Марко 4
Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicTranslation
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1И опет поче учити код мора, и скупише се око Њега људи многи тако да мора ући у лађу, и седети на мору; а народ сав беше на земљи крај мора.
1Weer ging Hij onderricht geven aan het meer. En een grote menigte verzamelde zich om Hem heen, zodat Hij een boot in ging, en daar neerzat op het meer, terwijl heel de menigte langs het meer aan de oever bleef staan.
2И учаше их у причама много, и говораше им у науци својој:
2En Hij leerde hun vele dingen in gelijkenissen, en onderrichtte hen aldus:
3Слушајте: ево изиђе сејач да сеје.
3Luistert! Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.
4И кад сејаше, догоди се да једно паде украј пута, и дођоше птице и позобаше га.
4En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; en de vogels uit de lucht kwamen, en pikten het op.
5А друго паде на каменито место где не беше много земље; и одмах изниче; јер не беше у дубину земље:
5Een ander gedeelte viel op de steengrond, waar het niet veel aarde had. Aanstonds kwam het op, omdat het geen diepe aarde had;
6А кад обасја сунце, увену, и будући да немаше корена, усахну.
6maar toen de zon was opgegaan, werd het verschroeid en verdorde, daar het geen wortel geschoten had.
7И друго паде у трње; и нарасте трње и удави га, и не донесе род.
7Weer een ander gedeelte viel tussen de doornen; de doornen schoten op, en verstikten het; en het droeg geen vrucht.
8И друго паде на земљу добру; и даваше род који је напредовао и растао и доносио по тридесет и по шездесет и по сто.
8Een ander gedeelte viel in de goede aarde; het schoot op, groeide aan, en droeg vrucht; het één bracht dertig- het ander zestig- en het ander honderdvoud op.
9И рече: Ко има уши да чује нека чује.
9En Hij sprak: Wie oren heeft om te horen, hij hore!
10А кад оста сам, запиташе Га који беху с Њим и са дванаесторицом за ову причу.
10Maar toen Hij alleen was, vroegen Hem de twaalf, en zij die bij Hem waren, naar de zin der gelijkenis.
11И рече им: Вама је дано да знате тајне царства Божјег, а онима напољу све у причама бива;
11En Hij sprak tot hen: U is het geheim van het koninkrijk Gods toevertrouwd; maar zij, die buiten staan, ontvangen alles in parabels:
12да очима гледају и да не виде, и ушима слушају и да не разумеју; да се како не обрате и да им се не опросте греси.
12Opdat ze scherp zouden zien, en niet inzien, Scherp zouden horen, en niet verstaan; Opdat ze zich niet zouden bekeren, En vergiffenis zouden bekomen.
13И рече им: Зар не разумете ову причу? А како ћете све приче разумети?
13En Hij zeide hun: Verstaat gij deze gelijkenis niet? Hoe zult gij dan al de andere parabels verstaan?
14Сејач реч сеје.
14De zaaier, hij zaait het woord.
15А оно су крај пута, где се сеје реч и кад је чују одмах дође сотона и отме реч посејану у срцима њиховим.
15Dit zijn de lieden langs de weg, waar het woord wordt gezaaid: wanneer ze het hebben gehoord, komt aanstonds de satan en rooft het woord, dat in hen was gezaaid.
16Тако су и оно што се сеје на каменитим местима, који кад чују реч одмах је приме с радошћу;
16Zo ook zij, die op de steengrond worden gezaaid: dat zijn zij, die terstond met vreugde het woord aanvaarden, zodra ze het horen;
17али немају корена у себи, него су непостојани, па кад буде до невоље или их потерају речи ради, одмах се саблазне.
17ze hebben echter geen wortel geschoten, maar zijn onstandvastig; en als er later verdrukking en vervolging ontstaat om wille van het woord, dan zijn ze aanstonds geërgerd.
18А оно су што се у трњу сеје који слушају реч,
18Anderen zijn er, die tussen de doornen worden gezaaid: dat zijn zij, die wel luisteren naar het woord:
19али бриге овог света и превара богатства и остале сласти уђу и загуше реч, и без рода остане.
19maar de beslommering van de wereld, de verleiding van de rijkdom en de begeerten naar andere dingen vallen er tussen, en verstikken het woord: het blijft zonder vrucht.
20А оно су што се на доброј земљи сеје који слушају реч и примају, и доносе род по тридесет и по шездесет и по сто.
20En die op de goede aarde werden gezaaid, zijn allen, die het woord vernemen, het aanvaarden, en het vrucht laten dragen; het éne dertig- het andere zestig- en het andere honderdvoud.
