I Croniche
Chapter 15
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

I Croniche 15

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1OR Davide si fece delle case nella Città di Davide; ed apparecchiò un luogo per l'Arca di Dio, e le tese un padiglione.
1Toen David voor zichzelf paleizen had gebouwd in de Davidstad, stelde hij een plaats vast voor de ark van God en spande haar een tent.
2Allora Davide disse: Ei non istà ad altri che a' Leviti di portar l'Arca di Dio; perciocchè il Signore li ha eletti per portar l'Arca di Dio, e per ministrargli in perpetuo.
2Maar nu beval David, dat de ark van God alleen gedragen zou worden door de levieten, daar Jahweh hen had uitverkoren, om de ark van God te dragen en Hem voor altijd te dienen.
3E Davide adunò tutto Israele in Gerusalemme, per trasportar l'Arca del Signore al suo luogo, ch'egli le avea apparecchiato.
3Nu liet David heel Israël naar Jerusalem komen, om de ark van Jahweh over te brengen naar de plaats, die hij daarvoor had vastgesteld.
4Davide adunò eziandio i figliuoli d'Aaronne, e i Leviti.
4Hij riep de zonen van Aäron en de levieten bijeen;
5De' figliuoli di Chehat, Uriel era il principale, ed avea seco centoventi dei suoi fratelli.
5van de afstammelingen van Kehat: Oeriël, het hoofd, met honderd twintig stamgenoten;
6De' figliuoli di Merari, Asaia era il principale, ed avea seco dugentoventi de' suoi fratelli.
6van de afstammelingen van Merari: Asaja, het hoofd, met tweehonderd twintig stamgenoten;
7De' figliuoli di Gherson, Ioel era il principale, ed avea seco centotrenta de' suoi fratelli.
7van de afstammelingen van Gersjom: Joël, het hoofd, met honderd dertig stamgenoten;
8De' figliuoli di Elisafan, Semaia era il principale, ed avea seco dugento de' suoi fratelli.
8van de afstammelingen van Elisafan: Sjemaja, het hoofd, met tweehonderd stamgenoten;
9De' figliuoli di Hebron, Eliel era il principale, ed avea seco ottanta de' suoi fratelli.
9van de afstammelingen van Chebron: Eliël, het hoofd, met tachtig stamgenoten;
10De' figliuoli di Uzziel, Amminadab era il principale, ed avea seco cento dodici de' suoi fratelli.
10van de afstammelingen van Oezziël: Amminadab, het hoofd, met honderd twintig stamgenoten.
11E Davide chiamò Sadoc ed Ebiatar, sacerdoti, e i Leviti Uriel, Asaia, e Ioel, Semaia, Eliel, ed Amminadab.
11Daarna ontbood David de priesters Sadok en Ebjatar, en de levieten Oeriël, Asaja, Joël, Sjemaja, Eliël en Amminadab,
12E disse loro: Voi siete i capi delle famiglie paterne de' Leviti; santificate voi, ed i vostri fratelli; acciocchè trasportiate l'Arca del Signore Iddio d'Israele al luogo che io le ho apparecchiato.
12en zeide tot hen: Gij, de familiehoofden der levieten, moet uzelf en uw broeders heiligen, om de ark van Jahweh, den God van Israël, over te brengen naar de plaats, die ik daarvoor heb vastgesteld.
13Perciocchè voi non ci foste la prima volta, il Signore Iddio nostro fece una rottura fra noi; perciocchè noi non l'avevamo ricercato secondo che si conveniva.
13Want de vorige keer, toen gij er niet waart, is Jahweh heftig tegen ons losgebroken, omdat wij niet voor Hem hadden gezorgd, zoals het behoort.
14I sacerdoti adunque, e i Leviti, si santificarono, per trasportar l'Arca del Signore Iddio d'Israele.
14De priesters en levieten heiligden zich dus, om de ark van Jahweh, den God van Israël, over te brengen.
15E i figliuoli dei Leviti portarono l'Arca di Dio in su le loro spalle, con le stanghe che aveano addosso, come Mosè avea comandato, secondo la parola del Signore.
15De levieten zouden nu de ark van God met stangen op hun schouders dragen, zoals Moses op Gods bevel had bepaald.
16E Davide disse a' principali d'infra i Leviti che facessero esser quivi presenti i lor fratelli cantori, con istrumenti musicali, salteri, e cetere, e cembali, sonando, ed alzando la voce, con allegrezza.
16Ook gaf David aan de hoofden der levieten het bevel, de zangers onder hun stamgenoten met de muziekinstrumenten, harpen, citers en cymbalen op te stellen, om feestelijke klanken te laten horen.
