2 Koningen
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1In het derde jaar der regering van Hosjéa, den zoon van Ela over Israël, werd Ezekias, de zoon van Achaz, koning van Juda.
1Stalo se pak léta třetího Ozee syna Ela, krále Izraelského, kraloval Ezechiáš syn Achasa, krále Judského.
2Hij was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en heeft negen en twintig jaar te Jerusalem geregeerd. Zijn moeder heette Abi, en was de dochter van Zekarja.
2V pětmecítma letech byl, když počal kralovati, a dvadceti devět let kraloval v Jeruzalémě. Jméno matky jeho bylo Abi, dcera Zachariášova.
3Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vader David.
3Ten činil, což jest dobrého před očima Hospodinovýma, všecko tak, jakž činil David otec jeho.
4Hij schafte de offerhoogten af, verbrijzelde de heilige zuilen en hakte de heilige palen om. Zelfs sloeg hij de koperen slang, die Moses gemaakt had, aan stukken; want tot dan toe hadden de Israëlieten daarvoor wierook gebrand, en haar Nechoesjtan genoemd.
4On zkazil výsosti a stroskotal obrazy, a háje posekal, a ztloukl hada měděného, jehož byl udělal Mojžíš; nebo až do těch dnů synové Izraelští kadívali jemu, a nazval jej Nechustam.
5Hij vertrouwde op Jahweh, en had daarin zijns gelijke niet, noch voor noch na hem, onder al de koningen van Juda.
5V Hospodinu Bohu Izraelském doufal, a nebylo po něm jemu rovného mezi všemi králi Judskými, i z těch, kteříž byli před ním.
6Hij bleef aan Jahweh verknocht en verliet Hem niet, maar onderhield de geboden, die Jahweh aan Moses gegeven had.
6Nebo se přídržel Hospodina, aniž se uchýlil od něho, a ostříhal přikázaní jeho, kteráž byl přikázal Hospodin Mojžíšovi.
7Daarom was Jahweh met hem, en slaagde hij in al zijn ondernemingen. Hij kwam in opstand tegen den koning van Assjoer, en bleef hem niet dienstbaar.
7A byl Hospodin s ním; k čemuž se koli obrátil, šťastně se mu vedlo. Zprotivil se pak králi Assyrskému, a nesloužil jemu.
8Ook sloeg hij de Filistijnen tot Gaza terug, en veroverde het gebied der stad met wachttorens en vestingen.
8On porazil Filistinské až do Gázy a končin jeho, od věže strážných až do města hrazeného.
9In het vierde jaar der regering van Ezekias, dat is het zevende jaar der regering van Hosjéa, den zoon van Ela, over Israël, trok Sjalmanéser, de koning van Assjoer, tegen Samaria op. Hij belegerde het,
9Stalo se pak léta čtvrtého krále Ezechiáše, (jenž byl sedmý rok Ozee syna Ela, krále Izraelského), vytáhl Salmanazar král Assyrský proti Samaří a oblehl ji.
10en nam het na verloop van drie jaar in. De inname van Samaria geschiedde in het zesde jaar van Ezekias, dat is het negende jaar der regering van Hosjéa over Israël.
10I vzali ji při konci léta třetího; léta šestého Ezechiášova, (jenž byl rok devátý Ozee krále Izraelského), vzata jest Samaří.
11De koning van Assjoer voerde de Israëlieten in ballingschap naar Assjoer en liet hen wonen in Chalach, aan de Chabor, een kanaal van Gozan, en in enige steden van Medië.
11I zavedl král Assyrský Izraele do Assyrie, a osadil jej v Chelach a v Chabor při potoku Gozan, a v městech Médských,
12Dit alles gebeurde, omdat zij niet naar de stem van Jahweh, hun God, hadden geluisterd, zijn verbond hadden verlaten, niet hadden gehoorzaamd aan al wat Moses, de dienaar van Jahweh, had bevolen, en er niet naar hadden geleefd.
12Proto že neposlouchali hlasu Hospodina Boha svého, ale přestupovali smlouvu jeho, i všecko to, což přikázal Mojžíš služebník Hospodinův, tak že ani poslechnouti ani činiti nechtěli.
13In het veertiende regeringsjaar van Ezekias trok Sinacherib, de koning van Assjoer, tegen alle versterkte steden van Juda op, en maakte zich daarvan meester.
13Potom čtrnáctého léta krále Ezechiáše přitáhl Senacherib král Assyrský proti všechněm městům Judským hrazeným, a zdobýval jich.
14Toen zond Ezekias, de koning van Juda, gezanten naar den koning van Assjoer te Lakisj, en liet hem zeggen: Ik heb misdreven! Trek weer van mij weg; dan zal ik opbrengen wat gij me oplegt. Nu vorderde de koning van Assjoer van Ezekias, den koning van Juda, driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud.
