1 Crónicas 6
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1LOS hijos de Leví: Gersón, Coath, y Merari.
1De zonen van Levi waren: Gersjon, Kehat en Merari.
2Los hijos de Coath: Amram, Ishar, Hebrón y Uzziel.
2De zonen van Kehat waren: Amram, Jishar, Chebron en Oezziël.
3Los hijos de Amram: Aarón, Moisés, y Mariam. Los hijos de Aarón: Nadab, Abiú, Eleazar, é Ithamar.
3De kinderen van Amram waren: Aäron, Moses en Mirjam. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
4Eleazar engendró á Phinees, y Phinees engendró á Abisua:
4Elazar verwekte Pinechas; Pinechas verwekte Abisjóea;
5Y Abisua engendró á Bucci, y Bucci engendró á Uzzi;
5Abisjóea verwekte Boekki; Boekki verwekte Oezzi;
6Y Uzzi engendró á Zeraías, y Zeraías engendró á Meraioth;
6Oezzi verwekte Zerachja; Zerachja verwekte Merajot;
7Y Meraioth engendró á Amarías, y Amarías engendró á Achîtob;
7Merajot verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
8Y Achîtob engendró á Sadoc, y Sadoc engendró á Achîmaas;
8Achitoeb verwekte Sadok: Sadok verwekte Achimáas;
9Y Achîmaas engendró á Azarías, y Azarías engendró á Johanan;
9Achimáas verwekte Azarja; Azarja verwekte Jochanan;
10Y Johanan engendró á Azarías, el que tuvo el sacerdocio en la casa que Salomón edificó en Jerusalem;
10Jochanan verwekte Azarja. Deze laatste was priester in de tempel, die Salomon te Jerusalem bouwde.
11Y Azarías engendró á Amarías, y Amarías engendró á Achîtob;
11Azarja verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
12Y Achîtob engendró á Sadoc, y Sadoc engendró á Sallum;
12Achitoeb verwekte Sadok; Sadok verwekte Sjalloem;
13Y Sallum engendró á Hilcías, é Hilcías engendró á Azarías;
13Sjalloem verwekte Chilki-ja; Chilki-ja verwekte Azarja;
14Y Azarías engendró á Seraíah, y Seraíah engendró á Josadec.
14Azarja verwekte Seraja; Seraja verwekte Jehosadak.
15Y Josadec fué cautivo cuando Jehová trasportó á Judá y á Jerusalem por mano de Nabucodonosor.
15Jehosadak trad af, toen Jahweh Juda en Jerusalem door Nabukodonosor in ballingschap liet wegvoeren.
16Los hijos de Leví: Gersón, Coath, y Merari.
16De zonen van Levi waren dus Gersjon, Kehat en Merari.
17Y estos son los nombres de los hijos de Gersón: Libni, y Simi.
17De zonen van Gersjon heetten Libni en Sjimi;
18Los hijos de Coath: Amram, Ishar, Hebrón, y Uzziel.
18die van Kehat heetten Amram, Jishar, Chebron en Oezziël;
19Los hijos de Merari: Mahali, y Musi. Estas son las familias de Leví, según sus descendencias.
19die van Merari heetten Machli en Moesji. Hier volgen de verschillende geslachten der Levieten naar hun families:
20Gersón: Libni su hijo, Joath su hijo, Zimma su hijo,
20De zoon van Gersjon was Libni; die van Libni was Jáchat; die van Jáchat was Zimma;
21Joab su hijo, Iddo su hijo, Zera su hijo, Jeothrai su hijo.
21die van Zimma was Joach; die van Joach was Iddo; die van Iddo was Zérach; die van Zérach was Jeaterai.
22Los hijos de Coath: Aminadab su hijo, Coré su hijo, Asir su hijo,
22De zonen van Kehat waren: zijn eigen zoon was Amminadab; de zoon van Amminadab was Kórach; die van Kórach was Assir;
23Elcana su hijo, Abiasaph su hijo, Asir su hijo,
23die van Assir was Elkana; die van Elkana was Ebjasaf; die van Ebjasaf was Assir;
24Thahath su hijo, Uriel su hijo, Uzzia su hijo, y Saúl su hijo.
24die van Assir was Táchat; die van Táchat was Oeriël; die van Oeriël was Oezzi-ja; die van Oezzi-ja was Sjaoel.
