1 Crónicas
Chapter 11
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Crónicas 11

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ENTONCES todo Israel se juntó á David en Hebrón, diciendo: He aquí nosotros somos tu hueso y tu carne.
1Toen kwam heel Israël tot David in Hebron en zeide: Zie, wij zijn uw vlees en bloed!
2Y además antes de ahora, aun mientras Saúl reinaba, tú sacabas y metías á Israel. También Jehová tu Dios te ha dicho: Tú apacentarás mi pueblo Israel, y tú serás príncipe sobre Israel mi pueblo.
2Reeds vroeger, toen Saul nog koning was, waart gij het, die Israël te velde deedt trekken en terugbracht. En tot u heeft Jahweh, uw God, gezegd: “Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van mijn volk Israël zijn!”
3Y vinieron todos los ancianos de Israel al rey en Hebrón, y David hizo con ellos alianza delante de Jehová; y ungieron á David por rey sobre Israel, conforme á la palabra de Jehová por mano de Samuel.
3Toen alle oudsten van Israël dus bij den koning in Hebron gekomen waren, sloot David met hen in Hebron een verbond voor het aanschijn van Jahweh, en werd David door hen tot koning over Israël gezalfd, juist zoals Jahweh door Samuël had voorspeld.
4Entonces se fué David con todo Israel á Jerusalem, la cual es Jebus; y allí era el Jebuseo habitador de aquella tierra.
4Nu trok David met heel Israël naar Jerusalem op, dat wil zeggen: Jeboes, waar de Jeboesieten woonden, de inheemse bevolking.
5Y los moradores de Jebus dijeron á David: No entrarás acá. Mas David tomó la fortaleza de Sión, que es la ciudad de David.
5De bewoners van Jeboes riepen tot David: Hier komt ge niet binnen! Maar David veroverde de Sionsvesting, de zogenaamde Davidstad.
6Y David había dicho: El que primero hiriere al Jebuseo, será cabeza y jefe. Entonces Joab hijo de Sarvia subió el primero, y fué hecho jefe.
6Bij die gelegenheid sprak David: Wie het eerst een Jeboesiet neerslaat, wordt opperste bevelhebber. En Joab was het, de zoon van Seroeja, die het eerst naar boven kroop, en bevelhebber werd.
7Y David habitó en la fortaleza, y por esto le llamaron la ciudad de David.
7Daarna vestigde David zich in de vesting, die hij Davidstad noemde,
8Y edificó la ciudad alrededor, desde Millo hasta la cerca: y Joab reparó el resto de la ciudad.
8en hij bouwde de stad in heel haar omvang van het Millo af tot aan het paleis. De rest van de stad werd door Joab gerestaureerd.
9Y David iba adelantando y creciendo, y Jehová de los ejércitos era con él.
9Zo werd David hoe langer hoe machtiger, daar Jahweh der heirscharen met hem was.
10Estos son los principales de los valientes que David tuvo, y los que le ayudaron en su reino, con todo Israel, para hacerle rey sobre Israel, conforme á la palabra de Jehová.
10Hier volgen de aanvoerders van Davids helden, die zich verdienstelijk maakten voor zijn heerschappij over heel Israël, en hem hielpen koning te worden van Israël, naar het woord van Jahweh.
11Y este es el número de los valientes que David tuvo: Jasobam hijo de Hachmoni, caudillo de los treinta, el cual blandió su lanza una vez contra trescientos, á los cuales mató.
11Hier volgt dus een op somming van Davids helden. Jasjobam, de zoon van Chakmoni, was de aanvoerder der Drie. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij in één keer versloeg.
12Tras de éste fué Eleazar hijo de Dodo, Ahohita, el cual era de los tres valientes.
12Na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, den Achochiet, ook een van de drie helden.
