2 Koningen 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1liet hij al de oudsten van Juda en Jerusalem bij zich ontbieden.
1ΚΑΙ ἀπέστειλεν ὁ βασιλεὺς καὶ συνήγαγε πρὸς ἑαυτὸν πάντας τοὺς πρεσβυτέρους Ἰούδα καὶ Ἱερουσαλήμ.
2En nadat de koning met al de mannen van Juda en al de bewoners van Jerusalem, met de priesters en de profeten, en met het gewone volk, armen als rijken, naar de tempel van Jahweh was opgegaan, las hij hun heel het verbondsboek voor, dat in de tempel van Jahweh was teruggevonden.
2καὶ ἀνέβη ὁ βασιλεὺς εἰς οἶκον Κυρίου καὶ πᾶς ἀνὴρ Ἰούδα καὶ πάντες οἱ κατοικοῦντες ἐν Ἱερουσαλὴμ μετ᾿ αὐτοῦ καὶ οἱ ἱερεῖς καὶ οἱ προφῆται καὶ πᾶς ὁ λαὸς ἀπὸ μικροῦ καὶ ἕως μεγάλου, καὶ ἀνέγνω ἐν ὠσὶν αὐτῶν πάντας τοὺς λόγους τοῦ βιβλίου τῆς διαθήκης τοῦ εὑρεθέντος ἐν οἴκῳ Κυρίου.
3Daarna ging de koning op een verhevenheid staan, en vernieuwde het verbond voor het aanschijn van Jahweh. Voortaan zouden zij Jahweh dienen en met hart en ziel zijn geboden, instellingen en wetten onderhouden, en het verbond, dat in dit boek stond beschreven, gestand doen. En heel het volk trad tot het verbond toe.
3καὶ ἔστη ὁ βασιλεὺς πρὸς τὸν στύλον καὶ διέθετο διαθήκην ἐνώπιον Κυρίου τοῦ πορεύεσθαι ὀπίσω Κυρίου καὶ τοῦ φυλάσσειν τὰς ἐντολὰς αὐτοῦ καὶ τὰ μαρτύρια αὐτοῦ καὶ τὰ δικαιώματα αὐτοῦ ἐν πάσῃ καρδίᾳ καὶ ἐν πάσῃ ψυχῇ τοῦ ἀναστῆσαι τοὺς λόγους τῆς διαθήκης ταύτης, τὰ γεγραμμένα ἐπὶ τὸ βιβλίον τοῦτο· καὶ ἔστη πᾶς ὁ λαὸς ἐν τῇ διαθήκῃ.
4Nu gaf de koning aan den hogepriester Chilki-jáhoe, aan den plaatsvervangenden hogepriester en aan de dorpelwachters bevel, al de voorwerpen, die voor de eredienst van Báal, Asjera en heel het hemelse heir bestemd waren, uit de tempel van Jahweh te verwijderen. Zij verbrandden ze buiten Jerusalem, in de velden van het Kedrondal, en brachten de as naar Betel.
4καὶ ἐνετείλατο ὁ βασιλεὺς τῷ Χελκίᾳ τῷ ἱερεῖ τῷ μεγάλῳ καὶ τοῖς ἱερεῦσι τῆς δευτερώσεως καὶ τοῖς φυλάσσουσιν τὸν σταθμὸν τοῦ ἐξαγαγεῖν ἐκ τοῦ ναοῦ Κυρίου πάντα τὰ σκεύη τὰ πεποιημένα τῷ Βάαλ καὶ τῷ ἄλσει καὶ πάσῃ τῇ δυνάμει τοῦ οὐρανοῦ καὶ κατέκαυσεν αὐτὰ ἔξω Ἱερουσαλὴμ ἐν σαδημὼθ Κέδρων καὶ ἔβαλε τὸν χοῦν αὐτῶν εἰς Βαιθήλ.
5Verder zette hij de priestersbent af, die de koningen van Juda hadden aangesteld, om op de hoogten in de steden van Juda en in de omgeving van Jerusalem te offeren; ook de wierookbranders van Báal, van de zon, de maan en de sterrenbeelden en van heel het hemelse heir werden afgezet.
