2 Koningen
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Maar Eliseus sprak: Hoort het woord van Jahweh! Zo spreekt Jahweh! Morgen om deze tijd kost bij de poort van Samaria een maat meel een sikkel, en twee maten gerst evenveel.
1ΚΑΙ εἶπεν Ἑλισαιέ· ἄκουσον λόγον Κυρίου· τάδε λέγει Κύριος· ὡς ἡ ὥρα αὕτη αὔριον μέτρον σεμιδάλεως σίκλου καὶ δίμετρον κριθῶν σίκλου ἐν ταῖς πύλαις Σαμαρείας.
2Maar de hopman, op wiens arm de koning leunde, riep den godsman toe: Al maakt Jahweh sluizen in de hemel, dan gebeurt dat nog niet! Eliseus hernam: Ge zult het met eigen ogen zien, maar er niet van eten.
2καὶ ἀπεκρίθη ὁ τριστάτης, ἐφ᾿ ὃν ὁ βασιλεὺς ἐπανεπαύετο ἐπὶ τὴν χεῖρα αὐτοῦ, τῷ Ἑλισαιὲ καὶ εἶπεν· ἰδοὺ ποιήσει Κύριος καταράκτας ἐν οὐρανῷ, μὴ ἔσται τὸ ρῆμα τοῦτο; καὶ Ἑλισαιὲ εἶπεν· ἰδοὺ σὺ ὄψει τοῖς ὀφθαλμοῖς σου καὶ ἐκεῖθεν οὐ φάγῃ.
3Nu bevonden zich buiten de stadspoort vier melaatse mannen. Dezen zeiden tot elkander: Waarom zouden we hier blijven zitten, tot we dood zijn?
3καὶ τέσσαρες ἄνδρες ἦσαν λεπροὶ παρὰ τὴν θύραν τῆς πόλεως, καὶ εἶπεν ἀνὴρ πρὸς τὸν πλησίον αὐτοῦ· τί ἡμεῖς καθήμεθα ὧδε, ἕως ἀποθάνωμεν;
4Besluiten we de stad in te gaan, dan sterven we daar van de honger; blijven we hier, dan sterven we ook. We moesten dus maar naar het kamp der Arameën overlopen. Laten ze ons in het leven, dan blijven we leven; doden ze ons, dan sterven we maar.
4ἐὰν εἴπωμεν, εἰσέλθωμεν εἰς τὴν πόλιν, καὶ ὁ λιμὸς ἐν τῇ πόλει καὶ ἀποθανούμεθα ἐκεῖ· καὶ ἐὰν καθίσωμεν ὧδε, καὶ ἀποθανούμεθα. καὶ νῦν δεῦτε καὶ ἐμπέσωμεν εἰς τὴν παρεμβολὴν Συρίας· ἐὰν ζωογονήσωσιν ἡμᾶς, καὶ ζησόμεθα· καὶ ἐὰν θανατώσωσιν ἡμᾶς, καὶ ἀποθανούμεθα.
5Zo stonden ze dan tegen het vallen van de avond op, om naar het kamp der Arameën te gaan. Maar toen ze de rand van het kamp der Arameën hadden bereikt, vonden ze daar niemand.
5καὶ ἀνέστησαν ἐν τῷ σκότει εἰσελθεῖν εἰς τὴν παρεμβολὴν Συρίας καὶ ἦλθον εἰς μέρος παρεμβολῆς Συρίας, καὶ ἰδοὺ οὐκ ἔστιν ἀνὴρ ἐκεῖ.
6Want de Heer had in het kamp der Arameën het gedruis van een groot leger met paarden en wagens doen horen, zodat ze tot elkander riepen: De koning van Israël heeft de koningen der Chittieten en van Moesri bezoldigd, om ons te overvallen!
6καὶ κύριος ἀκουστὴν ἐποίησε παρεμβολὴν τὴν Συρίας φωνὴν ἅρματος καὶ φωνὴν ἵππου, φωνὴν δυνάμεως μεγάλης, καὶ εἶπεν ἀνὴρ πρὸς τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ· νῦν ἐμισθώσατο ἐφ᾿ ἡμᾶς ὁ βασιλεὺς Ἰσραὴλ τοὺς βασιλέας τῶν Χετταίων καὶ τοὺς βασιλέας Αἰγύπτου τοῦ ἐλθεῖν ἐφ᾿ ἡμᾶς.
7Zo waren ze bij het vallen van de avond op de vlucht geslagen; ze hadden hun tenten, hun paarden en ezels met het kamp, zoals het was, achtergelaten, en vluchtten nu om lijfsbehoud.