25Los hijos de Elcana: Amasai, Achîmoth, y Elcana.
25De zonen van Elkana waren: Amasai, Achimot
26Los hijos de Elcana: Sophai su hijo, Nahath su hijo,
26en Elkana. De zonen van dezen laatsten Elkana waren: zijn eigen zoon was Sofai; de zoon van Sofai was Náchat;
27Eliab su hijo, Jeroham su hijo, Elcana su hijo.
27die van Náchat was Eliab; die van Eliab was Jerocham; die van Jerocham was Elkana.
28Los hijos de Samuel: el primogénito Vasni, y Abías.
28De zonen van Samuël waren: Joël, de oudste, en Abi-ja, de tweede.
29Los hijos de Merari: Mahali, Libni su hijo, Simi su hijo, Uzza su hijo,
29De zonen van Merari waren: zijn eigen zoon was Machli; de zoon van Machli was Libni; die van Libni was Sjimi; die van Sjimi was Oezza;
30Sima su hijo, Haggía su hijo, Assía su hijo.
30die van Oezza was Sjima; die van Sjima was Chaggi-ja; die van Chaggi-ja was Asaja.
31Y estos son á los que David dió cargo de las cosas de la música de la casa de Jehová, después que el arca tuvo reposo:
31Hier volgen degenen, die door David belast waren met de verzorging van de muziek in het huis van Jahweh als de ark daar geplaatst zou zijn.
32Los cuales servían delante de la tienda del tabernáculo del testimonio en cantares, hasta que Salomón edificó la casa de Jehová en Jerusalem: después estuvieron en su ministerio según su costumbre.
32Ze verzorgden de muziek voor de tabernakel van de openbaringstent, totdat Salomon in Jerusalem de tempel van Jahweh zou hebben gebouwd, en ze hun dienst volgens voorschrift zouden kunnen volbrengen.
33Estos pues con sus hijos asistían: de los hijos de Coath, Hemán cantor, hijo de Joel, hijo de Samuel;
33Dit waren dan de dienstdoenden met hun zonen: Van de Kehatieten was het: Heman de zanger, de zoon van Joël, den zoon van Samuël,
34Hijo de Elcana, hijo de Jeroham, hijo de Eliel, hijo de Thoa;
34zoon van Elkana, zoon van Jerocham, zoon van Eliël, zoon van Tóach,
35Hijo de Suph, hijo de Elcana, hijo Mahath, hijo de Amasai;
35zoon van Soef, zoon van Elkana, zoon van Machat, zoon van Amasai,
36Hijo de Elcana, hijo de Joel, hijo de Azarías, hijo de Sophonías;
36zoon van Elkana, zoon van Joël, zoon van Azarja, zoon van Sefanja,
37Hijo de Thahat, hijo de Asir, hijo de Abiasaph, hijo de Core;
37zoon van Táchat, zoon van Assir, zoon van Ebjasaf, zoon van Kórach,
38Hijo de Ishar, hijo de Coath, hijo de Leví, hijo de Israel.
38zoon van Jishar, zoon van Kehat, zoon van Levi, zoon van Israël.
39Y su hermano Asaph, el cual estaba á su mano derecha: Asaph, hijo de Berachîas, hijo de Sima;
39Zijn ambtgenoot, die aan zijn rechterhand stond, was een Gersjoniet, namelijk Asaf. Deze was de zoon van Berekjáhoe, den zoon van Sjima,
40Hijo de Michâel, hijo de Baasías, hijo de Malchîas;
40zoon van Mikaël, zoon van Baäseja, zoon van Malki-ja,
41Hijo de Athanai, hijo de Zera, hijo de Adaia;
41zoon van Etni, zoon van Zérach, zoon van Adaja,
42Hijo de Ethán, hijo de Zimma, hijo de Simi;
42zoon van Etan, zoon van Zimma, zoon van Sjimi,
43Hijo de Jahat, hijo de Gersón, hijo de Leví.
43zoon van Jáchat, zoon van Gersjon, zoon van Levi.
