I Croniche
Chapter 2
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

I Croniche 2

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1QUESTI furono i figliuoli d'Israele: Ruben, Simeone, Levi e Giuda; Issacar e Zabulon;
1Hier volgen de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issakar, Zabulon,
2Dan, Giuseppe e Beniamino; Neftali, Gad ed Aser.
2Dan, Josef, Benjamin, Neftali, Gad en Aser.
3I figliuoli di Giuda furono Er, ed Onan, e Sela. Questi tre gli nacquero dalla figliuola di Sua, Cananea. Or Er, primogenito di Giuda, dispiacque al Signore, ed egli lo fece morire.
3De zonen van Juda waren Er, Onan en Sjela; deze drie werden hem geschonken door Bat-Sjóea, de kanaänietische. Er, Juda’s oudste zoon, deugde niet in Jahweh’s ogen; daarom strafte Hij hem met de dood.
4E Tamar, sua nuora, gli partorì Fares e Zara. Tutti i figliuoli di Giuda furono cinque.
4Zijn schoondochter Tamar schonk hem Fáres en Zara. Juda had dus in het geheel vijf kinderen.
5I figliuoli di Fares furono Hesron ed Hamul.
5De zonen van Fáres waren Chesron en Chamoel.
6Ed i figliuoli di Zara furono Zimri, ed Etan, ed Heman, e Calcol, e Dara. In tutto cinque.
6De zonen van Zara waren: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Déra; in het geheel vijf.
7E il figliuolo di Carmi fu Acar, quel che conturbò Israele, che commise misfatto intorno all'interdetto.
7De zoon van Zimri was Karmi; de zoon van Karmi was Akar, die Israël in het verderf stortte, omdat hij zich aan de ban vergreep.
8E il figliuolo di Etan fu Azaria.
8De zoon van Etan was Azarja.
9Ed i figliuoli che nacquero ad Hesron furono Ierameel, e Ram, e Chelubai.
9De zonen, die Chesron kreeg, waren Jerachmeël, Ram en Keloebai.
10E Ram generò Amminadab, ed Amminadab generò Nahasson, capo de' figliuoli di Giuda.
10Ram verwekte Amminadab; Amminadab verwekte Naässon, het opperhoofd der Judeërs;
11E Nahasson generò Salma, e Salma generò Booz,
11Naässon verwekte Salma; Salma verwekte Bóoz,
12e Booz generò Obed, ed Obed generò Isai.
12Bóoz verwekte Obed; Obed verwekte Jesse.
13Ed Isai generò Eliab, suo primogenito, ed Abinadab il secondo, e Sima il terzo,
13Jesse verwekte Eliab zijn eerstgeborene, Abinadab zijn tweede, Sjima zijn derde,
14Natanael il quarto, Raddai il quinto,
14Netanel zijn vierde, Raddai zijn vijfde,
15Osem il sesto, Davide il settimo;
15Osem zijn zesde, en David zijn zevende zoon.
16e le lor sorelle, Seruia ed Abigail. E i figliuoli di Seruia furono tre: Abisai, Ioab, e Asael.
16Hun zusters heetten Seroeja en Abigáil. De zonen van Seroeja waren Absjai, Joab en Asaël, in het geheel drie.
17Ed Abigail partorì Amasa, il cui padre fu Ieter Ismaelita.
17Abigáil bracht Amasa ter wereld; de vader van Amasa was Jéter, de Jisjmaëliet.
18Or Caleb, figliuolo di Hesron, generò figliuoli con Azuba, sua moglie, e con Ieriot; e questi furono i figliuoli di quella: Ieser, e Sobab, ed Ardon.
18Kaleb, de zoon van Chesron, kreeg van zijn vrouw Azoeba een dochter, Jeriot genaamd; haar zonen waren: Jésjer, Sjobab en Ardon.
19E, morta Azuba, Caleb prese Efrat, la quale gli partorì Hur.
19Na de dood van Azoeba trouwde Kaleb met Efrat; deze schonk hem Choer.
20Ed Hur generò Uri, ed Uri generò Besaleel.
20Choer verwekte Oeri, Oeri verwekte Besalel.
