1. Chonik
Chapter 6
Lutherbibel 1912
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1. Chonik 6

Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[5:27] Die Kinder Levis waren: Gerson, Kahath und Merari.
1De zonen van Levi waren: Gersjon, Kehat en Merari.
2[5:28] Die Kinder aber Kahaths waren: Amram, Jizhar, Hebron und Usiel.
2De zonen van Kehat waren: Amram, Jishar, Chebron en Oezziël.
3[5:29] Die Kinder Amrams waren: Aaron, Mose und Mirjam. Die Kinder Aaron waren Nadab, Abihu, Eleasar und Ithamar.
3De kinderen van Amram waren: Aäron, Moses en Mirjam. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
4[5:30] Eleasar zeugte Pinehas. Pinehas zeugte Abisua.
4Elazar verwekte Pinechas; Pinechas verwekte Abisjóea;
5[5:31] Abisua zeugte Bukki. Bukki zeugte Usi.
5Abisjóea verwekte Boekki; Boekki verwekte Oezzi;
6[5:32] Usi zeugte Serahja. Serahja zeugte Merajoth.
6Oezzi verwekte Zerachja; Zerachja verwekte Merajot;
7[5:33] Merajoth zeugte Amarja. Amarja zeugte Ahitob.
7Merajot verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
8[5:34] Ahitob zeugte Zadok. Zadok zeugte Ahimaaz.
8Achitoeb verwekte Sadok: Sadok verwekte Achimáas;
9[5:35] Ahimaaz zeugte Asarja. Asarja zeugte Johanan.
9Achimáas verwekte Azarja; Azarja verwekte Jochanan;
10[5:36] Johanan zeugte Asarja, den, der Priester war in dem Hause, das Salomo baute zu Jerusalem.
10Jochanan verwekte Azarja. Deze laatste was priester in de tempel, die Salomon te Jerusalem bouwde.
11[5:37] Asarja zeugte Amarja. Amarja zeugte Ahitob.
11Azarja verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
12[5:38] Ahitob zeugte Zadok. Zadok zeugte Sallum.
12Achitoeb verwekte Sadok; Sadok verwekte Sjalloem;
13[5:39] Sallum zeugte Hilkia. Hilkia zeugte Asarja.
13Sjalloem verwekte Chilki-ja; Chilki-ja verwekte Azarja;
14[5:40] Asarja zeugte Seraja. Seraja zeugte Jozadak.
14Azarja verwekte Seraja; Seraja verwekte Jehosadak.
15[5:41] Jozadak aber ward mit weggeführt, da der HERR Juda und Jerusalem durch Nebukadnezar ließ gefangen wegführen.
15Jehosadak trad af, toen Jahweh Juda en Jerusalem door Nabukodonosor in ballingschap liet wegvoeren.
16[6:1] So sind nun die Kinder Levis diese: Gerson, Kahath, Merari.
16De zonen van Levi waren dus Gersjon, Kehat en Merari.
17So heißen aber die Kinder Gersons: Libni und Simei.
17De zonen van Gersjon heetten Libni en Sjimi;
18Aber die Kinder Kahaths heißen: Amram, Jizhar, Hebron und Usiel.
18die van Kehat heetten Amram, Jishar, Chebron en Oezziël;
19Die Kinder Meraris heißen: Maheli und Musi. Das sind die Geschlechter der Leviten nach ihren Vaterhäusern.
19die van Merari heetten Machli en Moesji. Hier volgen de verschillende geslachten der Levieten naar hun families:
20Gerson Sohn war Libni; des Sohn war Jahath; des Sohn war Simma;
20De zoon van Gersjon was Libni; die van Libni was Jáchat; die van Jáchat was Zimma;
21des Sohn war Joah; des Sohn war Iddo; des Sohn war Serah; des Sohn war Jeathrai.
21die van Zimma was Joach; die van Joach was Iddo; die van Iddo was Zérach; die van Zérach was Jeaterai.
22Kahaths Sohn aber war Aminadab; des Sohn war Korah; des Sohn war Assir;
22De zonen van Kehat waren: zijn eigen zoon was Amminadab; de zoon van Amminadab was Kórach; die van Kórach was Assir;
23des Sohn war Elkana; des Sohn war Abiasaph; des Sohn war Assir;
23die van Assir was Elkana; die van Elkana was Ebjasaf; die van Ebjasaf was Assir;
24des Sohn war Thahat; des Sohn war Uriel; des Sohn war Usia; des Sohn war Saul.
