2 Koningen 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In het derde jaar der regering van Hosjéa, den zoon van Ela over Israël, werd Ezekias, de zoon van Achaz, koning van Juda.
1ΚΑΙ ἐγένετο ἐν ἔτει τρίτῳ τῷ Ὡσηὲ υἱῷ Ἠλὰ βασιλεῖ Ἰσραὴλ ἐβασίλευσεν Ἐζεκίας υἱὸς Ἄχαζ βασιλέως Ἰούδα.
2Hij was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en heeft negen en twintig jaar te Jerusalem geregeerd. Zijn moeder heette Abi, en was de dochter van Zekarja.
2υἱὸς εἴκοσι καὶ πέντε ἐτῶν ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν καὶ εἴκοσι καὶ ἐννέα ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Ἄβου θυγάτηρ Ζαχαρίου.
3Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vader David.
3καὶ ἐποίησε τὸ εὐθὲς ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου κατὰ πάντα, ὅσα ἐποίησε Δαυὶδ ὁ πατὴρ αὐτοῦ.
4Hij schafte de offerhoogten af, verbrijzelde de heilige zuilen en hakte de heilige palen om. Zelfs sloeg hij de koperen slang, die Moses gemaakt had, aan stukken; want tot dan toe hadden de Israëlieten daarvoor wierook gebrand, en haar Nechoesjtan genoemd.
4αὐτὸς ἐξῇρε τὰ ὑψηλὰ καὶ συνέτριψε τὰς στήλας καὶ ἐξωλόθρευσε τὰ ἄλση καὶ τὸν ὄφιν τὸν χαλκοῦν, ὃν ἐποίησε Μωυσῆς, ὅτι ἕως τῶν ἡμερῶν ἐκείνων ἦσαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ θυμιῶντες αὐτῷ, καὶ ἐκάλεσεν αὐτὸν Νεεσθάν.
5Hij vertrouwde op Jahweh, en had daarin zijns gelijke niet, noch voor noch na hem, onder al de koningen van Juda.
5ἐν Κυρίῳ Θεῷ Ἰσραὴλ ἤλπισε, καὶ μετ᾿ αὐτὸν οὐκ ἐγενήθη ὅμοιος αὐτῷ ἐν βασιλεῦσιν Ἰούδα καὶ ἐν τοῖς γενομένοις ἔμπροσθεν αὐτοῦ·
6Hij bleef aan Jahweh verknocht en verliet Hem niet, maar onderhield de geboden, die Jahweh aan Moses gegeven had.
6καὶ ἐκολλήθη τῷ Κυρίῳ, οὐκ ἀπέστη ὄπισθεν αὐτοῦ καὶ ἐφύλαξε τὰς ἐντολὰς αὐτοῦ, ὅσας ἐνετείλατο Μωυσῇ·
7Daarom was Jahweh met hem, en slaagde hij in al zijn ondernemingen. Hij kwam in opstand tegen den koning van Assjoer, en bleef hem niet dienstbaar.
7καὶ ἦν Κύριος μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ ἐν πᾶσιν, οἷς ἐποίει, συνῆκε. καὶ ἠθέτησεν ἐν τῷ βασιλεῖ Ἀσσυρίων καὶ οὐκ ἐδούλευσεν αὐτῷ.
8Ook sloeg hij de Filistijnen tot Gaza terug, en veroverde het gebied der stad met wachttorens en vestingen.
8αὐτὸς ἐπάταξε τοὺς ἀλλοφύλους ἕως Γάζης καὶ ἕως ὁρίου αὐτῆς ἀπὸ πύργου φυλασσόντων καὶ ἕως πόλεως ὀχυρᾶς.
9In het vierde jaar der regering van Ezekias, dat is het zevende jaar der regering van Hosjéa, den zoon van Ela, over Israël, trok Sjalmanéser, de koning van Assjoer, tegen Samaria op. Hij belegerde het,
9Καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ἔτει τῷ τετάρτῳ βασιλεῖ Ἐζεκίᾳ (αὐτὸς ἐνιαυτὸς ὁ ἕβδομος τῷ Ὡσηὲ υἱῷ Ἠλὰ βασιλεῖ Ἰσραὴλ) ἀνέβη Σαλαμανασὰρ βασιλεὺς Ἀσσυρίων ἐπὶ Σαμάρειαν καὶ ἐπολιόρκει ἐπ᾿ αὐτήν·
10en nam het na verloop van drie jaar in. De inname van Samaria geschiedde in het zesde jaar van Ezekias, dat is het negende jaar der regering van Hosjéa over Israël.