21Poi Hesron entrò da una figliuola di Machir, padre di Galaad, e la prese, essendo egli già d'età di sessant'anni; ed essa gli partorì Segub.
21Later hield Chesron gemeenschap met de dochter van Makir, den stamvader van Gilad; hij huwde haar, ofschoon hij al zestig was, en zij schonk hem Segoeb.
22E Segub generò Iair, il quale ebbe ventitre terre nel paese di Galaad;
22Segoeb verwekte Jaïr; hij beschikte over drie en twintig steden in het land Gilad.
23e prese a' Ghesurei, ed a' Siri, le villate di Iair, e Chenat, con le terre del suo territorio, che sono sessanta terre. Esse furono dei figliuoli di Machir, padre di Galaad.
23Maar Gesjoer en Aram ontnamen hun de kampementen van Jaïr, namelijk Kenat met bijbehorende plaatsen; in het geheel zestig plaatsen, allemaal stichtingen van Makir, den stamvader van Gilad.
24E dopo che fu morto Hesron, in Caleb di Efrata, Abia, moglie di Hesron, gli partorì Ashur, padre di Tecoa.
24Na de dood van Chesron hield Kaleb gemeenschap met de vrouw van zijn vader Chesron, en zij schonk hem Asjchoer, den stichter van Tekóa.
25E i figliuoli di Ierameel, primogenito di Hesron, furono Ram, il primogenito; poi Buna, ed Oren, ed Osem, ed Ahia.
25De zonen van Jerachmeël, den oudsten zoon van Chesron waren: Ram, de oudste, en zijn broers Boena, Oren, en Osem.
26Or Ierameel ebbe un'altra moglie, il cui nome era Atara, che fu madre di Onam.
26Ook had Jerachmeël nog een andere vrouw, die Atara heette; zij was de moeder van Onam.
27E i figliuoli di Ram, primogenito di Ierameel, furono Maas, e Iamin, ed Echer.
27De zonen van Ram, den oudsten zoon van Jerachmeël, waren: Máas, Jamin en Éker.
28E i figliuoli di Onam furono Sammai, e Iada. E i figliuoli di Sammai furono Nadab ed Abisur.
28De zonen van Onam waren Sjammai en Jada. De zonen van Sjammai waren Nadab en Abisjoer.
29E il nome della moglie di Abisur fu Abihail, la quale gli partorì Aban e Molid.
29De vrouw van Abisjoer heette Abicháil; zij schonk hem Achban en Molid.
30E i figliuoli di Nadab furono Seled ed Appaim. E Seled morì senza figliuoli.
30De zonen van Nadab waren Séled en Appáim. Séled stierf zonder kinderen,
31E il figliuolo di Appaim fu Isi; e il figliuolo d'Isi fu Sesan; e la figliuola di Sesan fu Alai.
31maar Appáim verwekte Jisji. De zoon van Jisji was Sjesjan. De zoon van Sjesjan was Achlai.
32E i figliuoli di Iada, fratello di Sammai, furono Ieter e Gionatan; e Ieter morì senza figliuoli.
32De zonen van Jada, den broer van Sjammai, waren Jéter en Jonatan. Jéter stierf zonder kinderen,
33E i figliuoli di Gionatan furono Pelet e Zaza. Questi furono i figliuoli di Ierameel.
33maar Jonatan verwekte Pélet en Zaza. Dit waren de afstammelingen van Jerachmeël.
34Or Sesan non ebbe figliuoli maschi , ma una figliuola; ed avendo un servo Egizio, il cui nome era Iarha,
34Sjesjan had alleen maar dochters, geen zonen. Sjesjan bezat echter een egyptischen slaaf, die Jarcha heette;
35gli diede la sua figliuola per moglie, la quale gli partorì Attai.
35daarom gaf Sjesjan zijn dochter tot vrouw aan zijn slaaf Jarcha; zij schonk hem Attai.
36Ed Attai generò Natan, e Natan generò Zabad,
36Attai verwekte Natan; Natan verwekte Zabad;
37e Zabad generò Eflal, ed Eflal generò Obed.