24die van Assir was Táchat; die van Táchat was Oeriël; die van Oeriël was Oezzi-ja; die van Oezzi-ja was Sjaoel.
25Die Kinder Elkanas waren: Amasai und Ahimoth;
25De zonen van Elkana waren: Amasai, Achimot
26des Sohn war Elkana; des Sohn war Elkana von Zoph; des Sohn war Nahath;
26en Elkana. De zonen van dezen laatsten Elkana waren: zijn eigen zoon was Sofai; de zoon van Sofai was Náchat;
27des Sohn war Eliab; des Sohn war Jeroham; des Sohn war Elkana.
27die van Náchat was Eliab; die van Eliab was Jerocham; die van Jerocham was Elkana.
28Und die Kinder Samuels waren: der Erstgeborene Vasni und Abia.
28De zonen van Samuël waren: Joël, de oudste, en Abi-ja, de tweede.
29Meraris Sohn war Maheli; des Sohn war Libni; des Sohn war Simei; des Sohn war Usa;
29De zonen van Merari waren: zijn eigen zoon was Machli; de zoon van Machli was Libni; die van Libni was Sjimi; die van Sjimi was Oezza;
30des Sohn war Simea; des Sohn war Haggia; des Sohn war Asaja.
30die van Oezza was Sjima; die van Sjima was Chaggi-ja; die van Chaggi-ja was Asaja.
31Dies sind aber, die David bestellte, zu singen im Hause des HERRN, als die Lade des Bundes zur Ruhe gekommen war;
31Hier volgen degenen, die door David belast waren met de verzorging van de muziek in het huis van Jahweh als de ark daar geplaatst zou zijn.
32und sie dienten vor der Wohnung der Hütte des Stifts mit Singen, bis daß Salomo das Haus des HERRN baute zu Jerusalem, und standen nach ihrer Weise in ihrem Amt.
32Ze verzorgden de muziek voor de tabernakel van de openbaringstent, totdat Salomon in Jerusalem de tempel van Jahweh zou hebben gebouwd, en ze hun dienst volgens voorschrift zouden kunnen volbrengen.
33Und dies sind sie, die da standen, und ihre Kinder: Von den Kindern Kahaths war Heman, der Sänger, der Sohn Joels, des Sohnes Samuel;
33Dit waren dan de dienstdoenden met hun zonen: Van de Kehatieten was het: Heman de zanger, de zoon van Joël, den zoon van Samuël,
34des Sohnes Elkanas, des Sohnes Jerohams, des Sohnes Eliels, des Sohnes Thoahs,
34zoon van Elkana, zoon van Jerocham, zoon van Eliël, zoon van Tóach,
35des Sohnes Zuphs, des Sohnes Elkanas, des Sohnes Mahaths, des Sohnes Amasais,
35zoon van Soef, zoon van Elkana, zoon van Machat, zoon van Amasai,
36des Sohnes Elkanas, des Sohnes Joels, des Sohnes Asarjas, des Sohnes Zephanjas,
36zoon van Elkana, zoon van Joël, zoon van Azarja, zoon van Sefanja,
37des Sohnes Thahaths, des Sohnes Assirs, des Sohnes Abiasaphs, des Sohnes Korahs,
37zoon van Táchat, zoon van Assir, zoon van Ebjasaf, zoon van Kórach,
38des Sohnes Jizhars, des Sohnes Kahaths, des Sohnes Levis, des Sohnes Israels.
38zoon van Jishar, zoon van Kehat, zoon van Levi, zoon van Israël.
39Und sein Bruder Asaph stand zu seiner Rechten. Und er, der Asaph, war ein Sohn Berechjas, des Sohnes Simeas,
39Zijn ambtgenoot, die aan zijn rechterhand stond, was een Gersjoniet, namelijk Asaf. Deze was de zoon van Berekjáhoe, den zoon van Sjima,
40des Sohnes Michaels, des Sohnes Baesejas, des Sohnes Malchias,
40zoon van Mikaël, zoon van Baäseja, zoon van Malki-ja,
41des Sohnes Athnis, des Sohnes Serahs, des Sohnes Adajas,
41zoon van Etni, zoon van Zérach, zoon van Adaja,
42des Sohnes Ethans, des Sohnes Simmas, des Sohnes Simeis,
42zoon van Etan, zoon van Zimma, zoon van Sjimi,
43des Sohnes Jahats, des Sohnes Gersons, des Sohnes Levis.
