1 Crônicas 16
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Trouxeram a arca de Deus e a colocaram no meio da tenda que Davi havia armado para ela; e ofereceram holocaustos e ofertas pacíficas diante de Deus.
1Toen de ark van God aangekomen was, zette men haar op haar plaats, midden in de tent, die David voor haar had gespannen. Daarna droeg David brand- en vredeoffers aan God op;
2Quando Davi terminou de oferecer os holocaustos e as ofertas pacíficas, ele abençoou o povo no nome do SENHOR.
2en toen hij de brand- en vredeoffers had opgedragen, zegende hij het volk in de Naam van Jahweh.
3Ele distribuiu a todos os israelitas, tanto homens como mulheres, a cada um, um pão, uma porção de carne e um bolo de passas.
3Tenslotte hield hij voor alle Israëlieten een uitdeling; en allen, mannen als vrouwen, kregen ieder een broodkoek, een stuk vlees en een druivenkoek.
4Ele designou alguns dos levitas para ministrar diante da arca do SENHOR, e para celebrar, render graças e louvar ao SENHOR, o Deus de Israel:
4Daarna belastte hij enige levieten met de dienst van de ark van Jahweh: ze moesten Jahweh, den God van Israël, danken, loven en prijzen.
5Asafe, o chefe, e Zacarias como o segundo depois dele, e depois Jeiel, Semiramote, Jeiel, Matitias, Eliabe, Benaia, Obede-Edom e Jeiel, com instrumentos de cordas e com harpas; e Asafe com címbalos ressoantes;
5Het waren Asaf, het hoofd, en zijn plaatsvervanger Zekarja; verder Jeïël, Sjemiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benajáhoe, Obed-Edom en Jeïël. Dezen moesten met harpen en citers, Asaf met cymbalen,
6com Benaia e Jaaziel, os sacerdotes, tocando trombetas continuamente diante da arca da aliança de Deus.
6en de priesters Benajáhoe en Jachaziël met trompetten voortdurend feestelijke klanken laten horen voor de verbondsark van God.
7Então, naquele dia, Davi pela primeira vez encarregou Asafe e seus irmãos de renderem graças ao SENHOR.
7Die dag liet David voor de eerste maal Asaf en zijn ambtgenoten het “Looft Jahweh” zingen:
8Deem graças ao SENHOR. Invoquem o seu nome. Tornem conhecidos os seus feitos entre os povos.
8Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
9Cantem para ele. Cantem louvores a ele. Falem de todas as suas obras maravilhosas.
9Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
10Gloriem-se no seu santo nome. Alegre-se o coração dos que buscam o SENHOR.
10Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders! Wendt u tot Jahweh en zijn macht,
11Busquem o SENHOR e a sua força. Busquem a sua face para sempre.
11Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
12Lembrem-se das obras maravilhosas que ele fez, dos seus prodígios e dos juízos da sua boca,
12Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
13vocês, descendência de Israel, seu servo, vocês, filhos de Jacó, seus escolhidos.
13Gij kinderen van Israël, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
14Ele é o SENHOR, o nosso Deus. Seus juízos estão em toda a terra.
14Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
15Lembrem-se da sua aliança para sempre, da palavra que ele ordenou para mil gerações,
15Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
16da aliança que fez com Abraão, do seu juramento a Isaque.
16Het verbond met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
17Ele a confirmou a Jacó como um decreto, e a Israel como uma aliança eterna,
17En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
18dizendo: “Darei a você a terra de Canaã, a porção da sua herança”,
18Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel”.
19quando vocês eram apenas uns poucos homens em número, sim, muito poucos, e estrangeiros nela.
19Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd.
20Eles andaram de nação em nação, de um reino para outro povo.
20En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere,
21Ele não permitiu que ninguém os oprimisse. Sim, ele repreendeu reis por causa deles,
21Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
22“Não toquem nos meus ungidos! Não façam mal aos meus profetas!”
22“Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
23Cantem ao SENHOR, toda a terra! Anunciem a sua salvação dia após dia.
23Heel de aarde, zingt Jahweh ter eer! Verkondigt zijn heil iedere dag;
24Declarem a sua glória entre as nações, e as suas obras maravilhosas entre todos os povos.
24Meldt aan de naties zijn glorie, Aan alle volken zijn wonderen!
25Pois grande é o SENHOR, e digno de ser muito louvado. Ele também deve ser temido acima de todos os deuses.
25Want groot is Jahweh, hoog te prijzen, En boven alle goden te vrezen.
26Porque todos os deuses dos povos são ídolos, mas o SENHOR fez os céus.
26Ja, alle goden der volkeren zijn niets, Maar Jahweh heeft de hemel gemaakt.
