I Croniche
Chapter 16
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

I Croniche 16

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Così portarono l'Arca di Dio, e la posarono in mezzo del padiglione che Davide le avea teso; poi offersero olocausti, e sacrificii da render grazie, davanti a Dio.
1Toen de ark van God aangekomen was, zette men haar op haar plaats, midden in de tent, die David voor haar had gespannen. Daarna droeg David brand- en vredeoffers aan God op;
2E quando Davide ebbe finito di offerir gli olocausti, e i sacrificii da render grazie, benedisse il popolo nel Nome del Signore.
2en toen hij de brand- en vredeoffers had opgedragen, zegende hij het volk in de Naam van Jahweh.
3E spartì a tutti gl'Israeliti, così agli uomini, come alle donne, una focaccia di pane, ed un pezzo di carne, ed un fiasco di vino per uno.
3Tenslotte hield hij voor alle Israëlieten een uitdeling; en allen, mannen als vrouwen, kregen ieder een broodkoek, een stuk vlees en een druivenkoek.
4Ed ordinò d'infra i Leviti, alcuni ministri per rammemorare, e per celebrare, e per lodare il Signore Iddio d'Israele, davanti all'Arca del Signore;
4Daarna belastte hij enige levieten met de dienst van de ark van Jahweh: ze moesten Jahweh, den God van Israël, danken, loven en prijzen.
5Asaf era il capo, e Zaccaria il secondo dopo lui; poi erano Ieiel, e Semiramot, e Iehiel, e Mattitia, ed Eliab, e Benaia, ed Obed-Edom. Or Ieiel sonava con salteri e con cetere; ed Asaf con cembali.
5Het waren Asaf, het hoofd, en zijn plaatsvervanger Zekarja; verder Jeïël, Sjemiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benajáhoe, Obed-Edom en Jeïël. Dezen moesten met harpen en citers, Asaf met cymbalen,
6E Benaia, e Iahaziel, sacerdoti, sonavano del continuo con trombe, davanti all'Arca del Patto di Dio.
6en de priesters Benajáhoe en Jachaziël met trompetten voortdurend feestelijke klanken laten horen voor de verbondsark van God.
7ALLORA, in quello stesso giorno, Davide diede primieramente questo salmo in mano ad Asaf, ed a' suoi fratelli, per celebrare il Signore:
7Die dag liet David voor de eerste maal Asaf en zijn ambtgenoten het “Looft Jahweh” zingen:
8Celebrate il Signore, predicate il suo Nome, E fate chiari e conti i suoi fatti fra i popoli.
8Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
9Cantate a lui, salmeggiategli, Ragionate di tutte le sue maraviglie.
9Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
10Gloriatevi nel Nome della sua santità; Rallegrisi il cuor di coloro che cercano il Signore.
10Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders! Wendt u tot Jahweh en zijn macht,
11Cercate il Signore, e la sua forza; Ricercate del continuo la sua faccia.
11Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
12Ricordate le sue maraviglie ch'egli ha fatte; I suoi miracoli, e i giudicii della sua bocca;
12Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
13O progenie d'Israele, suo servitore; Figliuoli di Giacobbe, suoi eletti.
13Gij kinderen van Israël, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
14Egli è il Signore Iddio nostro; I suoi giudicii sono per tutta la terra.
14Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
15Ricordatevi in perpetuo del suo patto, E in mille generazioni della parola ch 'egli ha comandata;
15Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
16Del suo patto , ch'egli fece con Abrahamo, E del suo giuramento ch'egli diede ad Isacco.
16Het verbond met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
17Il quale egli confermò a Giacobbe, per istatuto; E ad Israele, per patto eterno;
17En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
18Dicendo: Io ti darò il paese di Canaan, Per sorte della vostra eredità;
18Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel”.
19Quantunque voi siate in piccol numero, Ben poca gente, e forestieri in esso.
19Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd.
20E mentre essi andavano qua e là da una gente ad un' altra , E da un regno ad un altro popolo;
20En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere,
21Non permise che alcuno li oppressasse, Anzi castigò dei re per amor loro,
21Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
22Dicendo : Non toccate i miei Unti, E non fate male a' miei profeti.
22“Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
23Cantate al Signore, o abitanti di tutta la terra, Predicate tuttodì la sua salute.
23Heel de aarde, zingt Jahweh ter eer! Verkondigt zijn heil iedere dag;
24Raccontate la sua gloria fra le genti, Le sue maraviglie fra tutti i popoli.
24Meldt aan de naties zijn glorie, Aan alle volken zijn wonderen!
25Perciocchè il Signore è grande, e degno di gran laude; Ed è tremendo sopra tutti gl'iddii.
25Want groot is Jahweh, hoog te prijzen, En boven alle goden te vrezen.
26Perciocchè tutti gl'iddii de' popoli sono idoli; Ma il Signore ha fatti i cieli.
26Ja, alle goden der volkeren zijn niets, Maar Jahweh heeft de hemel gemaakt.