21И говораше им: Еда ли се свећа ужиже да се метне под суд или под одар? А не да се на свећњак метне?
21Weer sprak Hij tot hen: Haalt men soms de lamp, om ze onder de korenmaat te zetten of onder het bed? Is het niet, om ze op de kandelaar te plaatsen?
22Јер нема ништа тајно што неће бити јавно; нити има шта сакривено што неће изаћи на видело.
22Want niets is verborgen, of het moet worden geopenbaard; en niets is geheim, of het komt aan het licht.
23Ако има ко уши да чује нека чује.
23Zo iemand oren heeft om te horen, hij hore!
24И говораше им: Памтите шта чујете: каквом мером мерите онаквом ће вам се мерити и дометнуће се вама који слушате.
24Nog zeide Hij hun: Let op, wat gij hoort. Met de maat, waarmee gij meet, zal u worden toegemeten, met een toemaat bovendien.
25Јер ко има, даће му се; а који нема, узеће му се и оно што има.
25Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, hem zal ook nog ontnomen worden, wat hij bezit.
26И говораше им: Тако је царство Божје као човек кад баци семе у земљу;
26Weer zeide Hij: Het gaat met het koninkrijk Gods als met een mens, die het zaad in de aarde werpt;
27и спава и устаје ноћу и дању; и семе ниче и расте, да не зна он.
27dan gaat hij slapen des nachts, en staat op overdag. En het zaad ontkiemt en groeit op; zelf weet hij niet, hoe.
28Јер земља сама од себе најпре донесе траву, потом клас, па онда испуни пшеницу у класу.
28Want vanzelf brengt de aarde vruchten voort, eerst de halmen, dan de aar, daarna het volle graan in de aar.
29А кад сазре род, одмах пошаље срп; јер наста жетва.
29En als het koren rijp is, slaat hij er aanstonds de sikkel in; want het is tijd voor de oogst.
30И говораше: Какво ћемо казати да је царство Божје? Или у каквој ћемо га причи исказати?
30Nog sprak Hij: Waarmede zullen wij het koninkrijk Gods vergelijken, of onder welke parabel het brengen?
31Оно је као зрно горушичино које кад се посеје у земљу мање је од свих семена на земљи;
31Het is gelijk aan een mosterdzaadje; wanneer men het zaait in de aarde, is het ‘t kleinste van alle zaden op aarde.
32а кад се посеје, узрасте и буде веће од свег поврћа, и пусти гране велике да могу у његовом хладу птице небеске живети.
32Maar wanneer het eenmaal gezaaid is, groeit het op, en wordt groter dan alle tuingewas; het schiet grote takken, zodat de vogels in de lucht kunnen nestelen onder zijn lommer.
33И таквим многим причама казиваше им реч, колико могаху слушати.
33En in veel gelijkenissen van die aard sprak Hij tot hen het woord, voor zover ze het konden verstaan;
34А без прича не говораше им ни речи. А ученицима посебно казиваше све.
34en zonder gelijkenis sprak Hij hen niet toe. Maar alleen aan zijn leerlingen legde Hij alles uit.
35И рече им онај дан увече: Хајдемо на оне стране.
35Tot hen sprak Hij nog op diezelfde dag, toen het reeds laat was geworden: Laat ons oversteken naar de andere kant.
36И отпустивши народ узеше Га како беше у лађи; а и друге лађе беху с Њим.
36Toen lieten ze de menigte gaan, en namen Hem mee, daar Hij reeds in de boot was; ook andere boten waren er bij.
37И постаде велика олуја; и валови тако заливаху у лађу да се већ напуни.
37En een hevige storm brak los, en de golven sloegen over de boot, zodat ze vol water kwam.
38А Он на крми спаваше на узглављу; и пробудише Га, и рекоше Му: Учитељу! Зар Ти не мариш што гинемо?
38Hij zelf lag aan de achtersteven op een kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker, en zeiden tot Hem: Meester, raakt het U niet, dat wij vergaan?
39И уставши запрети ветру, и рече мору: Ћути, престани. И утоли ветар, и постаде тишина велика.
39Nu stond Hij op, gebood aan de wind, en sprak tot het meer: Zwijg, wees stil! De wind ging liggen, en het werd heel stil.
40И рече им: Зашто сте тако страшљиви? Како немате вере.
40Toen sprak Hij tot hen: Wat zijt gij bevreesd? Hebt gij nog geen geloof?
41И уплашише се врло, и говораху један другом: Ко је Овај, дакле, да Га и ветар и море слушају?
41Maar een hevige angst greep hen aan, en ze zeiden tot elkander: Wie is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.