27Honra e majestade estão diante dele. Força e alegria estão no seu santuário.
27Glans en glorie zijn voor zijn aanschijn, Kracht en vreugde in zijn woonplaats.
28Atribuam ao SENHOR, ó famílias dos povos, atribuam ao SENHOR glória e força!
28Brengt Jahweh, geslachten der volken, Brengt Jahweh glorie en lof.
29Atribuam ao SENHOR a glória devida ao seu nome. Tragam uma oferta e venham diante dele. Adorem o SENHOR no esplendor da sua santidade.
29Brengt Jahweh de eer van zijn Naam, En treedt met offers voor zijn aanschijn; Werpt u neder voor Jahweh in zijn heilige woning,
30Tremam diante dele, toda a terra. O mundo também está firmado para que não possa ser abalado.
30Heel de aarde, beef voor zijn aanschijn! Hij houdt de weegschaal der wereld, zodat ze niet schommelt.
31Alegrem-se os céus, e exulte a terra! Digam entre as nações: “O SENHOR reina!”
31Laat de hemelen juichen, de aarde jubelen, Laat de volken roepen: Jahweh is koning!
32Rúja o mar e a sua plenitude! Exulte o campo e tudo o que nele há!
32Laat bulderen de zee met wat ze bevat. Laat jubelen het veld, met wat er op groeit,
33Então as árvores do bosque cantarão de alegria diante do SENHOR, pois ele vem para julgar a terra.
33In het woud de bomen juichen Voor het aanschijn van Jahweh, want Hij komt, Hij komt, om de aarde te richten!
34Deem graças ao SENHOR, porque ele é bom, porque a sua misericórdia dura para sempre.
34Looft Jahweh, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
35Digam: “Salva-nos, ó Deus da nossa salvação! Reúne-nos e livra-nos das nações, para darmos graças ao teu santo nome, e triunfarmos no teu louvor.”
35Zegt tot hem: Ach, red ons, God, onze steun, Red ons, en breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen!
36Bendito seja o SENHOR, o Deus de Israel, de eternidade a eternidade. Todo o povo disse: “Amém”, e louvou ao SENHOR.
36Gezegend zij Jahweh, Israëls God, Van eeuwigheid tot eeuwigheid! En heel het volk riep: Amen! Halleluja!
37Então ele deixou Asafe e seus irmãos ali diante da arca da aliança do SENHOR, para ministrarem continuamente diante da arca, conforme a exigência de cada dia;
37Toen liet hij daar Asaf en zijn ambtgenoten voor de verbondsark van Jahweh, om zonder ophouden dienst te doen voor de ark, zoals het voor iedere dag was voorgeschreven; en als poortwachters Obed-Edom,
38e Obede-Edom com seus sessenta e oito parentes; também Obede-Edom, filho de Jedutum, e Hosa, para serem porteiros;
38den zoon van Jedoetoen, en Chosa, met acht en zestig stamgenoten.
39e Zadoque, o sacerdote, e seus irmãos, os sacerdotes, diante do tabernáculo do SENHOR, no lugar alto que estava em Gibeom,
39Maar den priester Sadok met zijn ambtgenoten, de priesters, stelde hij aan bij de tabernakel van Jahweh op de hoogte van Gibon.
40para oferecerem holocaustos ao SENHOR no altar de holocaustos, continuamente, pela manhã e à tarde, de acordo com tudo o que está escrito na lei do SENHOR, que ele ordenou a Israel;
40Op het brandofferaltaar moesten ze zonder onderbreking ‘s morgens en ‘s avonds brandoffers opdragen voor Jahweh, juist zoals het geschreven staat in de wet, die Jahweh aan Israël gegeven had.
41e com eles Hemã, Jedutum e os demais que foram escolhidos, que foram designados por nome, para renderem graças ao SENHOR, porque a sua misericórdia dura para sempre;
41Bij hen bevonden zich Heman en Jedoetoen en de overigen, die uitverkoren en met name aangewezen waren, om ter ere van Jahweh het “Looft Jahweh, want eeuwig duurt zijn barmhartigheid” te zingen.
42e com eles Hemã e Jedutum com trombetas e címbalos para os que deviam ressoar alto, e com instrumentos para os cânticos de Deus; e os filhos de Jedutum para estarem à porta.
42Bij Heman en Jedoetoen berustte de zorg voor de trompetten en cymbalen, voor de muziekinstrumenten en voor de godsdienstige liederen. De zonen van Jedoetoen bewaakten de poort.
43Todo o povo partiu, cada um para a sua casa; e Davi voltou para abençoar a sua casa.
43Daarna ging heel het volk naar huis, en David keerde terug, om zijn gezin te begroeten.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.