27Maestà e magnificenza sono davanti a lui; Forza e letizia sono nel luogo dove egli abita.
27Glans en glorie zijn voor zijn aanschijn, Kracht en vreugde in zijn woonplaats.
28O voi , nazioni de' popoli, rendete al Signore, Rendete al Signore gloria e potenza;
28Brengt Jahweh, geslachten der volken, Brengt Jahweh glorie en lof.
29Rendete al Signore la gloria dovuta al suo Nome; Recate offerte, e venite davanti a lui; Adorate il Signore nel magnifico santuario.
29Brengt Jahweh de eer van zijn Naam, En treedt met offers voor zijn aanschijn; Werpt u neder voor Jahweh in zijn heilige woning,
30Tremate, o abitanti di tutta la terra, per la sua presenza; Certo il mondo sarà stabilito, senza potere esser più smosso.
30Heel de aarde, beef voor zijn aanschijn! Hij houdt de weegschaal der wereld, zodat ze niet schommelt.
31Rallegrinsi i cieli, e festeggi la terra, E dicasi fra le genti: Il Signore regna.
31Laat de hemelen juichen, de aarde jubelen, Laat de volken roepen: Jahweh is koning!
32Risuoni il mare, e quello che in esso si contiene; Festeggino le campagne, e tutto quello ch' è in esse.
32Laat bulderen de zee met wat ze bevat. Laat jubelen het veld, met wat er op groeit,
33Allora gli alberi delle selve sclameranno di allegrezza, Per la presenza del Signore; Perciocchè egli viene per giudicar la terra.
33In het woud de bomen juichen Voor het aanschijn van Jahweh, want Hij komt, Hij komt, om de aarde te richten!
34Celebrate il Signore; perciocchè egli è buono; Perciocchè la sua benignità è in eterno.
34Looft Jahweh, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
35E dite: Salvaci, o Dio della nostra salute, Raccoglici, e riscuotici dalle nazioni; Acciocchè celebriamo il Nome della tua santità, E ci gloriamo nella tua laude.
35Zegt tot hem: Ach, red ons, God, onze steun, Red ons, en breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen!
36Benedetto sia il Signore Iddio d'Israele da un secolo all'altro. E tutto il popolo disse: Amen; e lodò il Signore.
36Gezegend zij Jahweh, Israëls God, Van eeuwigheid tot eeuwigheid! En heel het volk riep: Amen! Halleluja!
37DAVIDE adunque lasciò quivi, davanti all'Arca del Patto del Signore, Asaf e i suoi fratelli, per ministrar del continuo davanti all'Arca, giorno per giorno del continuo.
37Toen liet hij daar Asaf en zijn ambtgenoten voor de verbondsark van Jahweh, om zonder ophouden dienst te doen voor de ark, zoals het voor iedere dag was voorgeschreven; en als poortwachters Obed-Edom,
38Lasciò ancora Obed-Edom, figliuolo di Iedutun, ed Hosa, co' lor fratelli, in numero di sessantotto.
38den zoon van Jedoetoen, en Chosa, met acht en zestig stamgenoten.
39Lasciò eziandio il sacerdote Sadoc, co' sacerdoti suoi fratelli, davanti al Tabernacolo del Signore, nell'alto luogo ch' era in Gabaon;
39Maar den priester Sadok met zijn ambtgenoten, de priesters, stelde hij aan bij de tabernakel van Jahweh op de hoogte van Gibon.
40per offerir del continuo, sera e mattina, olocausti al Signore sopra l'Altare degli olocausti; e per far tutto quello che è scritto nella Legge del Signore, la quale egli ha data ad Israele.
40Op het brandofferaltaar moesten ze zonder onderbreking ‘s morgens en ‘s avonds brandoffers opdragen voor Jahweh, juist zoals het geschreven staat in de wet, die Jahweh aan Israël gegeven had.
41E con loro, erano Heman, e Iedutun, e gli altri ch'erano stati eletti, e nominatamente ordinati per celebrare il Signore perciocchè la sua benignità è in eterno;
41Bij hen bevonden zich Heman en Jedoetoen en de overigen, die uitverkoren en met name aangewezen waren, om ter ere van Jahweh het “Looft Jahweh, want eeuwig duurt zijn barmhartigheid” te zingen.
42erano, dico , con loro Heman, e Iedutun, con trombe, e con cembali, per li sonatori, e con altri strumenti della musica di Dio. E i figliuoli di Iedutun aveano la cura della porta.
42Bij Heman en Jedoetoen berustte de zorg voor de trompetten en cymbalen, voor de muziekinstrumenten en voor de godsdienstige liederen. De zonen van Jedoetoen bewaakten de poort.
43Poi tutto il popolo se ne andò, ciascuno a casa sua. E Davide se ne ritornò per benedire la casa sua.
43Daarna ging heel het volk naar huis, en David keerde terug, om zijn gezin te begroeten.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.