1 דִּבְרֵי הַיָּמִים

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 11

1 דִּבְרֵי הַיָּמִים

Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 דִּבְרֵי הַיָּמִים 11

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ויקבצו כל ישראל אל דויד חברונה לאמר הנה עצמך ובשרך אנחנו׃
1Toen kwam heel Israël tot David in Hebron en zeide: Zie, wij zijn uw vlees en bloed!
2גם תמול גם שלשום גם בהיות שאול מלך אתה המוציא והמביא את ישראל ויאמר יהוה אלהיך לך אתה תרעה את עמי את ישראל ואתה תהיה נגיד על עמי ישראל׃
2Reeds vroeger, toen Saul nog koning was, waart gij het, die Israël te velde deedt trekken en terugbracht. En tot u heeft Jahweh, uw God, gezegd: “Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van mijn volk Israël zijn!”
3ויבאו כל זקני ישראל אל המלך חברונה ויכרת להם דויד ברית בחברון לפני יהוה וימשחו את דויד למלך על ישראל כדבר יהוה ביד שמואל׃
3Toen alle oudsten van Israël dus bij den koning in Hebron gekomen waren, sloot David met hen in Hebron een verbond voor het aanschijn van Jahweh, en werd David door hen tot koning over Israël gezalfd, juist zoals Jahweh door Samuël had voorspeld.
4וילך דויד וכל ישראל ירושלם היא יבוס ושם היבוסי ישבי הארץ׃
4Nu trok David met heel Israël naar Jerusalem op, dat wil zeggen: Jeboes, waar de Jeboesieten woonden, de inheemse bevolking.
5ויאמרו ישבי יבוס לדויד לא תבוא הנה וילכד דויד את מצדת ציון היא עיר דויד׃
5De bewoners van Jeboes riepen tot David: Hier komt ge niet binnen! Maar David veroverde de Sionsvesting, de zogenaamde Davidstad.
6ויאמר דויד כל מכה יבוסי בראשונה יהיה לראש ולשר ויעל בראשונה יואב בן צרויה ויהי לראש׃
6Bij die gelegenheid sprak David: Wie het eerst een Jeboesiet neerslaat, wordt opperste bevelhebber. En Joab was het, de zoon van Seroeja, die het eerst naar boven kroop, en bevelhebber werd.
7וישב דויד במצד על כן קראו לו עיר דויד׃
7Daarna vestigde David zich in de vesting, die hij Davidstad noemde,
8ויבן העיר מסביב מן המלוא ועד הסביב ויואב יחיה את שאר העיר׃
8en hij bouwde de stad in heel haar omvang van het Millo af tot aan het paleis. De rest van de stad werd door Joab gerestaureerd.
9וילך דויד הלוך וגדול ויהוה צבאות עמו׃
9Zo werd David hoe langer hoe machtiger, daar Jahweh der heirscharen met hem was.
10ואלה ראשי הגבורים אשר לדויד המתחזקים עמו במלכותו עם כל ישראל להמליכו כדבר יהוה על ישראל׃
10Hier volgen de aanvoerders van Davids helden, die zich verdienstelijk maakten voor zijn heerschappij over heel Israël, en hem hielpen koning te worden van Israël, naar het woord van Jahweh.
11ואלה מספר הגברים אשר לדויד ישבעם בן חכמוני ראש השלושים הוא עורר את חניתו על שלש מאות חלל בפעם אחת׃
11Hier volgt dus een op somming van Davids helden. Jasjobam, de zoon van Chakmoni, was de aanvoerder der Drie. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij in één keer versloeg.
12ואחריו אלעזר בן דודו האחוחי הוא בשלושה הגברים׃
12Na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, den Achochiet, ook een van de drie helden.
13הוא היה עם דויד בפס דמים והפלשתים נאספו שם למלחמה ותהי חלקת השדה מלאה שעורים והעם נסו מפני פלשתים׃
13Hij bevond zich met David te Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar verzameld hadden voor de strijd. Na hem kwam Sjamma, de zoon van Age uit Harari. Eens, toen de Filistijnen zich voor de strijd te Lechi verzameld hadden, waar een stuk land was, geheel met gerst beplant, was het volk voor de Filistijnen op de vlucht geslagen;
14ויתיצבו בתוך החלקה ויצילוה ויכו את פלשתים ויושע יהוה תשועה גדולה׃
14maar hij ging midden op het veld staan en wist het te behouden, door de Filistijnen te verslaan. Zo verleende Jahweh hun een grote overwinning.
15וירדו שלושה מן השלושים ראש על הצר אל דויד אל מערת עדלם ומחנה פלשתים חנה בעמק רפאים׃
15Een andere keer daalden drie van de dertig aanvoerders af, en kwamen bij David in de spelonk van Adoellam, terwijl een bende Filistijnen in de vallei der Refaïeten gelegerd was.
16ודויד אז במצודה ונציב פלשתים אז בבית לחם׃
16David bevond zich toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden Betlehem bezet.
17ויתאו דויד ויאמר מי ישקני מים מבור בית לחם אשר בשער׃
17Toen nu David eens het verlangen te kennen gaf, of iemand hem water te drinken kon geven uit de bron bij de poort van Betlehem,
