”
9Chazaël ging er dus heen, en nam als geschenk veertig kameellasten met allerlei kostbaarheden van Damascus mee. Bij den godsman aangekomen, maakte hij zijn opwachting, en zeide: Uw zoon Ben-Hadad, de koning van Aram, zendt mij tot u, om u te vragen, of hij van zijn ziekte genezen zal.
9Na Hazael el nwakla kain in ma wo nukewa in acn Damascus nu fin camel angngaul, ac som nu yorol Elisha. Ke Hazael el sonol el fahk, “Tokosra Benhadad, mwet kulansap lom, el supweyume ngan tuh siyuk sum lah el ac ku in kwela liki mas lal ah ku tia.”
10Eliseus antwoordde: Ga hem maar zeggen, dat hij zal genezen; doch Jahweh heeft mij geopenbaard, dat hij zeker zal sterven.
10Elisha el topuk, “ LEUM GOD El akkalemye nu sik mu el ac misa. Tusruktu folokot nu yorol ac fahk nu sel mu el ac kwela.”
11Maar nu verstarde het gelaat van den godsman; hij werd hevig ontsteld, en begon ten slotte te wenen.
11Na Elisha el ngetang na suilya ke sie ngetnget na fosrnga, nwe ke na Hazael el sensenak. Kitin pacl ah na soror sroninmutal Elisha.
12Chazaël vroeg hem: Heer, waarom weent gij? Hij antwoordde: Omdat ik weet, hoeveel kwaad gij de Israëlieten zult aandoen; hun vestingen zult gij in brand steken, hun jonge mannen met het zwaard doden, hun kleine kinderen verpletteren en hun zwangere vrouwen openrijten.
12Hazael el siyuk, “Leum luk, efu ku kom tung?” Elisha el topuk, “Mweyen nga etu ke ma na koluk kom ac oru nu sin mwet Israel uh. Kom ac esukak pot ku lalos, onela mukul fusr wowo natulos ke cutlass, sringil tulik natulos nwe ke elos misa, ac tiyala insien mutan pitutu lalos.”
13Chazaël zeide: Maar hoe kan uw dienaar, een dode hond, zo iets geweldigs verrichten? Eliseus antwoordde: Jahweh heeft mij u als koning van Aram doen zien.
13Hazael el siyuk, “Ku fuka tuh ngan ku in oru ma na yohk angan? Nga tia mwet pwaye se!” Elisha el topuk, “ LEUM GOD El akkalemye nu sik lah kom pa ac tokosra lun Syria.”
14Zo ging hij van Eliseus heen. Toen hij bij zijn heer was aangekomen, vroeg deze hem: Wat heeft Eliseus u gezegd? Hij antwoordde: Hij heeft mij gezegd, dat gij genezen zult.
14Hazael el folokla nu yorol Benhadad, su siyuk sel, “Mea Elisha el fahk?” Hazael el topuk, “El fahk nu sik mu pwayena lah kom ac kwela.”
15Maar de volgende dag nam hij een laken, doopte het in water en drukte het Ben-Hadad op het gezicht. Deze stierf, en Chazaël werd koning in zijn plaats.
15Tusruktu ke len se tok ah, Hazael el eis blanket se, isongya in kof ah, na sang nokomla mutal tokosra, nwe el malak misa. Na Hazael el aolulla Benhadad in tokosra lun acn Syria.
16In het vijfde jaar der regering van Joram, den zoon van Achab, over Israël, werd Joram, de zoon van Josafat, koning van Juda.
16In yac aklimekosr ke Joram, wen natul Ahab, el tokosra lun Israel, Jehoram wen natul Jehoshaphat el tokosrala lun Judah.
17Hij was twee en dertig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde acht jaar te Jerusalem.
17Jehoram el yac tolngoul luo in pacl sac, ac el leum in acn Jerusalem ke yac oalkosr.
18Hij volgde het wangedrag van de koningen van Israël, evenals het huis van Achab; want hij was met een dochter van Achab gehuwd. Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh.