5καὶ κατέκαυσε τοὺς χωμαρίμ, οὓς ἔδωκαν βασιλεῖς Ἰούδα καὶ ἐθυμίων ἐν τοῖς ὑψηλοῖς καὶ ἐν ταῖς πόλεσιν Ἰούδα καὶ τοῖς περικύκλῳ Ἱερουσαλήμ, καὶ τοὺς θυμιῶντας τῷ Βάαλ καὶ τῷ ἡλίῳ καὶ τῇ σελήνῃ καὶ τοῖς μαζουρὼθ καὶ πάσῃ τῇ δυνάμει τοῦ οὐρανοῦ.
6Het beeld van Asjera bracht hij uit de tempel van Jahweh naar het Kedrondal buiten Jerusalem, waar hij het verbrandde en vergruisde; het stof wierp hij op de begraafplaats van het gewone volk.
6καὶ ἐξήνεγκε τὸ ἄλσος ἐξ οἴκου Κυρίου ἔξωθεν Ἱερουσαλὴμ εἰς τὸν χειμάρρουν Κέδρων καὶ κατέκαυσεν αὐτὸν ἐν τῷ χειμάρρῳ Κέδρων καὶ ἐλέπτυνεν εἰς χοῦν καὶ ἔρριψεν τὸν χοῦν αὐτοῦ εἰς τὸν τάφον τῶν υἱῶν τοῦ λαοῦ.
7Het verblijf der verminkten in de tempel van Jahweh, waar vrouwen klederen weefden voor Asjera, brak hij af.
7καὶ καθεῖλε τὸν οἶκον τῶν καδησὶμ τῶν ἐν τῷ οἴκῳ Κυρίου, οὗ αἱ γυναῖκες ὕφαινον ἐκεῖ Χεττιΐμ τῷ ἄλσει.
8Hij riep al de priesters uit de steden van Juda terug, en verontreinigde van Géba tot Beër-Sjéba de offerhoogten, waar deze priesters geofferd hadden. Ook sloopte hij de tempel der bokken bij de ingang van de poort van den stadsoverste Jehosjóea, en wel links van de stadspoort, wanneer men naar binnen komt.
8καὶ ἀνήγαγε πάντας τοὺς ἱερεῖς ἐκ πόλεων Ἰούδα καὶ ἐμίανε τὰ ὑψηλά, οὗ ἐθυμίασαν ἐκεῖ οἱ ἱερεῖς ἀπὸ Γαβαὰ καὶ ἕως Βηρσαβεέ. καὶ καθεῖλε τὸν οἶκον τῶν πυλῶν τὸν παρὰ τὴν θύραν τῆς πύλης Ἰησοῦ ἄρχοντος τῆς πόλεως, τῶν ἐξ ἀριστερῶν ἀνδρὸς ἐν τῇ πύλῃ τῆς πόλεως.
9De priesters der offerhoogten mochten het altaar van Jahweh te Jerusalem niet beklimmen; wel mochten ze met hun ambtsbroeders van de ongedesemde broden eten.
9πλὴν οὐκ ἀνέβησαν οἱ ἱερεῖς τῶν ὑψηλῶν πρὸς τὸ θυσιαστήριον Κυρίου ἐν Ἱερουσαλήμ, ὅτι εἰ μὴ ἔφαγον ἄζυμα ἐν μέσῳ τῶν ἀδελφῶν αὐτῶν.
10Hij verontreinigde de Tófet in het Ben-Hinnomdal, opdat niemand zijn zoon of dochter meer door het vuur aan Molok zou offeren.
10καὶ ἐμίανε τὸν Ταφὲθ τὸν ἐν φάραγγι υἱοῦ Ἐννὸμ τοῦ διαγαγεῖν ἄνδρα τὸν υἱὸν αὐτοῦ καὶ ἄνδρα τὴν θυγατέρα αὐτοῦ τῷ Μολὸχ ἐν πυρί.
11Ook verwijderde hij de paarden, die de koningen van Juda ter ere van de zon aan de ingang van de tempel van Jahweh hadden geplaatst, bij het vertrek van den kamerling Netan-Mélek, dat zich in de bijgebouwen bevond; de zonnewagen verbrandde hij.
11καὶ κατέκαυσε τοὺς ἵππους, οὓς ἔδωκαν βασιλεῖς Ἰούδα τῷ ἡλίῳ ἐν τῇ εἰσόδῳ οἴκου Κυρίου εἰς τὸ γαζοφυλάκιον Νάθαν βασιλέως τοῦ εὐνούχου ἐν φαρουρίμ, καὶ τὸ ἅρμα τοῦ ἡλίου κατέκαυσε πυρί.