18ויבקעו השלשה במחנה פלשתים וישאבו מים מבור בית לחם אשר בשער וישאו ויבאו אל דויד ולא אבה דויד לשתותם וינסך אתם ליהוה׃
18drongen de Drie door de legermacht der Filistijnen heen, putten water uit de bron bij de poort van Betlehem, namen het mee en brachten het bij David. Maar David wilde er niet van drinken, en goot het uit ter ere van Jahweh, terwijl hij uitriep:
19ויאמר חלילה לי מאלהי מעשות זאת הדם האנשים האלה אשתה בנפשותם כי בנפשותם הביאום ולא אבה לשתותם אלה עשו שלשת הגבורים׃
19Bij Jahweh; ik denk er niet aan, zo iets te doen. Ik zou het bloed en het leven van die drie mensen drinken; want ze hebben hun leven gewaagd, om het mij te kunnen brengen! Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden.
20ואבשי אחי יואב הוא היה ראש השלושה והוא עורר את חניתו על שלש מאות חלל ולא שם בשלושה׃
20Absjai, de broeder van Joab, was de aanvoerder van de Dertig. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij doodde. Hij was bekend bij de Drie,
21מן השלושה בשנים נכבד ויהי להם לשר ועד השלושה לא בא׃
21en om twee feiten was hij beroemder dan de Dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de Drie kon hij niet op.
22בניה בן יהוידע בן איש חיל רב פעלים מן קבצאל הוא הכה את שני אריאל מואב והוא ירד והכה את הארי בתוך הבור ביום השלג׃
22Benaja, de zoon van Jehojada, was een dapper man uit Kabseël, met een uitstekende staat van dienst. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Ook doodde hij midden in een kuil een leeuw op een dag, dat er sneeuw lag.
23והוא הכה את האיש המצרי איש מדה חמש באמה וביד המצרי חנית כמנור ארגים וירד אליו בשבט ויגזל את החנית מיד המצרי ויהרגהו בחניתו׃
23Verder versloeg hij een Egyptenaar, een man van ongewone afmetingen, vijf el lang, die met een lans als een weversboom was gewapend; hij ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist, en stak hem met zijn eigen lans dood.
24אלה עשה בניהו בן יהוידע ולו שם בשלושה הגברים׃
24Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jehojada! Daardoor was hij bekend bij de Drie.
25מן השלושים הנו נכבד הוא ואל השלושה לא בא וישימהו דויד על משמעתו׃
25Maar ofschoon hij beroemder was dan de Dertig, tegen de Drie kon hij niet op! Hem stelde David over zijn lijfwacht aan.
26וגבורי החילים עשה אל אחי יואב אלחנן בן דודו מבית לחם׃
26Tenslotte de helden: Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem;
27שמות ההרורי חלץ הפלוני׃
27Sjammot uit Harar; Chéles uit Bet-Pélet;
28עירא בן עקש התקועי אביעזר הענתותי׃
28Ira, de zoon van Ikkesj uit Tekóa; Abiézer uit Anatot;
29סבכי החשתי עילי האחוחי׃
29Sibbekai uit Choesja; Ilai uit Achoch;
30מהרי הנטפתי חלד בן בענה הנטופתי׃
30Maharai uit Netófa; Chéled, de zoon van Baäna uit Netófa;
31איתי בן ריבי מגבעת בני בנימן בניה הפרעתני׃
31Itai, de zoon van Ribai uit Géba der Benjamieten; Benaja uit Piraton;
32חורי מנחלי געש אביאל הערבתי׃
32Choerai uit Nachale-Gáasj; Abiël uit Araba;
33עזמות הבחרומי אליחבא השעלבני׃
33Azmáwet uit Bachoerim; Eljachba uit Sjaälbon;
34בני השם הגזוני יונתן בן שגה ההררי׃
34Hasjem uit Gizo: Jonatan, de zoon van Sjage uit Harar;
35אחיאם בן שכר ההררי אליפל בן אור׃
35Achiam, de zoon van Sakar uit Harar; Elifal, de zoon van Oer;
36חפר המכרתי אחיה הפלני׃
36Chéfer uit Mekera; Achi-ja uit Gilo;
37חצרו הכרמלי נערי בן אזבי׃
37Chesro uit Karmel; Naärai, de zoon van Ezbai;
38יואל אחי נתן מבחר בן הגרי׃
38Joël, de broer van Natan; Mibchar, de zoon van Hagri;
39צלק העמוני נחרי הברתי נשא כלי יואב בן צרויה׃
39Sélek, de Ammoniet; Nacharai uit Berota, de wapendrager van Joab, den zoon van Seroeja;
40עירא היתרי גרב היתרי׃
40Ira uit Jéter; Gareb uit Jéter;
41אוריה החתי זבד בן אחלי׃
41Oeri-ja de Chittiet; Zabad, de zoon van Achlai;
42עדינא בן שיזא הראובני ראש לראובני ועליו שלושים׃
42Adina, de zoon van Sjiza van de stam Ruben, de aanvoerder der Rubenieten, met dertig man;
43חנן בן מעכה ויושפט המתני׃
43Chanan, de zoon van Maäka; Josjafat uit Mitna;
44עזיא העשתרתי שמע ויעואל בני חותם הערערי׃
44Oezzi-ja uit Asjtarot; Sjama en Jeïël, zonen van Chotam uit Aroër;
45ידיעאל בן שמרי ויחא אחיו התיצי׃
45Jediaël, de zoon van Sjimri; Jocha, zijn broer uit Tisi;
46אליאל המחוים ויריבי ויושויה בני אלנעם ויתמה המואבי׃
46Eliël uit Machawa; Jeribai en Josjawja, zonen van Elnáam; Jitma de Moabiet;
47אליאל ועובד ויעשיאל המצביה׃
47Eliël, Obed en Jaäsiël, uit Soba.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.