I Croniche 11
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1E TUTTO Israele si adunò appresso di Davide in Hebron, dicendo: Ecco, noi siamo tue ossa, e tua carne.
1Toen kwam heel Israël tot David in Hebron en zeide: Zie, wij zijn uw vlees en bloed!
2Ed anche per addietro, eziandio mentre Saulle era re, tu eri quel che conducevi Israele fuori e dentro; e il Signore Iddio tuo ti ha detto: Tu pascerai il mio popolo Israele, e sarai il conduttore del mio popolo Israele.
2Reeds vroeger, toen Saul nog koning was, waart gij het, die Israël te velde deedt trekken en terugbracht. En tot u heeft Jahweh, uw God, gezegd: “Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van mijn volk Israël zijn!”
3Essendo adunque venuti tutti gli Anziani d'Israele al re in Hebron, Davide patteggiò quivi con loro, in presenza del Signore; ed essi unsero Davide per re sopra Israele, secondo la parola del Signore pronunziata per Samuele.
3Toen alle oudsten van Israël dus bij den koning in Hebron gekomen waren, sloot David met hen in Hebron een verbond voor het aanschijn van Jahweh, en werd David door hen tot koning over Israël gezalfd, juist zoals Jahweh door Samuël had voorspeld.
4Poi Davide andò con tutto Israele in Gerusalemme, che è Gebus; e quivi erano i Gebusei, che abitavano in quel paese.
4Nu trok David met heel Israël naar Jerusalem op, dat wil zeggen: Jeboes, waar de Jeboesieten woonden, de inheemse bevolking.
5E gli abitanti di Gebus dissero a Davide: Tu non entrerai qua entro. Ma Davide prese la fortezza di Sion, che è la Città di Davide.
5De bewoners van Jeboes riepen tot David: Hier komt ge niet binnen! Maar David veroverde de Sionsvesting, de zogenaamde Davidstad.
6Or Davide avea detto: Chiunque percoterà il primo i Gebusei sarà Capo e Capitano. E Ioab, figliuolo di Seruia, salì il primo; onde fu fatto Capo.
6Bij die gelegenheid sprak David: Wie het eerst een Jeboesiet neerslaat, wordt opperste bevelhebber. En Joab was het, de zoon van Seroeja, die het eerst naar boven kroop, en bevelhebber werd.
7E Davide abitò in quella fortezza; e perciò ella fu chiamata: La Città di Davide.
7Daarna vestigde David zich in de vesting, die hij Davidstad noemde,
8Ed egli edificò la città d'ogn'intorno, dal terrapieno fino a tutto il ricinto; e Ioab rifece il rimanente della città.
8en hij bouwde de stad in heel haar omvang van het Millo af tot aan het paleis. De rest van de stad werd door Joab gerestaureerd.
9E Davide andava del continuo crescendo, e il Signore degli eserciti era con lui.
9Zo werd David hoe langer hoe machtiger, daar Jahweh der heirscharen met hem was.
10OR questi sono i principali de' prodi di Davide, i quali si portarono valorosamente appresso di lui nel suo regno, con tutto Israele, per farlo re, secondo che il Signore avea promesso ad Israele.
10Hier volgen de aanvoerders van Davids helden, die zich verdienstelijk maakten voor zijn heerschappij over heel Israël, en hem hielpen koning te worden van Israël, naar het woord van Jahweh.
11E questo è il numero de' prodi di Davide: Iasobam, figliuolo di Hacmoni, Capo de' colonnelli; costui mosse la sua lancia contro a trecent' uomini , e li uccise a una volta.
11Hier volgt dus een op somming van Davids helden. Jasjobam, de zoon van Chakmoni, was de aanvoerder der Drie. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij in één keer versloeg.
12E dopo lui, era Eleazaro, figliuolo di Dodo, Ahoheo, il quale era di que' tre prodi.
12Na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, den Achochiet, ook een van de drie helden.