10καὶ κατελάβετο αὐτὴν ἀπὸ τέλους τριῶν ἐτῶν ἐν ἔτει ἕκτῳ τῷ Ἐζεκίᾳ (αὐτὸς ἐνιαυτὸς ἔνατος τῷ Ὡσηὲ βασιλεῖ Ἰσραήλ), καὶ συνελήφθη Σαμάρεια.
11De koning van Assjoer voerde de Israëlieten in ballingschap naar Assjoer en liet hen wonen in Chalach, aan de Chabor, een kanaal van Gozan, en in enige steden van Medië.
11καὶ ἀπῴκισε βασιλεὺς Ἀσσυρίων τὴν Σαμάρειαν εἰς Ἀσσυρίους καὶ ἔθηκεν αὐτοὺς ἐν Ἀλαὲ καὶ ἐν Ἀβὼρ ποταμῷ Γωζὰν καὶ ὄρη Μήδων,
12Dit alles gebeurde, omdat zij niet naar de stem van Jahweh, hun God, hadden geluisterd, zijn verbond hadden verlaten, niet hadden gehoorzaamd aan al wat Moses, de dienaar van Jahweh, had bevolen, en er niet naar hadden geleefd.
12ἀνθ᾿ ὧν ὅτι οὐκ ἤκουσαν τῆς φωνῆς Κυρίου Θεοῦ αὐτῶν καὶ παρέβησαν τὴν διαθήκην αὐτοῦ, πάντα ὅσα ἐνετείλατο Μωυσῆς ὁ δοῦλος Κυρίου, καὶ οὐκ ἤκουσαν καὶ οὐκ ἐποίησαν.
13In het veertiende regeringsjaar van Ezekias trok Sinacherib, de koning van Assjoer, tegen alle versterkte steden van Juda op, en maakte zich daarvan meester.
13Καὶ τῷ τεσσαρεσκαιδεκάτῳ ἔτει τοῦ βασιλέως Ἐζεκίου ἀνέβη Σενναχηρὶμ βασιλεὺς Ἀσσυρίων ἐπὶ τὰς πόλεις Ἰούδα τὰς ὀχυρὰς καὶ συνέλαβεν αὐτάς.
14Toen zond Ezekias, de koning van Juda, gezanten naar den koning van Assjoer te Lakisj, en liet hem zeggen: Ik heb misdreven! Trek weer van mij weg; dan zal ik opbrengen wat gij me oplegt. Nu vorderde de koning van Assjoer van Ezekias, den koning van Juda, driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud.
14καὶ ἀπέστειλεν Ἐζεκίας βασιλεὺς Ἰούδα ἀγγέλους πρὸς βασιλέα Ἀσσυρίων εἰς Λαχὶς λέγων· ἡμάρτηκα, ἀποστράφηθι ἀπ᾿ ἐμοῦ· ὃ ἐὰν ἐπιθῇς ἐπ᾿ ἐμέ, βαστάσω. καὶ ἐπέθηκεν ὁ βασιλεὺς Ἀσσυρίων ἐπὶ Ἐζεκίαν βασιλέα Ἰούδα τριακόσια τάλαντα ἀργυρίου καὶ τριάκοντα τάλαντα χρυσίου.
15En Ezekias gaf hem al het geld, dat in de tempel van Jahweh en in de schatkamers van het koninklijk paleis lag opgeborgen.
15καὶ ἔδωκεν Ἐζεκίας πᾶν τὸ ἀργύριον τὸ εὑρεθὲν ἐν οἴκῳ Κυρίου καὶ ἐν θησαυροῖς οἴκου τοῦ βασιλέως.
16Bij die gelegenheid liet Ezekias van de deuren van Jahweh’s tempel en van de pijlers, die hij zelf had overtrokken, het goud afsnijden, om het aan den koning van Assjoer te geven.
16ἐν τῷ καιρῷ ἐκείνῳ συνέκοψεν Ἐζεκίας τὰς θύρας ναοῦ καὶ τὰ ἐστηριγμένα, ἃ ἐχρύσωσεν Ἐζεκίας ὁ βασιλεὺς Ἰούδα, καὶ ἔδωκεν αὐτὰ βασιλεῖ Ἀσσυρίων.