7καὶ ἀνέστησαν καὶ ἀπέδρασαν ἐν τῷ σκότει καὶ ἐγκατέλιπαν τὰς σκηνὰς αὐτῶν καὶ τοὺς ἵππους αὐτῶν καὶ τοὺς ὄνους αὐτῶν ἐν τῇ παρεμβολῇ ὥς ἐστι καὶ ἔφυγον πρὸς τὴν ψυχὴν ἑαυτῶν.
8Toen de melaatsen dus aan de rand van het kamp waren aangekomen, gingen ze daar een tent binnen. Na gegeten en gedronken te hebben, namen ze er goud, zilver en kleren uit mee, en gingen heen, om het te verbergen. Daarna keerden ze terug, liepen een andere tent binnen, namen ook daar het een en ander weg, en gingen ook dat verbergen.
8καὶ εἰσῆλθον οἱ λεπροὶ οὗτοι ἕως μέρους τῆς παρεμβολῆς καὶ εἰσῆλθον εἰς σκηνὴν μίαν καὶ ἔφαγον καὶ ἔπιον καὶ ᾖραν ἐκεῖθεν ἀργύριον καὶ χρυσίον καὶ ἱματισμὸν καὶ ἐπορεύθησαν· καὶ ἐπέστρεψαν ἐκεῖθεν καὶ εἰσῆλθον εἰς σκηνὴν ἄλλην καὶ ἔλαβον ἐκεῖθεν καὶ ἐπορεύθησαν καὶ κατέκρυψαν.
9Toen zeiden ze echter tot elkaar: Wij handelen niet zoals het behoort. Vandaag is een dag van blijde verrassing, en wij houden ons stil. Wanneer wij wachten, tot het licht is, worden we strafbaar. Laat ons dus heengaan, om het aan het koninklijk paleis te berichten.
9καὶ εἶπεν ἀνὴρ πρὸς τὸν πλησίον αὐτοῦ· οὐχ οὕτως ἡμεῖς ποιοῦμεν· ἡ ἡμέρα αὕτη ἡμέρα εὐαγγελίας ἐστί, καὶ ἡμεῖς σιωπῶμεν καὶ μένομεν ἕως φωτὸς τοῦ πρωΐ καὶ εὑρήσομεν ἀνομίαν· καὶ νῦν δεῦρο καὶ εἰσέλθωμεν καὶ ἀναγγείλωμεν εἰς τὸν οἶκον τοῦ βασιλέως.
10Bij de stad gekomen, riepen ze de poortwachters toe: We zijn naar het kamp der Arameën geweest, maar er was geen mens te horen of te zien; alleen de paarden en de ezels stonden er vastgebonden, en de tenten waren verlaten.
10καὶ εἰσῆλθον καὶ ἐβόησαν πρὸς τὴν πύλην τῆς πόλεως καὶ ἀνήγγειλαν αὐτοῖς, λέγοντες· εἰσήλθομεν εἰς τὴν παρεμβολὴν Συρίας, καὶ ἰδοὺ οὐκ ἔστιν ἐκεῖ ἀνὴρ καὶ φωνὴ ἀνθρώπου, ὅτι εἰ μὴ ἵππος δεδεμένος καὶ ὄνος καὶ αἱ σκηναὶ αὐτῶν ὡς εἰσί.
11Toen maakten de poortwachters alarm, en gaven het bericht door aan het koninklijk paleis.
11καὶ ἐβόησαν οἱ θυρωροὶ καὶ ἀνήγγειλαν εἰς τὸν οἶκον τοῦ βασιλέως ἔσω.
12Ofschoon het nog nacht was, stond de koning op, en zei tot zijn hovelingen: Ik zal u zeggen, wat de Arameën hebben gedaan. Ze weten, dat wij honger lijden; daarom zijn ze het kamp uitgegaan, en hebben zich in het veld verborgen. Ze denken: Nu komen ze zeker de stad uit, en kunnen wij ze levend grijpen en de stad binnentrekken.
12καὶ ἀνέστη ὁ βασιλεὺς νυκτὸς καὶ εἶπε πρὸς τοὺς παῖδας αὐτοῦ· ἀναγγελῶ δὴ ὑμῖν ἃ ἐποίησεν ὑμῖν Συρία· ἔγνωσαν ὅτι πεινῶμεν ἡμεῖς, καὶ ἐξῆλθαν ἐκ τῆς παρεμβολῆς καὶ ἐκρύβησαν ἐν τῷ ἀγρῷ λέγοντες· ὅτι ἐξελεύσονται ἐκ τῆς πόλεως, καὶ συλληψόμεθα αὐτοὺς ζῶντας καὶ εἰς τὴν πόλιν εἰσελευσόμεθα.
13Maar een van de hovelingen antwoordde: Laat men een vijftal van de paarden nemen, die hier nog over zijn; ze zijn er toch niet veel beter aan toe, dan de troep, die al dood is. Laat ons die er aan wagen, om te zien wat er gaande is.