43zoon van Jáchat, zoon van Gersjon, zoon van Levi.
44Ihre Brüder aber, die Kinder Meraris, standen zur Linken: nämlich Ethan, der Sohn Kusis, des Sohnes Abdis, des Sohnes Malluchs,
44Zijn ambtgenoot, die aan zijn linkerhand stond, was een Merariet, namelijk Etan. Deze was de zoon van Kisji, den zoon van Abdi zoon van Malloek,
45des Sohnes Hasabjas, des Sohnes Amazjas, des Sohnes Hilkias,
45zoon van Chasjabja, zoon van Amas-ja, zoon van Chilki-ja,
46des Sohnes Amzis, des Sohnes Banis, des Sohnes Semers,
46zoon van Amsi, zoon van Bani, zoon van Sjémer,
47des Sohnes Mahelis, des Sohnes Musis, des Sohnes Meraris, des Sohnes Levis.
47zoon van Machli, zoon van Moesji, zoon van Merari, zoon van Levi.
48Ihre Brüder aber, die Leviten, waren gegeben zu allerlei Amt an der Wohnung des Hauses Gottes.
48De levieten, hun ambtgenoten, waren belast met allerlei diensten in de tabernakel van het Godshuis.
49Aaron aber und seine Söhne waren im Amt, anzuzünden auf dem Brandopferaltar und auf dem Räucheraltar und zu allem Geschäft im Allerheiligsten und zu versöhnen Israel, wie Mose, der Knecht Gottes, geboten hatte.
49Maar Aäron met zijn zonen waren belast met de offerdienst op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar, met allerlei plichten in het Allerheiligste, en moesten verzoening voor Israël bewerken, juist zoals Moses, de dienaar van God, het had voorgeschreven.
50Dies sind aber die Kinder Aarons: Eleasar, sein Sohn: des Sohn war Pinehas; des Sohn war Abisua;
50Hier volgen de afstammelingen van Aäron. Zijn eigen zoon was Elazar; die van Elazar was Pinechas; die van Pinechas was Abisjóea;
51des Sohn war Bukki, des Sohn war Usi; des Sohn war Serahja;
51die van Abisjóea was Boekki; die van Boekki was Oezzi; die van Oezzi was Zerachja;
52des Sohn war Merajoth; des Sohn war Amarja; des Sohn war Ahitob;
52die van Zerachja was Merajot; die van Merajot was Amarja; die van Amarja was Achitoeb;
53des Sohn war Zadok; des Sohn war Ahimaaz.
53die van Achitoeb was Sadok; die van Sadok was Achimáas.
54Und dies ist ihre Wohnung und Sitz in ihren Grenzen, nämlich der Kinder Aaron, des Geschlechts der Kahathiter; denn das Los fiel ihnen zu,
54En dit waren hun woonplaatsen met hun kampementen op hun grondgebied. Aan de zonen van Aäron, een der geslachten der Kehatieten, voor wie het eerste lot was gevallen,
55und sie gaben ihnen Hebron im Lande Juda und desselben Vorstädte umher.
55gaf men Hebron in het land Juda, met de omliggende weidegronden.
56Aber das Feld der Stadt und ihre Dörfer gaben sie Kaleb, dem Sohn Jephunnes.
56Het akkerland van die stad en haar dorpen had men reeds aan Kaleb, den zoon van Jefoenne, in eigendom gegeven.
57So gaben sie nun den Kinder Aaron die Freistädte Hebron und Libna samt ihren Vorstädten, Jatthir und Esthemoa mit ihren Vorstädten.
57Aan de zonen van Aäron gaf men dus de vrijstad Hebron; daarenboven Libna, Jattir, Esjtemóa,
58Hilen, Debir,
58Cholon, Debir,
59Asan und Beth-Semes mit ihren Vorstädten;
59Asjan en Bet-Sjémesj, alle met bijbehorende weidegronden.
60und aus dem Stamm Benjamin: Geba, Alemeth und Anathoth mit ihren Vorstädten, daß aller Städte in ihren Geschlechtern waren dreizehn.
60Uit de stam Benjamin: Géba, Alémet en Anatot, elk met zijn weidegronden. In het geheel dus dertien steden met haar bijbehorende weidegronden.
61Aber den Kindern Kahaths nach ihren Geschlechtern wurden durch Los aus dem Stamm Ephraim, aus dem Stamm Dan und aus dem halben Stamm Manasse zehn Städte.