12De altaren, welke de koningen van Juda op het dak van de opperzaal van Achaz hadden opgericht, met die, welke Manasses in de beide voorhoven van de tempel van Jahweh gebouwd had, werden door den koning gesloopt; het puin liet hij weghalen en in het Kedrondal werpen.
12καὶ τὰ θυσιαστήρια τὰ ἐπὶ τοῦ δώματος τοῦ ὑπερῴου Ἄχαζ, ἃ ἐποίησαν βασιλεῖς Ἰούδα, καὶ τὰ θυσιαστήρια, ἃ ἐποίησε Μανασσῆς ἐν ταῖς δυσὶν αὐλαῖς οἴκου Κυρίου, καθεῖλεν ὁ βασιλεὺς καὶ κατέσπασεν ἐκεῖθεν καὶ ἔρριψε τὸν χοῦν αὐτῶν εἰς τὸν χειμάρρουν Κέδρων.
13De offerhoogten op de zuidelijke top van de Olijfberg tegenover Jerusalem, die Salomon, de koning van Israël, voor Asjtarte, de gruwel der Sidoniërs, voor Kemosj, de gruwel van Moab, en voor Milkom, de schande der Ammonieten, had laten bouwen, werden door den koning verontreinigd.
13καὶ τὸν οἶκον τὸν ἐπὶ πρόσωπον Ἱερουσαλὴμ τὸν ἐκ δεξιῶν τοῦ ὄρους τοῦ Μοσοάθ, ὃν ᾠκοδόμησε Σαλωμὼν βασιλεὺς Ἰσραὴλ τῇ Ἀστάρτῃ προσοχθίσματι Σιδωνίων καὶ τῷ Χαμὼς προσοχθίσματι Μωὰβ καὶ τῷ Μολχὸλ βδελύγματι υἱῶν Ἀμών, ἐμίανεν ὁ βασιλεύς.
14Hij verbrijzelde de heilige zuilen, hakte de heilige palen om, en smeet de plaats, waar ze gestaan hadden, vol mensenbeenderen
14καὶ συνέτριψε τὰς στήλας καὶ ἐξωλόθρευσε τὰ ἄλση καὶ ἔπλησε τοὺς τόπους αὐτῶν ὀστέων ἀνθρώπων.
15Het altaar te Betel en de offerhoogte, welke Jeroboam, de zoon van Nebat, had opgericht, en waarmee hij Israël had verleid, brak hij af; en nadat het altaar met de hoogte gesloopt was, verbrijzelde hij de stenen, vergruisde ze tot stof, en verbrandde de heilige paal.
15καί γε τὸ θυσιαστήριον τὸ ἐν Βαιθὴλ τὸ ὑψηλόν, ὃ ἐποίησεν Ἱεροβοὰμ υἱὸς Ναβάτ, ὃς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραήλ, καί γε τὸ θυσιαστήριον ἐκεῖνο τὸ ὑψηλὸν κατέσπασε καὶ συνέτριψε τοὺς λίθους αὐτοῦ καὶ ἐλέπτυνεν εἰς χοῦν καὶ κατέκαυσε τὸ ἄλσος.
16Toen Josias zich nu omkeerde, en de graven in de berg bemerkte, liet hij de beenderen eruit nemen en op het altaar verbranden. Zo ontwijdde hij dit volgens het woord van Jahweh, dat de godsman had gesproken, toen Jeroboam op het feest bij het altaar stond. Maar toen hij zijn blikken sloeg op het graf van den godsman, die dit alles voorspeld had,
16καὶ ἐξένευσεν Ἰωσίας καὶ εἶδε τοὺς τάφους τοὺς ἐκεῖ ἐν τῇ πόλει καὶ ἀπέστειλε καὶ ἔλαβε τὰ ὀστᾶ ἐκ τῶν τάφων καὶ κατέκαυσεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον καὶ ἐμίανεν αὐτὸ κατὰ τὸ ρῆμα Κυρίου, ὃ ἐλάλησεν ὁ ἄνθρωπος τοῦ Θεοῦ ἐν τῷ ἑστάναι Ἱεροβοὰμ ἐν τῇ ἑορτῇ ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον. καὶ ἐπιστρέψας ᾖρε τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ ἐπὶ τὸν τάφον τοῦ ἀνθρώπου τοῦ Θεοῦ τοῦ λαλήσαντος τοὺς λόγους τούτους
17vroeg hij: Wat is dat daar voor een grafsteen? De bewoners van de stad antwoordden hem: Dat is het graf van den godsman uit Juda, die tegen het altaar van Betel heeft voorspeld, wat gij nu gedaan hebt.