17E i Leviti fecero esser quivi presenti Heman, figliuolo di Ioel; e d'infra i fratelli di esso, Asaf, figliuolo di Berechia; e d'infra i figliuoli di Merari, lor fratelli, Etan, figliuolo di Cusaia;
17De levieten wezen dus Heman aan, den zoon van Joël, met zijn stamgenoot Asaf, den zoon van Berekjáhoe, en van de Merarieten, hun ambtgenoten, Etan, den zoon van Koesjajáhoe.
18e, con loro, i lor fratelli del secondo ordine: Zaccaria, e Ben, e Iaaziel, e Semiramot, e Iehiel, ed Unni, ed Eliab, e Benaia, e Maaseia, e Mattitia, ed Elifelehu, e Micneia, ed Obed-Edom, e Ieiel, portinai.
18Verder hun ambtgenoten van de tweede rang: de poortwachters Zekarjáhoe, Jaäziël, Sjemiramot, Jechiël, Oenni, Eliab, Benajáhoe, Maäsejáhoe, Mattitjáhoe, Elifeléhoe, Miknejáhoe, Obed-Edom en Jeïël.
19Or questi cantori: Heman, Asaf, ed Etan, sonavano con cembali di rame;
19Bovendien de zangers Heman, Asaf en Etan met koperen cymbalen voor de feestmuziek;
20e Zaccaria, e Iaaziel, e Semiramot, e Iehiel, ed Unni, ed Eliab, Maaseia, e Benaia, sonavano con salteri sopra Alamot.
20Zekarja, Aziël, Sjemiramot, Jechiël, Oenni, Eliab, Maäsejáhoe, Benajáhoe met harpen, hooggestemd;
21E Mattitia, ed Elifelehu, e Micneia, ed Obed-Edom, e Ieiel, ed Azaria, sonavano con le cetere sopra Seminit, per li canti di vittoria.
21Mattitjáhoe, Elifeléhoe, Miknejáhoe, Obed-Edom, Jeïël en Azazjáhoe met citers, om een octaaf lager te begeleiden.
22E Chenania, principale fra i Leviti, intonava; egli presideva all'intonare, perciocchè egli era uomo intendente.
22Kenanjáhoe had bij het vervoer het toezicht op de levieten, en daar hij deskundig was, de leiding bij het vervoer.
23E Berechia, ed Elcana, erano portinai dell'Arca.
23Berekja en Elkana hielden de wacht bij de ark.
24E Sebania, e Giosafat, e Natanael, ed Amasai, e Zaccaria, e Benaia, ed Eliezer, sacerdoti, sonavano con le trombe davanti all'Arca di Dio; ed Obed-Edom, e Iehia, erano portinai dell'Arca.
24De priesters Sjebanjáhoe, Josjafat, Netaneël, Amasai, Zekarjáhoe, Benajáhoe en Eliézer bliezen op de trompetten voor de ark van God, en Obed-Edom en Jechi-ja hielden de wacht bij de ark.
25Così Davide, e gli Anziani d'Israele, ed i capi delle migliaia, camminavano trasportando l'Arca del Patto del Signore dalla casa di Obed-Edom, con allegrezza.
25Nu ging David met de oudsten van Israël en de bevelhebbers van duizend de verbondsark van Jahweh op feestelijke wijze uit het huis van Obed-Edom overbrengen.
26E quando Iddio dava alleggiamento a' Leviti che portavano l'Arca del Patto del Signore, si sacrificavano sette giovenchi, e sette montoni.
26En toen bleek, dat God de levieten bijstond, die de verbondsark van Jahweh droegen, werden zeven stieren en zeven rammen geofferd.
27E Davide era ammantato d'un ammanto di bisso; e parimente tutti i Leviti che portavano l'Arca, ed i cantori, e Chenania, capo de' cantori nell'intonare; e Davide avea indosso un Efod di lino.
27David was daarbij gekleed in een mantel van fijn lijnwaad, gelijk alle levieten, die de ark droegen, en zoals de zangers, Kenanja, de leider van het vervoer, en de muzikanten; verder was David slechts met een linnen borstkleed bedekt.
28Così tutto Israele conduceva l'Arca del Patto del Signore, con grida d'allegrezza, con suon di corni, e con trombe, e con cembali, sonando con salteri, e con cetere.
28Zo bracht Israël de verbondsark van Jahweh over, met gejubel en bazuingeschal, terwijl de trompetten, cymbalen, harpen en citers hun feestklanken lieten horen.
29Ora, quando l'Arca del Patto del Signore giunse alla Città di Davide, Mical, figliuola di Saulle, riguardò dalla finestra, e vide il re Davide, che saltava, e festeggiava. Ed ella lo sprezzò nel suo cuore.
29Toen de verbondsark van Jahweh in de Davidstad aankwam, gluurde Mikal, de dochter van Saul, door het venster. Zij zag koning David dansend en springend, en verachtte hem in haar hart.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.