13Costui si trovò con Davide in Pasdammim, quando i Filistei si erano quivi adunati in battaglia. Or quivi era un campo pieno d'orzo; ed essendo il popolo fuggito d'innanzi a' Filistei,
13Hij bevond zich met David te Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar verzameld hadden voor de strijd. Na hem kwam Sjamma, de zoon van Age uit Harari. Eens, toen de Filistijnen zich voor de strijd te Lechi verzameld hadden, waar een stuk land was, geheel met gerst beplant, was het volk voor de Filistijnen op de vlucht geslagen;
14essi si presentarono alla battaglia in mezzo del campo, e lo riscossero, e percossero i Filistei; e il Signore diede una gran vittoria.
14maar hij ging midden op het veld staan en wist het te behouden, door de Filistijnen te verslaan. Zo verleende Jahweh hun een grote overwinning.
15Oltre a ciò, questi tre, ch'erano capi sopra i trenta, andarono alla rocca, a Davide, nella spelonca di Adullam, essendo il campo de' Filistei posto nella valle de' Rafei.
15Een andere keer daalden drie van de dertig aanvoerders af, en kwamen bij David in de spelonk van Adoellam, terwijl een bende Filistijnen in de vallei der Refaïeten gelegerd was.
16E Davide era allora nella fortezza, ed i Filistei in quel tempo aveano guernigione in Bet-lehem.
16David bevond zich toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden Betlehem bezet.
17E Davide fu mosso da desiderio, e disse: Chi mi darà a bere dell'acqua della cisterna di Bet-lehem, ch' è alla porta?
17Toen nu David eens het verlangen te kennen gaf, of iemand hem water te drinken kon geven uit de bron bij de poort van Betlehem,
18E que' tre penetrarono nel campo de' Filistei, ed attinsero dell'acqua della cisterna di Bet-lehem, ch' è alla porta; e la portarono, e la presentarono a Davide; ma egli non ne volle bere, anzi la sparse al Signore, e disse:
18drongen de Drie door de legermacht der Filistijnen heen, putten water uit de bron bij de poort van Betlehem, namen het mee en brachten het bij David. Maar David wilde er niet van drinken, en goot het uit ter ere van Jahweh, terwijl hij uitriep:
19Tolga ciò l'Iddio mio da me, che io faccia questo; berrei io il sangue di questi uomini che sono andati là al rischio della lor vita? conciossiachè abbiano recata quest' acqua al rischio della lor vita; e non ne volle bere. Queste cose fecero que' tre uomini prodi.
19Bij Jahweh; ik denk er niet aan, zo iets te doen. Ik zou het bloed en het leven van die drie mensen drinken; want ze hebben hun leven gewaagd, om het mij te kunnen brengen! Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden.
20Abisai anch'esso, fratello di Ioab, era il principale fra altri tre. Esso ancora mosse la sua lancia contro a trecent' uomini , e li uccise, e fu famoso fra que' tre.
20Absjai, de broeder van Joab, was de aanvoerder van de Dertig. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij doodde. Hij was bekend bij de Drie,
21Fra que' tre egli era più illustre che i due altri , e fu lor capo; ma pur non arrivò a quegli altri tre.
21en om twee feiten was hij beroemder dan de Dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de Drie kon hij niet op.
22Poi vi era Benaia, figliuolo di Gioiada, figliuolo d'un uomo valoroso; e Benaia avea fatte di gran prodezze, ed era da Cabseel. Egli percosse i due Ariel di Moab; scese ancora, e percosse un leone in mezzo d'una fossa, al tempo della neve.
22Benaja, de zoon van Jehojada, was een dapper man uit Kabseël, met een uitstekende staat van dienst. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Ook doodde hij midden in een kuil een leeuw op een dag, dat er sneeuw lag.
23Egli percosse ancora un uomo Egizio, il quale era uomo di grande statura, cioè , di cinque cubiti. Or quell'Egizio avea in mano una lancia simile ad un subbio di tessitore; ma Benaia scese contro a lui con un bastone, e gli strappò la lancia di mano, e l'uccise con la sua propria lancia.
23Verder versloeg hij een Egyptenaar, een man van ongewone afmetingen, vijf el lang, die met een lans als een weversboom was gewapend; hij ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist, en stak hem met zijn eigen lans dood.
24Queste cose fece Benaia, figliuolo di Gioiada, e fu famoso fra i tre prodi.
24Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jehojada! Daardoor was hij bekend bij de Drie.
25Ecco, egli era elevato in dignità sopra i trenta; ma pur non arrivò a quegli altri tre. E Davide lo costituì sopra la gente ch'egli avea del continuo a suo comando.
25Maar ofschoon hij beroemder was dan de Dertig, tegen de Drie kon hij niet op! Hem stelde David over zijn lijfwacht aan.
26Poi vi erano gli altri prodi degli eserciti, cioè: Asael, fratello di Ioab; Elhanan, figliuolo di Dodo, da Bet-lehem;
26Tenslotte de helden: Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem;
27Sammot Harodita; Heles Pelonita;
27Sjammot uit Harar; Chéles uit Bet-Pélet;
28Ira, figliuolo d'Iches Tecoita; Abiezer Anatotita;
28Ira, de zoon van Ikkesj uit Tekóa; Abiézer uit Anatot;
29Sibbecai Husatita;
29Sibbekai uit Choesja; Ilai uit Achoch;
30Ilai Ahohita; Maharai Netofatita; Heled, figliuolo di Baana, Netofatita;
30Maharai uit Netófa; Chéled, de zoon van Baäna uit Netófa;
31Itai, figliuolo di Ribai, da Ghibea de' figliuoli di Beniamino; Benaia Piratonita;
31Itai, de zoon van Ribai uit Géba der Benjamieten; Benaja uit Piraton;
32Hurai, delle valli di Gaas; Abiel Arbatita;
32Choerai uit Nachale-Gáasj; Abiël uit Araba;
33Azmavet Baharumita; Eliaba Saalbonita;
33Azmáwet uit Bachoerim; Eljachba uit Sjaälbon;
34il Ghizonita, de' figliuoli di Hazem; Gionatan, figliuolo di Saghe, Hararita;
34Hasjem uit Gizo: Jonatan, de zoon van Sjage uit Harar;
35Ahiam, figliuolo di Sacar, Hararita; Elifal, figliuolo di Ur;
35Achiam, de zoon van Sakar uit Harar; Elifal, de zoon van Oer;
36Hefer Mecheratita; Ahia Pelonita;
36Chéfer uit Mekera; Achi-ja uit Gilo;
37Hesro Carmelita; Naarai, figliuolo di Ezbai;
37Chesro uit Karmel; Naärai, de zoon van Ezbai;
38Ioel, fratello di Natan; Mibar, figliuolo di Hagri;
38Joël, de broer van Natan; Mibchar, de zoon van Hagri;
39Selec Ammonita; Naarai Berotita, scudiere di Ioab, figliuolo di Seruia;
39Sélek, de Ammoniet; Nacharai uit Berota, de wapendrager van Joab, den zoon van Seroeja;
40Ira Itrita; Gareb Itrita;
40Ira uit Jéter; Gareb uit Jéter;
41Uria Hitteo; Zabad, figliuolo di Alai;
41Oeri-ja de Chittiet; Zabad, de zoon van Achlai;
42Adina, figliuolo di Siza, Rubenita, ch'era capo de' Rubeniti; e ne avea trent' altri seco;
42Adina, de zoon van Sjiza van de stam Ruben, de aanvoerder der Rubenieten, met dertig man;
43Hanan, figliuolo di Maaca; Giosafat Mitnita;
43Chanan, de zoon van Maäka; Josjafat uit Mitna;
44Uzzia Asteratita; Sama, e Ieiel, figliuoli di Hotam, Aroerita;
44Oezzi-ja uit Asjtarot; Sjama en Jeïël, zonen van Chotam uit Aroër;
45Iediael, figliuolo di Simri, e Ioha, suo fratello, Tisita;
45Jediaël, de zoon van Sjimri; Jocha, zijn broer uit Tisi;
46Eliel Hammahavim; e Ieribai, e Iosavia, figliuoli di Elnaam; Itma Moabita;
46Eliël uit Machawa; Jeribai en Josjawja, zonen van Elnáam; Jitma de Moabiet;
47Eliel, ed Obed, e Iaasiel da Mesobaia.
47Eliël, Obed en Jaäsiël, uit Soba.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.