17καὶ εἶπε· τί τὸ σκόπελον ἐκεῖνο, ὃ ἐγὼ ὁρῶ; καὶ εἶπον αὐτῷ οἱ ἄνδρες τῆς πόλεως· ὁ ἄνθρωπος τοῦ Θεοῦ ὁ ἐξεληλυθὼς ἐξ Ἰούδα καὶ ἐπικαλεσάμενος τοὺς λόγους τούτους, οὓς ἐπεκαλέσατο ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον Βαιθήλ.
18Daarop gebood de koning: Laat hem met rust; niemand mag zijn gebeente aanraken. Zo spaarde men zijn gebeente tegelijk met dat van den profeet uit Samaria.
18καὶ εἶπεν· ἄφετε αὐτόν, ἀνὴρ μὴ κινησάτωσαν τὰ ὀστᾶ αὐτοῦ· καὶ ἐρρύσθησαν τὰ ὀστᾶ αὐτοῦ μετὰ τῶν ὀστῶν τοῦ προφήτου τοῦ ἥκοντος ἐκ Σαμαρείας.
19Ook de andere tempels der offerhoogten in de steden van Samaria, die de koningen van Israël hadden opgericht, om Jahweh te tergen, liet Josias verwijderen, en deed er hetzelfde mee, als hij te Betel gedaan had.
19καί γε πάντας τοὺς οἴκους τῶν ὑψηλῶν τοὺς ἐν ταῖς πόλεσι Σαμαρείας, οὓς ἐποίησαν βασιλεῖς Ἰσραὴλ παροργίζειν Κύριον, ἀπέστησεν Ἰωσίας καὶ ἐποίησεν ἐν αὐτοῖς πάντα τὰ ἔργα, ἃ ἐποίησεν ἐν Βαιθήλ.
20En al de priesters der offerhoogten, die er zich bevonden, doodde hij op de altaren, en verbrandde er mensenbeenderen op. Daarna keerde hij naar Jerusalem terug.
20καὶ ἐθυσίασε πάντας τοὺς ἱερεῖς τῶν ὑψηλῶν τοὺς ὄντας ἐκεῖ ἐπὶ τῶν θυσιαστηρίων καὶ κατέκαυσε τὰ ὀστᾶ τῶν ἀνθρώπων ἐπ᾿ αὐτά, καὶ ἐπεστράφη εἰς Ἱερουσαλήμ.
21Nu gelastte de koning heel het volk: Viert het paasfeest voor Jahweh uw God, zoals het in het verbondsboek is voorgeschreven.
21Καὶ ἐνετείλατο ὁ βασιλεὺς παντὶ τῷ λαῷ λέγων· ποιήσατε πάσχα τῷ Κυρίῳ Θεῷ ἡμῶν, καθὼς γέγραπται ἐπὶ βιβλίου τῆς διαθήκης ταύτης·
22Want zo was het paasfeest niet meer gehouden sinds de tijd van de rechters, die Israël bestuurden, en onder de regering van de koningen van Israël en Juda.
22ὅτι οὐκ ἐγενήθη τὸ πάσχα τοῦτο ἀφ᾿ ἡμερῶν τῶν κριτῶν, οἳ ἔκρινον τὸν Ἰσραήλ, καὶ πάσας τὰς ἡμέρας βασιλέων Ἰσραὴλ καὶ βασιλέων Ἰούδα,
23Eerst in het achttiende regeringsjaar van Josias werd zo het paasfeest voor Jahweh te Jerusalem gevierd.
23ὅτι ἀλλ᾿ ἢ τῷ ὀκτωκαιδεκάτῳ ἔτει τοῦ βασιλέως Ἰωσίου ἐγενήθη τὸ πάσχα τῷ Κυρίῳ ἐν Ἱερουσαλήμ.