18Mutan kial ah ma natul Ahab, ac Jehoram el oru oana sou lal Ahab — el fahsr tukun ouiya koluk lun tokosra lun Israel. El oru ma koluk lain LEUM GOD ,
19Toch wilde Jahweh Juda niet vernietigen terwille van David, zijn dienaar, tot wien Hij gezegd had, dat Hij hem voor altijd een licht zou geven voor zijn aanschijn.
19tusruktu LEUM GOD El tia lungse kunausla acn Judah, mweyen El tuh wulela nu sel David, mwet kulansap lal, mu fwilin tulik natul ac fah leumi mwet lal nwe tok.
20Tijdens zijn regering maakten de Edomieten zich onafhankelijk van Juda, en stelden een eigen koning aan.
20In pacl in leum lal Jehoram, acn Edom tuyak lain acn Judah, ac mutawauk in sifacnala.
21Daarom trok Joram met al zijn strijdwagens naar Saïr. Maar toen hij ‘s nachts een aanval waagde, werd hij door de Edomieten omsingeld en met de aanvoerders van zijn strijdwagens verslagen, en het volk vluchtte naar huis.
21Ouinge Jehoram el us chariot lal nukewa ac som nu Zair, yen mwet mweun lun Edom elos raunelosla we. In fong sac, el ac mwet leum lun chariot uh mahsrikla twe kaingla, ac mwet mweun lal ah fahsrelik nu yen selos.
22Zo werd Edom van Juda onafhankelijk, en is het gebleven tot heden toe. Ook Libna ging bij die gelegenheid verloren.
22In pacl sac me, acn Edom tila oan ye ku lun Judah. Ac in pacl sac pacna, siti Libnah tuyak pac ac orek alein nu sin Judah.
23De verdere geschiedenis van Joram, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
23Ma nukewa saya ma Jehoram el orala simla oasr in Sramsram Matu Ke Tokosra Lun Judah.
24Joram ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de Davidstad bij zijn vaderen begraven. Zijn zoon Achazja volgde hem op.
24Jehoram el misa ac pukpuki inkulyuk lun tokosra in Siti sel David, ac Ahaziah, wen natul, el aolul in tokosra.
25In het twaalfde jaar der regering van Joram, den zoon van Achab, over Israël, werd Achazja, de zoon van Joram, koning van Juda.
25In yac aksingoul luo ke pacl Joram wen natul Ahab el tokosra lun Israel, Ahaziah wen natul Jehoram el tokosrala lun Judah
26Achazja was twee en twintig jaar, toen hij koning werd, en regeerde één jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Ataljáhoe, en was de dochter van Amri.
26ke el yac longoul luo, ac el leum in Jerusalem ke yac se. Nina kial pa Athaliah, acn se natul Tokosra Ahab, su ma natul Tokosra Omri lun Israel.
27Hij volgde het wangedrag van het huis van Achab en deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, juist als het huis van Achab; hij was trouwens met het huis van Achab verwant.
27Ahaziah el ac sou nu sel Tokosra Ahab ke sripen nina kial, ac el oru ma koluk lain LEUM GOD oana ke sou lal Tokosra Ahab tuh oru.
28Toen Joram, de zoon van Achab, ten strijde trok tegen koning Chazaël van Aram, werd hij bij Rama in Gilad door de Arameën gewond.
28Tokosra Ahaziah el welul Tokosra Joram lun Israel in mweun lainul Tokosra Hazael lun Syria. Mwet mweun lalos sroani mweun in acn Ramoth in Gilead, ac Joram el kineta ke mweun ah.
29Daarom keerde koning Joram terug, om te Jizreël te herstellen van de wonden, die de Arameën hem in de oorlog met Chazaël, den koning van Aram, bij Rama hadden toegebracht. En bij die gelegenheid kwam Achazja, de zoon van Joram en koning van Juda, den zieken Joram, den zoon van Achab, te Jizreël bezoeken.
29El folokla nu in siti Jezreel in tuh mahla kinet kacl ah, ac Ahaziah el som nu we in osun nu sel.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.