1 Crônicas
Chapter 8
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Benjamim gerou a Bela, seu primogênito, Asbel o segundo, Aará o terceiro,
1Benjamin verwekte Béla, zijn eerstgeborene, Asj-bel als tweede, Achrach als derde.
2Noá o quarto, e Rafa o quinto.
2Nocha als vierde, Rafa als vijfde.
3Os filhos de Bela foram: Adar, Gera, Abiúde,
3Béla had de volgende kinderen: Addar, Gera, Abihoed,
4Abisua, Naamã, Aoá,
4Abisjóea, Naäman en Achóach.
5Gera, Sefufã e Hurão.
5Gera, Sjefoefam en Choeram
6Estes são os filhos de Eúde. Estes são os chefes de casas paternas dos habitantes de Geba, que foram levados cativos para Manaate:
6waren zonen van Echoed; ze waren familiehoofden van de bewoners van Géba, en werden verbannen naar Manáchat.
7Naamã, Aías e Gera, que os levou cativos; e ele gerou a Uzá e a Aiúde.
7Het was Gera met Naäman en Achi-ja, die ze verbande. Gera verwekte Oezza en Achihoed.
8Saaraim gerou filhos nos campos de Moabe, depois de tê-las despedido. Husim e Baara eram suas mulheres.
8Sjacharáim verwekte in de velden van Moab, nadat hij zijn vrouwen Choesjim en Baraä had weggezonden,
9De Hodes, sua mulher, ele gerou a Jobabe, Zíbia, Mesa, Malcã,
9bij zijn vrouw Chódesj: Jobab, Sibja, Mesja, Malkam,
10Jeús, Saquia e Mirma. Estes foram seus filhos, chefes de casas paternas.
10Jeoes, Sakeja en Mirma; dit waren zijn zonen, allen familiehoofden.
11De Husim, ele gerou a Abitube e Elpaal.
11Van Choesjim had hij Abitoeb en Elpáal gekregen.
12Os filhos de Elpaal: Éber, Misã e Semede, que edificou Ono e Lode, com as suas vilas;
12De zonen van Elpáal waren: Éber, Misjam en Sjemed; dezen bouwden Ono en Loed met bijbehorende plaatsen.
13e Berias e Sema, que foram chefes de casas paternas dos habitantes de Aijalom, os quais puseram em fuga os habitantes de Gate;
13Beria en Sjéma waren de familiehoofden van de bewoners van Ajjalon. Zij joegen de bewoners van Gat op de vlucht;
14e Aio, Sasaque, Jeremote,
14hun broeders heetten Elpáal, Sjasjak en Jerimot.
15Zebadias, Arade, Éder,
15Zebadja, Arad, Eder,
16Micael, Ispa, Joa, os filhos de Berias,
16Mikaël, Jisjpa en Jocha waren zonen van Beria.
17Zebadias, Mesulão, Hizqui, Héber,
17Zebadja, Mesjoellam, Chizki, Cheber,
18Ismerai, Izlias, Jobabe, os filhos de Elpaal,
18Jisjmerai, Jizlia en Jobab waren zonen van Elpáal.
19Jaquim, Zicri, Zabdi,
19Jakim, Zikri, Zabdi,
20Elienai, Ziletai, Eliel,
20Eliënai, Silletai, Eliël,
21Adaías, Beraías, Sinrate, os filhos de Simei,
21Adaja, Beraja en Sjimrat waren zonen van Sjimi.
22Ispã, Éber, Eliel,
22Jisjpan, Éber, Eliël,
23Abdom, Zicri, Hanã,
23Abdon, Zikri, Chanan,
24Hananias, Elão, Antotijas,
24Chananja, Elam, Antoti-ja,
25Ifdeias, Penuel, os filhos de Sasaque,
25Jifdeja en Penoeël waren zonen van Sjasjak.
26Sanserai, Searias, Atalias,
26Sjamsjerai, Sjecharja, Atalja,
27Jaaresias, Elias, Zicri e os filhos de Jeroão.
27Jaäresjja, Eli-ja en Zikri waren zonen van Jerocham.
28Estes foram chefes de casas paternas segundo as suas gerações, homens principais. Estes habitavam em Jerusalém.
28Dit waren de familiehoofden naar hun geslachten, die in Jerusalem woonden.
29O pai de Gibeão, cuja mulher se chamava Maaca, habitou em Gibeão
29In Gibon woonde de stamvader van Gibon; zijn vrouw heette Maäka.
30com seu filho primogênito, Abdom, e Zur, Quis, Baal, Nadabe,
30Zijn oudste zoon was Abdon; verder Soer, Kisj, Báal, Ner, Nadab,
31Gedor, Aio, Zequer,
31Gedor, Achjo, Zéker en Miklot.
32e Miclote, que gerou a Simeia. Eles também habitavam com suas famílias em Jerusalém, perto de seus parentes.
32Miklot verwekte Sjima; ook dezen woonden bij hun stamgenoten in Jerusalem, in hun nabijheid.
33Ner gerou a Quis. Quis gerou a Saul. Saul gerou a Jônatas, Malquisua, Abinadabe e Esbaal.
33Ner verwekte Kisj; Kisj verwekte Saul; Saul verwekte Jonatan, Malkisjóea, Abinadab en Esjbáal.
34O filho de Jônatas foi Meribe-Baal. Meribe-Baal gerou a Mica.
34De zoon van Jonatan was Merib-Báal; Merib-Báal verwekte Mika.
35Os filhos de Mica: Pitom, Meleque, Tareia e Acaz.
35De zonen van Mika waren: Piton, Mélek, Taréa en Achaz.
36Acaz gerou a Jeoada. Jeoada gerou a Alemete, Azmavete e Zinri. Zinri gerou a Moza.
36Achaz verwekte Jehoadda; Jehoadda verwekte Alémet, Azmáwet en Zimri; Zimri verwekte Mosa;
37Moza gerou a Binea. Rafa foi seu filho, Eleasa seu filho, e Azel seu filho.
37Mosa verwekte Bina. Diens zoon was Rafa; die van Rafa was Elasa; die van Elasa was Asel.
38Azel teve seis filhos, cujos nomes são estes: Azricão, Bocru, Ismael, Searias, Obadias e Hanã. Todos estes foram filhos de Azel.
38Asel had zes kinderen, die aldus heetten: Azrikam, Bokeroe, Jisjmaël, Sjearja, Obadja en Chanan; allen zonen van Asel.
39Os filhos de Eseque, seu irmão: Ulão, seu primogênito, Jeús o segundo, e Elifelete o terceiro.
39De zonen van zijn broer Ésjek waren Oelam de oudste, Jeöesj de tweede en Elifélet de derde.
40Os filhos de Ulão foram homens valentes, arqueiros, e tiveram muitos filhos e netos, cento e cinquenta. Todos estes foram dos filhos de Benjamim.
40De zonen van Oelam waren dappere mannen, die de boog konden spannen en veel kinderen en kleinkinderen hadden, wel honderd vijftig. Dit waren allemaal afstammelingen van Benjamin.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.