24Tenslotte liet Josias ook de dodenbezweerders en de toekomstvoorspellers verwijderen, evenals de terafim en de afgodsbeelden en alle andere gruwelen, die in het land van Juda en in Jerusalem werden aangetroffen. Zo volgde hij de voorschriften der wet op, die opgetekend staan in het boek, dat de priester Chilki-jáhoe in de tempel van Jahweh had teruggevonden.
24καί γε τοὺς θελητὰς καὶ τοὺς γνωριστὰς καὶ τὰ Θεραφὶν καὶ τὰ εἴδωλα καὶ πάντα τὰ προσοχθίσματα τὰ γεγονότα ἐν τῇ γῇ Ἰούδα καὶ ἐν Ἱερουσαλὴμ ἐξῇρεν Ἰωσίας, ἵνα στήσῃ τοὺς λόγους τοῦ νόμου τοὺς γεγραμμένους ἐπὶ τοῦ βιβλίου, οὗ εὗρε Χελκίας ὁ ἱερεὺς ἐν οἴκῳ Κυρίου.
25Zo is er vóór noch na hem een koning geweest, die evenals hij met hart en ziel en met al zijn krachten en helemaal volgens Moses’ wet zich tot Jahweh heeft bekeerd.
25ὅμοιος αὐτῷ οὐκ ἐγενήθη ἔμπροσθεν αὐτοῦ βασιλεύς, ὃς ἐπέστρεψε πρὸς Κύριον ἐν ὅλῃ καρδίᾳ αὐτοῦ καὶ ἐν ὅλῃ ψυχῇ αὐτοῦ καὶ ἐν ὅλῃ ἰσχύϊ αὐτοῦ κατὰ πάντα τὸν νόμον Μωυσῆ, καὶ μετ᾿ αὐτὸν οὐκ ἀνέστη ὅμοιος αὐτῷ.
26En toch kwam de hevige toorn van Jahweh, die door het gedurig tergen van Manasses tegen Juda ontvlamd was, niet tot bedaren.
26πλὴν οὐκ ἀπεστράφη Κύριος ἀπὸ θυμοῦ τῆς ὀργῆς αὐτοῦ τῆς μεγάλης, οὗ ἐθυμώθη ὀργῇ αὐτοῦ ἐν τῷ Ἰούδᾳ ἐπὶ τοὺς παροργισμούς, οὓς παρώργισεν αὐτὸν Μανασσῆς.
27Jahweh sprak: Ook Juda zal Ik uit mijn aanschijn verdrijven, zoals Ik Israël heb weggevaagd; en Jerusalem zal Ik verstoten, de stad, die Ik heb uitverkoren, met de tempel, waar Ik mijn Naam heb gevestigd!
27καὶ εἶπε Κύριος· καί γε τὸν Ἰούδαν ἀποστήσω ἀπὸ τοῦ προσώπου μου, καθὼς ἀπέστησα τὸν Ἰσραήλ, καὶ ἀπώσομαι τὴν πόλιν ταύτην, ἣν ἐξελεξάμην τὴν Ἱερουσαλήμ, καὶ τὸν οἶκον οὗ εἶπον· ἔσται τὸ ὄνομά μου ἐκεῖ.
28De verdere geschiedenis van Josias, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
28καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ἰωσίου καὶ πάντα, ὅσα ἐποίησεν, οὐχὶ ταῦτα γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰούδα;
29Gedurende zijn regering rukte Farao Neko, de koning van Egypte, naar de rivier de Eufraat tegen den koning van Assjoer op. Koning Josias trok tegen hem op, maar sneuvelde reeds bij de eerste ontmoeting te Megiddo.
29ἐν δὲ ταῖς ἡμέραις αὐτοῦ ἀνέβη φαραὼ Νεχαὼ βασιλεὺς Αἰγύπτου ἐπὶ βασιλέα Ἀσσυρίων ἐπὶ ποταμὸν Εὐφράτην· καὶ ἐπορεύθη Ἰωσίας εἰς ἀπαντὴν αὐτοῦ, καὶ ἐθανάτωσεν αὐτὸν Νεχαὼ ἐν Μαγεδδὼ ἐν τῷ ἰδεῖν αὐτόν.