37Zabad verwekte Eflal; Eflal verwekte Obed;
38Ed Obed generò Iehu, e Iehu generò Azaria,
38Obed verwekte Jehoe; Jehoe verwekte Azarja;
39ed Azaria generò Heles, ed Heles generò Elasa,
39Azarja verwekte Chéles; Chéles verwekte Elasa;
40ed Elasa generò Sismai, e Sismai generò Sallum,
40Elasa verwekte Sismai; Sismai verwekte Sjalloem;
41e Sallum generò Iecamia, e Iecamia generò Elisama.
41Sjalloem verwekte Jekamja; Jekamja verwekte Elisjama.
42E i figliuoli di Caleb, fratello di Ierameel, furono Mesa, suo primogenito, che fu padre di Zif; poi i figliuoli di Maresa, padre di Hebron.
42De oudste zoon van Kaleb, den broer van Jerachmeël, was Mesja; deze was de vader van Zif en van de zonen van Maresja, den vader van Hebron.
43E i figliuoli di Hebron furono Cora, e Tappua, e Rechem, e Sema.
43De zonen van Hebron waren Kórach, Tappóeach, Rékem en Sjéma.
44E Sema generò Raham, padre di Iorcheam; e Rechem generò Sammai. E il figliuolo di Sammai fu Maon;
44Sjéma verwekte Rácham, den vader van Jorkeam; Rékem verwekte Sjammai.
45e Maon fu padre di Bet-sur.
45De zoon van Sjammai was Maon; Maon was de vader van Bet-Soer.
46Ed Efa, concubina di Caleb, partorì Haran, e Mosa, e Gazez. Ed Haran generò Gazez.
46Efa, de bijvrouw van Kaleb, schonk het leven aan Charan, Mosa en Gazez. Charan verwekte Jodai.
47E i figliuoli di Iodai furono Reghem, e Iotam, e Ghesan, e Pelet, ed Efo, e Saaf.
47De zonen van Jodai waren: Régem, Jotam, Gesjan, Pélet, Efa en Sjáaf.
48E Maaca, concubina di Caleb, partorì Sebet e Tirhana.
48Maäka, een bijvrouw van Kaleb, schonk het leven aan Sjéber en Tirchana;
49Ella partorì eziandio Saaf, padre di Madman; e Seva, padre di Macbena, e padre di Ghiba; e la figliuola di Caleb fu Acsa.
49ook baarde zij Sjáaf, den vader van Madmanna, en Sjewa, den vader van Makbena en Giba. Aksa was de dochter van Kaleb.
50Questi furono i figliuoli di Caleb, figliuolo di Hur, primogenito di Efrat, cioè: Sobal, padre di Chiriat-iearim;
50Dit waren de afstammelingen van Kaleb. De zonen van Choer, den oudsten zoon van Efrat, waren Sjobal de vader van Kirjat-Jearim,
51Salma, padre di Bet-lehem; Haref, padre di Bet-gader.
51Salma de vader van Betlehem, en Charef de vader van Bet-Gader.
52E Sobal, padre di Chiriat-iearim, ebbe de' figliuoli, cioè , Roe, padre della metà di Menuhot.
52Sjobal, de vader van Kirjat-Jearim, had nog andere kinderen, namelijk: Reaja, het halve geslacht Manáchat.
53E le famiglie di Chiriat-iearim furono gl'Ittei, e i Putei, e i Sumatei, e i Misraei; di questi sono usciti i Soreatei e gli Estaolei.
53In Kirjat-Jearim woonden de volgende geslachten: dat van Jéter, van Poet, van Sjoema en van Misjra; hieruit kwamen weer de lieden van Sora en Esjtaol voort.
54I figliuoli di Salma furono quei di Bet-lehem, e i Netofatiti; quei di Atrot, di Bet-Ioab, e della metà di Menuhot, ed i Sorei.
54De zonen van Salma waren Betlehem, het geslacht van Netofa, Atrot-Bet-Joab, het halve geslacht Manáchat, de Sorieten,
55E le famiglie degli Scribi, che abitavano in Iabes, furono i Tiratei, i Simatei, i Sucatei. Questi sono i Chenei, ch'erano usciti di Hamat, padre della casa di Recab.
55en de geslachten der schriftgeleerden, die te Jabes woonden, namelijk die van Tira, van Sjima en van Sjoeka. Dit waren de Kinieten, die van Chammat afstammen, den vader van de familie Rekab.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.