44Mas los hijos de Merari sus hermanos estaban á la mano siniestra, es á saber , Ethán hijo de Chîsi, hijo de Abdi, hijo de Maluch;
44Zijn ambtgenoot, die aan zijn linkerhand stond, was een Merariet, namelijk Etan. Deze was de zoon van Kisji, den zoon van Abdi zoon van Malloek,
45Hijo de Hasabías, hijo de Amasías, hijo de Hilcías;
45zoon van Chasjabja, zoon van Amas-ja, zoon van Chilki-ja,
46Hijo de Amasai, hijo de Bani, hijo de Semer;
46zoon van Amsi, zoon van Bani, zoon van Sjémer,
47Hijo de Mahali, hijo de Musi, hijo de Merari, hijo de Leví.
47zoon van Machli, zoon van Moesji, zoon van Merari, zoon van Levi.
48Y sus hermanos los Levitas fueron puestos sobre todo el ministerio del tabernáculo de la casa de Dios.
48De levieten, hun ambtgenoten, waren belast met allerlei diensten in de tabernakel van het Godshuis.
49Mas Aarón y sus hijos ofrecían perfume sobre el altar del holocausto, y sobre el altar del perfume, en toda la obra del lugar santísimo, y para hacer las expiaciones sobre Israel, conforme á todo lo que Moisés siervo de Dios había mandado.
49Maar Aäron met zijn zonen waren belast met de offerdienst op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar, met allerlei plichten in het Allerheiligste, en moesten verzoening voor Israël bewerken, juist zoals Moses, de dienaar van God, het had voorgeschreven.
50Y los hijos de Aarón son estos: Eleazar su hijo, Phinees su hijo, Abisua su hijo;
50Hier volgen de afstammelingen van Aäron. Zijn eigen zoon was Elazar; die van Elazar was Pinechas; die van Pinechas was Abisjóea;
51Bucci su hijo, Uzzi su hijo, Zeraías su hijo;
51die van Abisjóea was Boekki; die van Boekki was Oezzi; die van Oezzi was Zerachja;
52Meraioth su hijo, Amarías su hijo, Achîtob su hijo;
52die van Zerachja was Merajot; die van Merajot was Amarja; die van Amarja was Achitoeb;
53Sadoc su hijo, Achîmaas su hijo.
53die van Achitoeb was Sadok; die van Sadok was Achimáas.
54Y estas son sus habitaciones, conforme á sus domicilios y sus términos, las de los hijos de Aarón por las familias de los Coathitas, porque de ellos fué la suerte:
54En dit waren hun woonplaatsen met hun kampementen op hun grondgebied. Aan de zonen van Aäron, een der geslachten der Kehatieten, voor wie het eerste lot was gevallen,
55Les dieron pues á Hebrón en tierra de Judá, y sus ejidos alrededor de ella.
55gaf men Hebron in het land Juda, met de omliggende weidegronden.
56Mas el territorio de la ciudad y sus aldeas se dieron á Caleb, hijo de Jephone.
56Het akkerland van die stad en haar dorpen had men reeds aan Kaleb, den zoon van Jefoenne, in eigendom gegeven.
57Y á los hijos de Aarón dieron las ciudades de Judá de acogimiento, es á saber , á Hebrón, y á Libna con sus ejidos;
57Aan de zonen van Aäron gaf men dus de vrijstad Hebron; daarenboven Libna, Jattir, Esjtemóa,
58A Jathir, y Esthemoa con sus ejidos, y á Hilem con sus ejidos, y á Debir con sus ejidos;
58Cholon, Debir,
59A Asán con sus ejidos, y á Beth-semes con sus ejidos:
59Asjan en Bet-Sjémesj, alle met bijbehorende weidegronden.
60Y de la tribu de Benjamín, á Geba con sus ejidos, y á Alemeth con sus ejidos, y á Anathoth con sus ejidos. Todas sus ciudades fueron trece ciudades, repartidas por sus linajes.
60Uit de stam Benjamin: Géba, Alémet en Anatot, elk met zijn weidegronden. In het geheel dus dertien steden met haar bijbehorende weidegronden.
61A los hijos de Coath, que quedaron de su parentela, dieron diez ciudades de la media tribu de Manasés por suerte.
61Onder de overige geslachten der Kehatieten werden tien steden verloot uit de stammen Efraïm, Dan en de helft van Manasse.
62Y á los hijos de Gersón, por sus linajes, dieron de la tribu de Issachâr, y de la tribu de Aser, y de la tribu de Nephtalí, y de la tribu de Manasés en Basán, trece ciudades.
62De geslachten der Gersjonieten kregen uit de stammen Issakar, Aser, Neftali en Manasse dertien steden in Basjan.