30Zijn dienaren brachten zijn lijk op een wagen van Megiddo naar Jerusalem, waar hij in zijn graf werd bijgezet. Het gewone volk koos nu Joachaz, den zoon van Josias, zalfde hem, en stelde hem in de plaats van zijn vader tot
30καὶ ἐπεβίβασαν αὐτὸν οἱ παῖδες αὐτοῦ νεκρὸν ἐκ Μαγεδδὼ καὶ ἤγαγον αὐτὸν εἰς Ἱερουσαλὴμ καὶ ἔθαψαν αὐτὸν ἐν τῷ τάφῳ αὐτοῦ. καὶ ἔλαβεν ὁ λαὸς τῆς γῆς τὸν Ἰωάχαζ υἱὸν Ἰωσίου καὶ ἔχρισαν αὐτὸν καὶ ἐβασίλευσαν αὐτὸν ἀντὶ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ.
31Joachaz was drie en twintig jaar oud, toen hij koning werd. Hij regeerde drie maanden te Jerusalem. Zijn moeder heette Chamoetal, en was de dochter van Jirmejáhoe uit Libna.
31Υἱὸς εἴκοσι καὶ τριῶν ἐτῶν ἦν Ἰωάχαζ ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν καὶ τρίμηνον ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Ἀμιτὰλ θυγάτηρ Ἱερεμίου ἐκ Λοβνά.
32Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vaderen hadden gedaan.
32καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου κατὰ πάντα, ὅσα ἐποίησαν οἱ πατέρες αὐτοῦ.
33Farao Neko zette hem te Ribla in het land van Chamat gevangen, en stiet hem van de troon van Jerusalem; verder legde hij het land een boete op van honderd talenten zilver en tien talenten goud.
33καὶ μετέστησεν αὐτὸν φαραὼ Νεχαὼ ἐν Δεβλαθὰ ἐν γῇ Αἰμὰθ τοῦ μὴ βασιλεύειν ἐν Ἱερουσαλὴμ καὶ ἔδωκε ζημίαν ἐπὶ τὴν γῆν ἑκατὸν τάλαντα ἀργυρίου καὶ ἑκατὸν τάλαντα χρυσίου.
34Daarna stelde hij Eljakim, den zoon van Josias, in de plaats van zijn vader Josias tot koning aan, en veranderde zijn naam in Jehojakim. Joachaz echter nam hij mee naar Egypte, waar hij stierf.
34καὶ ἐβασίλευσε φαραὼ Νεχαὼ ἐπ᾿ αὐτοὺς τὸν Ἐλιακὶμ υἱὸν Ἰωσίου βασιλέως Ἰούδα ἀντὶ Ἰωσίου τοῦ πατρὸς αὐτοῦ καὶ ἐπέστρεψε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἰωακίμ· καὶ τὸν Ἰωάχαζ ἔλαβε καὶ εἰσήνεγκεν εἰς Αἴγυπτον, καὶ ἀπέθανεν ἐκεῖ.
35Jehojakim betaalde het zilver en het goud aan Farao, en legde het land een schatting op, om het geld, door Farao opgeëist, te kunnen geven. Zo dwong hij een ieder, volgens schatting, goud en zilver af te dragen, om het aan Farao Neko te geven.
35καὶ τὸ ἀργύριον καὶ τὸ χρυσίον ἔδωκεν Ἰωακὶμ τῷ φαραώ· πλὴν ἐτιμογράφησε τὴν γῆν τοῦ δοῦναι τὸ ἀργύριον ἐπὶ στόματος φαραώ, ἀνὴρ κατὰ τὴν συντίμησιν αὐτοῦ ἔδωκαν τὸ ἀργύριον καὶ τὸ χρυσίον μετὰ τοῦ λαοῦ τῆς γῆς τοῦ δοῦναι τῷ φαραὼ Νεχαώ.
36Jehojakim was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd. Hij regeerde elf jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Zebida, en was de dochter van Pedaja uit Roema.
36υἱὸς εἴκοσι καὶ πέντε ἐτῶν Ἰωακὶμ ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν καὶ ἕνδεκα ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Ἰελδὰφ θυγάτηρ Φαδαὴλ ἐκ Ρουμά.
37Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vaderen hadden gedaan.
37καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου κατὰ πάντα, ὅσα ἐποίησαν οἱ πατέρες αὐτοῦ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.