14Tedy poslal Ezechiáš král Judský k králi Assyrskému do Lachis, řka: Zhřešilť jsem, odtáhni ode mne; cožkoli na mne vzložíš, ponesu. I uložil král Assyrský Ezechiášovi králi Judskému tři sta centnéřů stříbra a třidceti centnéřů zlata.
15En Ezekias gaf hem al het geld, dat in de tempel van Jahweh en in de schatkamers van het koninklijk paleis lag opgeborgen.
15I dal Ezechiáš všecky peníze, kteréž jsou nalezeny v domě Hospodinově a v pokladích domu královského.
16Bij die gelegenheid liet Ezekias van de deuren van Jahweh’s tempel en van de pijlers, die hij zelf had overtrokken, het goud afsnijden, om het aan den koning van Assjoer te geven.
16Toho času obloupal Ezechiáš dvéře chrámu Hospodinova, i sloupy, kteréž byl obložil Ezechiáš král Judský, a dal je králi Assyrskému.
17Nu zond de koning van Assjoer, van Lakisj uit, een Tartan, een opperkamerling en een opperbevelhebber met een sterke krijgsmacht naar Jerusalem tegen koning Ezekias. Toen zij zich na hun aankomst bij het kanaal van de Bovenvijver op de weg van het Blekersveld hadden opgesteld,
17A však poslal král Assyrský Tartana a Rabsara a Rabsace z Lachis k králi Ezechiášovi s vojskem velikým k Jeruzalému. Kteříž vytáhše, přijeli k Jeruzalému, a přitáhše, přitrhli a položili se u struhy rybníka hořejšího, kteráž jest podlé cesty dlážené při poli valchářovu.
18en om den koning riepen, ging de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe naar hen toe, vergezeld van den schrijver Sjebna en den kanselier Joach, den zoon van Azaf.
18A když volali na krále, vyšel k nim Eliakim syn Helkiášův, kterýž byl správce domu, a Sobna písař, a Joach syn Azafův kancléř.
19De opperbevelhebber zeide tot hen: Gaat aan Ezekias berichten: Dit zegt de Opperkoning, de koning van Assjoer! Waar haalt ge toch uw vertrouwen vandaan?
19I mluvil k nim Rabsace: Povězte medle Ezechiášovi: Toto praví král veliký, král Assyrský: Jakéž jest to doufání, na kterémž se zakládáš?
20Denkt ge misschien, dat woorden alleen alkrijgsbeleid en krijgsmacht zijn? Op wien vertrouwt ge dan wel, om u tegen mij te verzetten?
20Mluvils, (ale slova rtů svých), že jest rady i síly k válce dosti. V kohož tedy nyní doufáš, že mi se protivíš?
21Zie, ge vertrouwt op Egypte, op die geknakte rietstok, die iemand de hand doorboort en wondt, als hij er op steunt; ja, dat is Farao, de egyptische koning voor iedereen, die op hem vertrouwt.
21Aj, nyní zpolehl jsi na hůl třtinovou, a to ještě nalomenou, na Egypt, na niž zpodepřel-li by se kdo, pronikne ruku jeho a probodne ji. Takovýť jest Farao král Egyptský všechněm, kteříž doufají v něho.
22Misschien zult ge mij zeggen: Wij vertrouwen op Jahweh, onzen God. Maar heeft Ezekias dan zijn offerhoogten en altaren niet laten verwijderen, en tot Juda en Jerusalem gezegd: “Alleen voor dit altaar te Jerusalem moogt gij u neerwerpen?”
22Pakli mi díte: V Hospodina Boha svého doufáme: zdaliž on není ten, jehož Ezechiáš pobořil výsosti i oltáře, a přikázal Judovi i Jeruzalému, řka: Před tímto oltářem klaněti se budete v Jeruzalémě.
23Welnu, ga eens een weddenschap aan met den koning van Assjoer, mijn meester. Ik zal u twee duizend paarden leveren; maar ik wed, dat gij er niet eens de ruiters voor hebt.
23Nyní tedy, založ se medle se pánem mým, králem Assyrským, a dámť dva tisíce koní, budeš-li moci míti, kdo by na nich jeli?
24Maar hoe zult ge dan weerstand kunnen bieden aan de geringste onderbevelhebbers van mijn heer? Of vertrouwt ge op Egypte voor strijdwagens en ruiters?
24I jakž bys tedy odolati mohl jednomu knížeti z nejmenších služebníků pána mého, ačkoli máš doufání v Egyptu pro vozy a jezdce?
25Maar ben ik dan, zonder dat Jahweh het wilde, tegen dit land opgetrokken, om het te verwoesten? Neen, Jahweh heeft mij gezegd: “Trek op naar dit land en verwoest het.”
25Přesto, zdali bez Hospodina přitáhl jsem proti místu tomuto, abych je zkazil? Hospodin řekl mi: Táhni proti zemi té a zkaz ji.
26Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, Sjebna en Joach zeiden tot den opperbevelhebber: Spreek maar aramees met uw dienaars; wij verstaan dat wel. Maar spreek geen joods tegen ons; want dan verstaat het volk op de muur het ook.
26I řekl Eliakim syn Helkiášův a Sobna a Joach Rabsacovi: Mluv medle k služebníkům svým Syrsky, však rozumíme, a nemluv k nám Židovsky před lidem tímto, kterýž jest na zdech.
27Maar de opperbevelhebber gaf hun ten antwoord: Heeft mijn meester mij soms met deze boodschap alleen tot u en uw koning gezonden; of ook tot die mannen daar op de muur, die hun eigen drek met u zitten te eten, en die hun eigen water drinken?
27I odpověděl jim Rabsace: Zdaliž ku pánu tvému a k tobě poslal mne pán můj, abych mluvil slova tato? Však k mužům těm, kteříž jsou na zdech, aby lejna svá jedli, a moč svůj spolu s vámi pili.
28Daarom kwam de opperbevelhebber nog dichterbij en riep hardop in het Joods: Hoort het woord van den Opperkoning van Assjoer!
28A tak stoje Rabsace, volal hlasem velikým, Židovsky mluvě a řka: Slyšte slovo krále velikého, krále Assyrského.
29Dit zegt de koning: Laat Ezekias u niet bedriegen; want hij kan u niet redden uit mijn hand.
29Toto praví král: Nechť vás nesvodí Ezechiáš, neboť nebude moci vás vysvoboditi z ruky mé.
30En laat Ezekias u ook niet op Jahweh doen rekenen en zeggen: Jahweh zal ons zeker verlossen; deze stad zal niet in de handen van den koning van Assjoer vallen!
30A nechť vám nevelí Ezechiáš doufati v Hospodina, řka: Zajisté vysvobodí nás Hospodin, a nebudeť dáno město toto v ruku krále Assyrského.
31Luistert niet naar Ezekias; want dit zegt de koning van Assjoer: Sluit vrede met mij, en geeft u over; dan zal iedereen de vrucht van zijn wijnstok en vijgeboom eten, en het water drinken uit zijn put,
31Neposlouchejtež Ezechiáše, nebo takto praví král Assyrský: Učiňte se mnou smlouvu, a vyjděte ke mně, a jezte jeden každý z vinice své a z fíku svého, a píte jeden každý vodu z čisterny své,
32totdat ik u kom meenemen naar een land, dat op het uwe gelijkt: een land van koren en wijn, van brood en wijngaarden, van olijfbomen en honing; zo zult gij leven en niet sterven. Luistert niet naar Ezekias; hij misleidt u, wanneer hij zegt: Jahweh zal ons verlossen.
32Dokudž nepřijdu a nepřenesu vás do země podobné zemi vaší, do země úrodné, země chleba a vinic, země olivoví, oleje a medu, a budete živi a nezemřete. Neposlouchejtež Ezechiáše, neboť vás svodí, řka: Hospodin vysvobodí nás.
33Hebben soms de goden van de andere volkeren hun land uit de macht van den assyrischen koning verlost?
33Zdaliž mohli vysvoboditi bohové národů jeden každý zemi svou z ruky krále Assyrského?
34Waar zijn de goden van Chamat en Arpad, waar de goden van Sefarwáim, Hena en Iwwa? Waar zijn de goden van het land van Samaria; hebben zij Samaria uit mijn hand kunnen redden?
34Kdež jsou bohové Emat a Arfad? Kde jsou bohové Sefarvaim, Ana a Ava? Zdaliž jsou vysvobodili Samaří z ruky mé?
35Wie is er onder de goden van al die landen, die zijn gebied uit mijn macht heeft verlost? Zou Jahweh dan Jerusalem uit mijn hand kunnen redden?
35Kteří jsou mezi všemi bohy těch zemí, ješto by vysvobodili zemi svou z ruky mé? Aby pak Hospodin vysvoboditi mohl Jeruzalém z ruky mé?
36Men zweeg en antwoordde hem geen woord; want de koning had bevel gegeven: Ge moet hem niets terugzeggen.
36Lid pak mlčel, a neodpověděl mu žádného slova; nebo takové bylo rozkázaní královo, řkoucí: Neodpovídejte jemu.
37Maar de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, de schrijver Sjebna en de kanselier Joach, de zoon van Azaf, scheurden hun klederen en gingen naar Ezekias, om hem de woorden van den opperbevelhebber over te brengen.
37Přišli tedy Eliakim syn Helkie, kterýž byl správcím domu, a Sobna písař, a Joach syn Azafův kancléř k Ezechiášovi, majíce roucho roztržené, a oznámili jemu slova Rabsacova.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.