17Nu zond de koning van Assjoer, van Lakisj uit, een Tartan, een opperkamerling en een opperbevelhebber met een sterke krijgsmacht naar Jerusalem tegen koning Ezekias. Toen zij zich na hun aankomst bij het kanaal van de Bovenvijver op de weg van het Blekersveld hadden opgesteld,
17καὶ ἀπέστειλε βασιλεὺς Ἀσσυρίων τὸν Θαρθὰν καὶ τὸν Ραφὶς καὶ τὸν Ραψάκην ἐκ Λαχὶς πρὸς τὸν βασιλέα Ἐζεκίαν ἐν δυνάμει βαρείᾳ ἐπὶ Ἱερουσαλήμ, καὶ ἔστησαν ἐν τῷ ὑδραγωγῷ τῆς κολυμβήθρας τῆς ἄνω, ἥ ἐστιν ἐν τῇ ὁδῷ τοῦ ἀγροῦ τοῦ γναφέως.
18en om den koning riepen, ging de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe naar hen toe, vergezeld van den schrijver Sjebna en den kanselier Joach, den zoon van Azaf.
18καὶ ἐβόησαν πρὸς Ἐζεκίαν, καὶ ἦλθον πρὸς αὐτὸν Ἑλιακὶμ υἱὸς Χελκίου ὁ οἰκονόμος καὶ Σωμνὰς ὁ γραμματεὺς καὶ Ἰωὰς ὁ υἱὸς Σαφὰτ ὁ ἀναμιμνῃ£σκων.
19De opperbevelhebber zeide tot hen: Gaat aan Ezekias berichten: Dit zegt de Opperkoning, de koning van Assjoer! Waar haalt ge toch uw vertrouwen vandaan?
19καὶ εἶπε πρὸς αὐτοὺς Ραψάκης· εἴπατε δὴ πρὸς Ἐζεκίαν· τάδε λέγει ὁ βασιλεὺς ὁ μέγας ὁ βασιλεὺς Ἀσσυρίων· τί ἡ πεποίθησις αὕτη, ἣν πέποιθας;
20Denkt ge misschien, dat woorden alleen alkrijgsbeleid en krijgsmacht zijn? Op wien vertrouwt ge dan wel, om u tegen mij te verzetten?
20εἶπας· πλὴν λόγοι χειλέων, βουλὴ καὶ δύναμις εἰς πόλεμον. νῦν οὖν τίνι πεποιθὼς ἠθέτησας ἐν ἐμοί;
21Zie, ge vertrouwt op Egypte, op die geknakte rietstok, die iemand de hand doorboort en wondt, als hij er op steunt; ja, dat is Farao, de egyptische koning voor iedereen, die op hem vertrouwt.
21νῦν ἰδοὺ πέποιθας σαυτῷ ἐπὶ τὴν ράβδον τὴν καλαμίνην τὴν τεθλασμένην ταύτην, ἐπ᾿ Αἴγυπτον; ὃς ἂν στηριχθῇ ἀνὴρ ἐπ᾿ αὐτήν, καὶ εἰσελεύσεται εἰς τὴν χεῖρα αὐτοῦ καὶ τρήσει αὐτήν· οὕτως Φαραὼ βασιλεὺς Αἰγύπτου πᾶσι τοῖς πεποιθόσιν ἐπ᾿ αὐτόν.
22Misschien zult ge mij zeggen: Wij vertrouwen op Jahweh, onzen God. Maar heeft Ezekias dan zijn offerhoogten en altaren niet laten verwijderen, en tot Juda en Jerusalem gezegd: “Alleen voor dit altaar te Jerusalem moogt gij u neerwerpen?”
22καὶ ὅτι εἶπας πρός με· ἐπὶ Κύριον Θεὸν πεποίθαμεν· οὐχὶ αὐτὸς οὗτος, οὗ ἀπέστησεν Ἐζεκίας τὰ ὑψηλὰ αὐτοῦ καὶ τὰ θυσιαστήρια αὐτοῦ καὶ εἶπε τῷ Ἰούδᾳ καὶ τῇ Ἱερουσαλήμ· ἐνώπιον τοῦ θυσιαστηρίου τούτου προσκυνήσετε ἐν Ἱερουσαλήμ;
23Welnu, ga eens een weddenschap aan met den koning van Assjoer, mijn meester. Ik zal u twee duizend paarden leveren; maar ik wed, dat gij er niet eens de ruiters voor hebt.