13καὶ ἀπεκρίθη εἷς τῶν παίδων αὐτοῦ καὶ εἶπε· λαβέτωσαν δὴ πέντε τῶν ἵππων τῶν ὑπολελειμμένων, οἳ κατελείφθησαν ὧδε, ἰδού εἰσι πρὸς πᾶν τὸ πλῆθος Ἰσραὴλ τὸ ἐκλεῖπον· καὶ ἀποστελοῦμεν ἐκεῖ καὶ ὀψόμεθα.
14Ze kozen nu een paar ruiters uit, en de koning zond die het leger der Arameën achterna met het bevel, te gaan zien wat er aan de hand was.
14καὶ ἔλαβον δύο ἐπιβάτας ἵππων, καὶ ἀπέστειλεν ὁ βασιλεὺς Ἰσραὴλ ὀπίσω τοῦ βασιλέως Συρίας λέγων· δεῦτε καὶ ἴδετε.
15Zij reden hun dus achterna tot aan de Jordaan, en zagen, dat heel de weg vol lag met kleren en wapens, die de Arameën bij hun overijlde vlucht hadden weggeworpen. Daarop keerden zij terug, en meldden het den koning.
15καὶ ἐπορεύθησαν ὀπίσω αὐτῶν ἕως τοῦ Ἰορδάνου, καὶ ἰδοὺ πᾶσα ἡ ὁδὸς πλήρης ἱματίων καὶ σκευῶν, ὧν ἔρριψε Συρία ἐν τῷ θαμβεῖσθαι αὐτούς· καὶ ἐπέστρεψαν οἱ ἄγγελοι καὶ ἀνήγγειλαν τῷ βασιλεῖ.
16Toen liep het volk de stad uit, en plunderde het kamp der Arameën. En nu kostte inderdaad een maat meel en eveneens twee maten gerst slechts een sikkel, zoals Jahweh gezegd had.
16καὶ ἐξῆλθεν ὁ λαὸς καὶ διήρπασαν τὴν παρεμβολὴν Συρίας, καὶ ἐγένετο μέτρον σεμιδάλεως σίκλου, κατὰ τὸ ρῆμα Κυρίου, καὶ δίμετρον κριθῶν σίκλου.
17De koning had den hopman, op wiens arm hij leunde, met het toezicht over de poort belast; maar het volk liep hem in de poort onder de voet. Zo stierf hij, zoals de godsman voorspeld had, toen de koning bij hem was gekomen.
17καὶ ὁ βασιλεὺς κατέστησε τὸν τριστάτην, ἐφ᾿ ὃν ὁ βασιλεὺς ἐπανεπαύσατο τῇ χειρὶ αὐτοῦ, ἐπὶ τῆς πύλης. καὶ συνεπάτησεν αὐτὸν ὁ λαὸς ἐν τῇ πύλῃ, καὶ ἀπέθανε, καθὰ ἐλάλησεν ὁ ἄνθρωπος τοῦ Θεοῦ, ὃς ἐλάλησεν ἐν τῷ καταβῆναι τὸν ἄγγελον πρὸς αὐτόν.
18Toen immers de godsman tot den koning gezegd had, dat de volgende dag om dezelfde tijd in de poort van Samaria een maat meel en eveneens twee maten gerst slechts een sikkel zouden kosten,
18καὶ ἐγένετο καθὰ ἐλάλησεν Ἑλισαιὲ πρὸς τὸν βασιλέα λέγων· δίμετρον κριθῆς σίκλου καὶ μέτρον σεμιδάλεως σίκλου καὶ ἔσται ὡς ἡ ὥρα αὔριον ἐν τῇ πύλῃ Σαμαρείας·
19had de hopman den godsman toegeroepen: Al maakt Jahweh sluizen in de hemel, dan gebeurt dat nog niet! En deze had toen geantwoord: Gij zult het met eigen ogen zien, maar er niet van eten.
19καὶ ἀπεκρίθη ὁ τριστάτης τῷ Ἑλισαιὲ καὶ εἶπεν· ἰδοὺ Κύριος ποιεῖ καταράκτας ἐν τῷ οὐρανῷ, μὴ ἔσται τὸ ρῆμα τοῦτο; καὶ εἶπεν Ἑλισαιέ· ἰδοὺ ὄψῃ τοῖς ὀφθαλμοῖς σου καὶ ἐκεῖθεν οὐ μὴ φάγῃ.
20Zo is het ook gebeurd; want hij werd in de poort door het volk onder de voet gelopen en stierf.
20καὶ ἐγένετο οὕτως, καὶ συνεπάτησεν αὐτὸν ὁ λαὸς ἐν τῇ πύλῃ καὶ ἀπέθανε.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.