61Onder de overige geslachten der Kehatieten werden tien steden verloot uit de stammen Efraïm, Dan en de helft van Manasse.
62Den Kindern Gerson nach ihren Geschlechtern wurden aus dem Stamm Isaschar und aus dem Stamm Asser und aus dem Stamm Naphthali und aus dem Stamm Manasse in Basan dreizehn Städte.
62De geslachten der Gersjonieten kregen uit de stammen Issakar, Aser, Neftali en Manasse dertien steden in Basjan.
63Den Kindern Merari nach ihren Geschlechtern wurden durch das Los aus dem Stamm Ruben und aus dem Stamm Gad und aus dem Stamm Sebulon zwölf Städte.
63Onder de geslachten der Merarieten werden twaalf steden verloot uit de stammen Ruben, Gat en Zabulon.
64Und die Kinder Israel gaben den Leviten die Städte mit ihren Vorstädten,
64Dit waren dus de steden met bijbehorende weidegronden, welke de levieten van de Israëlieten hebben gekregen.
65nämlich durchs Los aus dem Stamm der Kinder Juda und aus dem Stamm der Kinder Simeon und aus dem Stamm der Kinder Benjamin die Städte, die sie mit Namen bestimmten.
65Uit de stammen der Judeërs, Simeonieten en Benjamieten waren bovengenoemde steden verloot.
66Aber den Geschlechtern der Kinder Kahath wurden Städte ihres Gebietes aus dem Stamm Ephraim.
66Aan de geslachten der Kehatieten werden door het lot de volgende steden toegewezen: Uit de stam Efraïm
67So gaben sie nun ihnen, dem Geschlecht der andern Kinder Kahath, die Freistädte: Sichem auf dem Gebirge Ephraim, Geser,
67kregen ze de vrijstad Sikem op het Efraïmgebergte, met Gézer,
68Jokmeam, Beth-Horon,
68Jokmeam, Bet-Choron,
69Ajalon und Gath-Rimmon mit ihren Vorstädten.
69Ajjalon en Gat-Rimmon, alle met bijbehorende weidegronden.
70Dazu aus dem halben Stamm Manasse: Aner und Bileam mit ihren Vorstädten.
70Uit de halve stam van Manasse waren Aner en Bilam, met bijbehorende weidegronden voor de overige geslachten der Kehatieten bestemd.
71Aber den Kindern Gerson gaben sie aus dem Geschlecht des halben Stammes Manasse: Golan in Basan und Astharoth mit ihren Vorstädten.
71Aan de geslachten der Gersjonieten werden toegewezen: Uit de ene helft van de stam Manasse: Golan in Basjan, en Asjtarot, met bijbehorende weidegronden.
72Aus dem Stamm Isaschar: Kedes, Dabrath,
72Uit de stam Issakar: Kédes, Daberat,
73Ramoth und Anem mit ihren Vorstädten.
73Ramot en Anem, met bijbehorende weidegronden.
74Aus dem Stamm Asser: Masal, Abdon,
74Uit de stam Aser: Masjal, Abdon,
75Hukok und Rehob mit ihren Vorstädten.
75Choekok en Rechob, met bijbehorende weidegronden.
76Aus dem Stamm Naphthali: Kedes in Galiläa, Hammon und Kirjathaim mit ihren Vorstädten.
76Uit de stam Neftali: Kédesj in Galilea, Chammon en Kirjatáim, met bijbehorende weidegronden.
77Den andern Kindern Merari gaben sie aus dem Stamm Sebulon: Rimmono und Thabor mit ihren Vorstädten;
77Aan de overige levieten, de Merarieten, werden toegewezen uit de stam Zabulon: Rimmon en Tabor, met bijbehorende weidegronden.
78und jenseit des Jordans gegenüber Jericho, gegen der Sonne Aufgang am Jordan, aus dem Stamm Ruben: Bezer in der Wüste, Jahza,
78In het Overjordaanse, tegenover Jericho oostelijk van de Jordaan, kregen ze uit de stam Ruben: Béser in de woestijn, Jahsa,
79Kedemoth und Mephaat mit ihren Vorstädten.
79Kedemot en Mefáat, met bijbehorende weidegronden.
80Aus dem Stamm Gad: Ramoth in Gilead, Mahanaim,
80Uit de stam Gad: Ramot in Gilad, Machanáim,
81Hesbon und Jaser mit ihren Vorstädten.
81Chesjbon en Jazer, met bijbehorende weidegronden.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.