23καὶ νῦν μίχθητε δὴ τῷ κυρίῳ μου βασιλεῖ Ἀσσυρίων, καὶ δώσω σοι δισχιλίους ἵππους, εἰ δυνήσῃ δοῦναι σεαυτῷ ἐπιβάτας ἐπ᾿ αὐτούς.
24Maar hoe zult ge dan weerstand kunnen bieden aan de geringste onderbevelhebbers van mijn heer? Of vertrouwt ge op Egypte voor strijdwagens en ruiters?
24καὶ πῶς ἀποστρέψεις τὸ πρόσωπον τοπάρχου ἑνὸς τῶν δούλων τοῦ κυρίου μου τῶν ἐλαχίστων; καὶ ἤλπισας σαυτῷ ἐπ᾿ Αἴγυπτον εἰς ἅρματα καὶ ἱππεῖς.
25Maar ben ik dan, zonder dat Jahweh het wilde, tegen dit land opgetrokken, om het te verwoesten? Neen, Jahweh heeft mij gezegd: “Trek op naar dit land en verwoest het.”
25καὶ νῦν μὴ ἄνευ Κυρίου ἀνέβημεν ἐπὶ τὸν τόπον τοῦτον τοῦ διαφθεῖραι αὐτόν; Κύριος εἶπε πρός με· ἀνάβηθι ἐπὶ τὴν γῆν ταύτην καὶ διάφθειρον αὐτήν.
26Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, Sjebna en Joach zeiden tot den opperbevelhebber: Spreek maar aramees met uw dienaars; wij verstaan dat wel. Maar spreek geen joods tegen ons; want dan verstaat het volk op de muur het ook.
26καὶ εἶπεν Ἑλιακὶμ υἱὸς Χελκίου καὶ Σωμνὰς καὶ Ἰωὰς πρὸς Ραψάκην· λάλησον δὴ πρὸς τοὺς παῖδάς σου Συριστί, ὅτι ἀκούομεν ἡμεῖς, καὶ οὐ λαλήσεις μεθ᾿ ἡμῶν Ἰουδαϊστί, καὶ ἱνατί λαλεῖς ἐν τοῖς ὠσὶ τοῦ λαοῦ τοῦ ἐπὶ τοῦ τείχους;
27Maar de opperbevelhebber gaf hun ten antwoord: Heeft mijn meester mij soms met deze boodschap alleen tot u en uw koning gezonden; of ook tot die mannen daar op de muur, die hun eigen drek met u zitten te eten, en die hun eigen water drinken?
27καὶ εἶπε πρὸς αὐτοὺς Ραψάκης· μὴ ἐπὶ τὸν κύριόν σου καὶ πρὸς σὲ ἀπέστειλέ με ὁ κύριός μου λαλῆσαι τοὺς λόγους τούτους; οὐχὶ ἐπὶ τοὺς ἄνδρας τοὺς καθημένους ἐπὶ τοῦ τείχους τοῦ φαγεῖν τὴν κόπρον αὐτῶν καὶ πιεῖν τὸ οὖρον αὐτῶν μεθ᾿ ὑμῶν ἅμα;
28Daarom kwam de opperbevelhebber nog dichterbij en riep hardop in het Joods: Hoort het woord van den Opperkoning van Assjoer!
28καὶ ἔστη Ραψάκης καὶ ἐβόησε φωνῇ μεγάλῃ Ἰουδαϊστὶ καὶ ἐλάλησε καὶ εἶπεν· ἀκούσατε τοὺς λόγους τοῦ μεγάλου βασιλέως Ἀσσυρίων·
29Dit zegt de koning: Laat Ezekias u niet bedriegen; want hij kan u niet redden uit mijn hand.
29τάδε λέγει ὁ βασιλεύς· μὴ ἐπαιρέτω ὑμᾶς Ἐζεκίας λόγοις, ὅτι οὐ μὴ δύνηται ὑμᾶς ἐξελέσθαι ἐκ χειρός μου.
30En laat Ezekias u ook niet op Jahweh doen rekenen en zeggen: Jahweh zal ons zeker verlossen; deze stad zal niet in de handen van den koning van Assjoer vallen!