13Este estuvo con David en Pasdammin, estando allí juntos en batalla los Filisteos: y había allí una suerte de tierra llena de cebada, y huyendo el pueblo delante de los Filisteos,
13Hij bevond zich met David te Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar verzameld hadden voor de strijd. Na hem kwam Sjamma, de zoon van Age uit Harari. Eens, toen de Filistijnen zich voor de strijd te Lechi verzameld hadden, waar een stuk land was, geheel met gerst beplant, was het volk voor de Filistijnen op de vlucht geslagen;
14Pusiéronse ellos en medio de la haza, y la defendieron, y vencieron á los Filisteos; y favoreciólos Jehová con grande salvamento.
14maar hij ging midden op het veld staan en wist het te behouden, door de Filistijnen te verslaan. Zo verleende Jahweh hun een grote overwinning.
15Y tres de los treinta principales descendieron á la peña á David, á la cueva de Adullam, estando el campo de los Filisteos en el valle de Raphaim.
15Een andere keer daalden drie van de dertig aanvoerders af, en kwamen bij David in de spelonk van Adoellam, terwijl een bende Filistijnen in de vallei der Refaïeten gelegerd was.
16Y David estaba entonces en la fortaleza, y había á la sazón guarnición de Filisteos en Beth-lehem.
16David bevond zich toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden Betlehem bezet.
17David deseó entonces, y dijo: ¡Quién me diera á beber de las aguas del pozo de Beth-lehem, que está á la puerta!
17Toen nu David eens het verlangen te kennen gaf, of iemand hem water te drinken kon geven uit de bron bij de poort van Betlehem,
18Y aquellos tres rompieron por el campo de los Filisteos, y sacaron agua del pozo de Beth-lehem, que está á la puerta, y tomaron y trajéronla á David: mas él no la quiso beber, sino que la derramó á Jehová, y dijo:
18drongen de Drie door de legermacht der Filistijnen heen, putten water uit de bron bij de poort van Betlehem, namen het mee en brachten het bij David. Maar David wilde er niet van drinken, en goot het uit ter ere van Jahweh, terwijl hij uitriep:
19Guárdeme mi Dios de hacer esto: ¿había yo de beber la sangre de estos varones con sus vidas, que con peligro de sus vidas la han traído? Y no la quiso beber. Esto hicieron aquellos tres valientes.
19Bij Jahweh; ik denk er niet aan, zo iets te doen. Ik zou het bloed en het leven van die drie mensen drinken; want ze hebben hun leven gewaagd, om het mij te kunnen brengen! Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden.
20Y Abisai, hermano de Joab, era cabeza de los tres, el cual blandió su lanza sobre trescientos, á los cuales hirió; y fué entre los tres nombrado.
20Absjai, de broeder van Joab, was de aanvoerder van de Dertig. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij doodde. Hij was bekend bij de Drie,
21De los tres fué más ilustre que los otros dos, y fué el principal de ellos: mas no llegó á los tres primeros .
21en om twee feiten was hij beroemder dan de Dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de Drie kon hij niet op.
22Benaías hijo de Joiada, hijo de varón de esfuerzo, de grandes hechos, de Cabseel: él venció los dos leones de Moab: también descendió, é hirió un león en mitad de un foso en tiempo de nieve.
22Benaja, de zoon van Jehojada, was een dapper man uit Kabseël, met een uitstekende staat van dienst. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Ook doodde hij midden in een kuil een leeuw op een dag, dat er sneeuw lag.
23El mismo venció á un Egipcio, hombre de cinco codos de estatura: y el Egipcio traía una lanza como un enjullo de tejedor; mas él descendió á él con un bastón, y arrebató al Egipcio la lanza de la mano, y matólo con su misma lanza.
23Verder versloeg hij een Egyptenaar, een man van ongewone afmetingen, vijf el lang, die met een lans als een weversboom was gewapend; hij ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist, en stak hem met zijn eigen lans dood.
24Esto hizo Benaías hijo de Joiada, y fué nombrado entre los tres valientes.
24Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jehojada! Daardoor was hij bekend bij de Drie.
25Y fué el más honrado de los treinta, mas no llegó á los tres primeros . A éste puso David en su consejo.
25Maar ofschoon hij beroemder was dan de Dertig, tegen de Drie kon hij niet op! Hem stelde David over zijn lijfwacht aan.
26Y los valientes de los ejércitos: Asael hermano de Joab, y Elchânan hijo de Dodo de Beth-lehem;
26Tenslotte de helden: Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem;
27Samoth de Arori, Helles Pelonita;
27Sjammot uit Harar; Chéles uit Bet-Pélet;
28Ira hijo de Acces Tecoita, Abiezer Anathothita;
28Ira, de zoon van Ikkesj uit Tekóa; Abiézer uit Anatot;
29Sibbecai Husatita, Ilai Ahohita;
29Sibbekai uit Choesja; Ilai uit Achoch;
30Maharai Nethophathita, Heled hijo de Baana Nethophathita;
30Maharai uit Netófa; Chéled, de zoon van Baäna uit Netófa;
31Ithai hijo de Ribai de Gabaath de los hijos de Benjamín, Benaías Phirathita;
31Itai, de zoon van Ribai uit Géba der Benjamieten; Benaja uit Piraton;
32Hurai del río Gaas, Abiel Arbathonita;
32Choerai uit Nachale-Gáasj; Abiël uit Araba;
33Azmaveth Baharumita, Eliaba Saalbonita;
33Azmáwet uit Bachoerim; Eljachba uit Sjaälbon;
34Los hijos de Asem Gizonita, Jonathán hijo de Sajé Hararita;
34Hasjem uit Gizo: Jonatan, de zoon van Sjage uit Harar;
35Ahiam hijo de Sachâr Ararita, Eliphal hijo de Ur;
35Achiam, de zoon van Sakar uit Harar; Elifal, de zoon van Oer;
36Hepher Mechêrathita, Ahía Phelonita;
36Chéfer uit Mekera; Achi-ja uit Gilo;
37Hesro Carmelita, Nahari hijo de Ezbai;
37Chesro uit Karmel; Naärai, de zoon van Ezbai;
38Joel hermano de Nathán, Mibhar hijo de Agrai;
38Joël, de broer van Natan; Mibchar, de zoon van Hagri;
39Selec Ammonita, Naarai Berothita, escudero de Joab hijo de Sarvia;
39Sélek, de Ammoniet; Nacharai uit Berota, de wapendrager van Joab, den zoon van Seroeja;
40Ira Ithreo, Yared Ithreo;
40Ira uit Jéter; Gareb uit Jéter;
41Uría Hetheo, Zabad hijo de Ahli;
41Oeri-ja de Chittiet; Zabad, de zoon van Achlai;
42Adina hijo de Siza Rubenita, príncipe de los Rubenitas, y con él treinta;
42Adina, de zoon van Sjiza van de stam Ruben, de aanvoerder der Rubenieten, met dertig man;
43Hanán hijo de Maachâ, y Josaphat Mithnita;
43Chanan, de zoon van Maäka; Josjafat uit Mitna;
44Uzzías Astarothita, Samma y Jehiel hijos de Hotham Arorita;
44Oezzi-ja uit Asjtarot; Sjama en Jeïël, zonen van Chotam uit Aroër;
45Jediael hijo de Simri, y Joha su hermano, Thisaita;
45Jediaël, de zoon van Sjimri; Jocha, zijn broer uit Tisi;
46Eliel de Mahaví, Jeribai y Josabia hijos de Elnaam, é Ithma Moabita;
46Eliël uit Machawa; Jeribai en Josjawja, zonen van Elnáam; Jitma de Moabiet;
47Eliel, y Obed, y Jaasiel de Mesobia.
47Eliël, Obed en Jaäsiël, uit Soba.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.