63Y á los hijos de Merari, por sus linajes, de la tribu de Rubén, y de la tribu de Gad, y de la tribu de Zabulón, se dieron por suerte doce ciudades.
63Onder de geslachten der Merarieten werden twaalf steden verloot uit de stammen Ruben, Gat en Zabulon.
64Y dieron los hijos de Israel á los Levitas ciudades con sus ejidos.
64Dit waren dus de steden met bijbehorende weidegronden, welke de levieten van de Israëlieten hebben gekregen.
65Y dieron por suerte de la tribu de los hijos de Judá, y de la tribu de los hijos de Simeón, y de la tribu de los hijos de Benjamín, las ciudades que nombraron por sus nombres.
65Uit de stammen der Judeërs, Simeonieten en Benjamieten waren bovengenoemde steden verloot.
66Y á los linajes de los hijos de Coath dieron ciudades con sus términos de la tribu de Ephraim.
66Aan de geslachten der Kehatieten werden door het lot de volgende steden toegewezen: Uit de stam Efraïm
67Y diéronles las ciudades de acogimiento, á Sichêm con sus ejidos en el monte de Ephraim, y á Gezer con sus ejidos,
67kregen ze de vrijstad Sikem op het Efraïmgebergte, met Gézer,
68Y á Jocmeam con sus ejidos, y á Beth-oron con sus ejidos,
68Jokmeam, Bet-Choron,
69Y á Ajalón con sus ejidos, y á Gath-rimmón con sus ejidos.
69Ajjalon en Gat-Rimmon, alle met bijbehorende weidegronden.
70De la media tribu de Manasés, á Aner con sus ejidos, y á Bilam con sus ejidos, para los del linaje de los hijos de Coath que habían quedado.
70Uit de halve stam van Manasse waren Aner en Bilam, met bijbehorende weidegronden voor de overige geslachten der Kehatieten bestemd.
71Y á los hijos de Gersón dieron de la familia de la media tribu de Manasés, á Golan en Basán con sus ejidos y á Astharoth con sus ejidos;
71Aan de geslachten der Gersjonieten werden toegewezen: Uit de ene helft van de stam Manasse: Golan in Basjan, en Asjtarot, met bijbehorende weidegronden.
72Y de la tribu de Issachâr, á Cedes con sus ejidos, á Dobrath con sus ejidos,
72Uit de stam Issakar: Kédes, Daberat,
73Y á Ramoth con sus ejidos, y á Anem con sus ejidos;
73Ramot en Anem, met bijbehorende weidegronden.
74Y de la tribu de Aser, á Masal con sus ejidos, y á Abdón con sus ejidos,
74Uit de stam Aser: Masjal, Abdon,
75Y á Ucoc con sus ejidos, y á Rehob con sus ejidos;
75Choekok en Rechob, met bijbehorende weidegronden.
76Y de la tribu de Nephtalí, á Cedes en Galilea con sus ejidos, y á Ammón con sus ejidos, á Chîriath-jearim con sus ejidos.
76Uit de stam Neftali: Kédesj in Galilea, Chammon en Kirjatáim, met bijbehorende weidegronden.
77Y á los hijos de Merari que habían quedado, dieron de la tribu de Zabulón á Rimmono con sus ejidos, y á Thabor con sus ejidos;
77Aan de overige levieten, de Merarieten, werden toegewezen uit de stam Zabulon: Rimmon en Tabor, met bijbehorende weidegronden.
78Y de la otra parte del Jordán de Jericó, al oriente del Jordán, dieron , de la tribu de Rubén, á Beser en el desierto con sus ejidos; y á Jasa con sus ejidos,
78In het Overjordaanse, tegenover Jericho oostelijk van de Jordaan, kregen ze uit de stam Ruben: Béser in de woestijn, Jahsa,
79Y á Chêdemoth con sus ejidos, y á Mephaath con sus ejidos;
79Kedemot en Mefáat, met bijbehorende weidegronden.
80Y de la tribu de Gad, á Ramot en Galaad con sus ejidos, y á Mahanaim con sus ejidos,
80Uit de stam Gad: Ramot in Gilad, Machanáim,
81Y á Hesbón con sus ejidos, y á Jacer con sus ejidos.
81Chesjbon en Jazer, met bijbehorende weidegronden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.