30καὶ μὴ ἐλπιζέτω ὑμᾶς Ἐζεκίας πρὸς Κύριον λέγων· ἐξαιρούμενος ἐξελεῖται Κύριος, οὐ μὴ παραδοθῇ ἡ πόλις αὕτη ἐν χειρὶ βασιλέως Ἀσσυρίων.
31Luistert niet naar Ezekias; want dit zegt de koning van Assjoer: Sluit vrede met mij, en geeft u over; dan zal iedereen de vrucht van zijn wijnstok en vijgeboom eten, en het water drinken uit zijn put,
31μὴ ἀκούετε Ἐζεκίου· ὅτι τάδε λέγει ὁ βασιλεὺς Ἀσσυρίων· ποιήσατε μετ᾿ ἐμοῦ εὐλογίαν καὶ ἐξέλθατε πρός με, καὶ πίεται ἀνὴρ τὴν ἄμπελον αὐτοῦ καὶ ἀνὴρ τὴν συκῆν αὐτοῦ φάγεται καὶ πίεται ὕδωρ τοῦ λάκκου αὐτοῦ,
32totdat ik u kom meenemen naar een land, dat op het uwe gelijkt: een land van koren en wijn, van brood en wijngaarden, van olijfbomen en honing; zo zult gij leven en niet sterven. Luistert niet naar Ezekias; hij misleidt u, wanneer hij zegt: Jahweh zal ons verlossen.
32ἕως ἔλθω καὶ λάβω ὑμᾶς εἰς γῆν ὡς γῆ ὑμῶν, γῆ σίτου καὶ οἴνου καὶ ἄρτου καὶ ἀμπελώνων, γῆ ἐλαίας ἐλαίου καὶ μέλιτος, καὶ ζήσετε καὶ οὐ μὴ ἀποθάνητε. καὶ μὴ ἀκούετε Ἐζεκίου, ὅτι ἀπατᾷ ὑμᾶς λέγων· Κύριος ρήσεται ὑμᾶς.
33Hebben soms de goden van de andere volkeren hun land uit de macht van den assyrischen koning verlost?
33μὴ ρυόμενοι ἐρρύσαντο οἱ θεοὶ τῶν ἐθνῶν ἕκαστος τὴν ἑαυτοῦ χώραν ἐκ χειρὸς βασιλέως Ἀσσυρίων;
34Waar zijn de goden van Chamat en Arpad, waar de goden van Sefarwáim, Hena en Iwwa? Waar zijn de goden van het land van Samaria; hebben zij Samaria uit mijn hand kunnen redden?
34ποῦ ἐστιν ὁ θεὸς Αἰμὰθ καὶ Ἀρφάδ; ποῦ ἐστιν ὁ θεὸς Σεπφαουραΐμ, Ἀνὰ καὶ Ἀβά, ὅτι ἐξείλαντο Σαμάρειαν ἐκ χειρός μου;
35Wie is er onder de goden van al die landen, die zijn gebied uit mijn macht heeft verlost? Zou Jahweh dan Jerusalem uit mijn hand kunnen redden?
35τίς ἐν πᾶσι τοῖς θεοῖς τῶν γαιῶν, οἳ ἐξείλαντο τὰς γᾶς αὐτῶν ἐκ χειρός μου, ὅτι ἐξελεῖται Κύριος τὴν Ἱερουσαλὴμ ἐκ χειρός μου;
36Men zweeg en antwoordde hem geen woord; want de koning had bevel gegeven: Ge moet hem niets terugzeggen.
36καὶ ἐκώφευσαν καὶ οὐκ ἀπεκρίθησαν αὐτῷ λόγον, ὅτι ἐντολὴ τοῦ βασιλέως λέγων· οὐκ ἀποκριθήσεσθε αὐτῷ.
37Maar de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, de schrijver Sjebna en de kanselier Joach, de zoon van Azaf, scheurden hun klederen en gingen naar Ezekias, om hem de woorden van den opperbevelhebber over te brengen.
37καὶ εἰσῆλθεν Ἑλιακὶμ υἱὸς Χελκίου ὁ οἰκονόμος καὶ Σωμνὰς ὁ γραμματεὺς καὶ Ἰωὰς υἱὸς Σαφὰτ ὁ ἀναμιμνήσκων πρὸς Ἐζεκίαν, διερρηχότες τὰ ἱμάτια καὶ ἀνήγγειλαν αὐτῷ τοὺς λόγους Ραψάκου.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.