1 דִּבְרֵי הַיָּמִים

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 6

1 דִּבְרֵי הַיָּמִים

Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 דִּבְרֵי הַיָּמִים 6

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1בני לוי גרשון קהת ומררי׃
1De zonen van Levi waren: Gersjon, Kehat en Merari.
2ובני קהת עמרם יצהר וחברון ועזיאל׃
2De zonen van Kehat waren: Amram, Jishar, Chebron en Oezziël.
3ובני עמרם אהרן ומשה ומרים ובני אהרן נדב ואביהוא אלעזר ואיתמר׃
3De kinderen van Amram waren: Aäron, Moses en Mirjam. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
4אלעזר הוליד את פינחס פינחס הליד את אבישוע׃
4Elazar verwekte Pinechas; Pinechas verwekte Abisjóea;
5ואבישוע הוליד את בקי ובקי הוליד את עזי׃
5Abisjóea verwekte Boekki; Boekki verwekte Oezzi;
6ועזי הוליד את זרחיה וזרחיה הוליד את מריות׃
6Oezzi verwekte Zerachja; Zerachja verwekte Merajot;
7מריות הוליד את אמריה ואמריה הוליד את אחיטוב׃
7Merajot verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
8ואחיטוב הוליד את צדוק וצדוק הוליד את אחימעץ׃
8Achitoeb verwekte Sadok: Sadok verwekte Achimáas;
9ואחימעץ הוליד את עזריה ועזריה הוליד את יוחנן׃
9Achimáas verwekte Azarja; Azarja verwekte Jochanan;
10ויוחנן הוליד את עזריה הוא אשר כהן בבית אשר בנה שלמה בירושלם׃
10Jochanan verwekte Azarja. Deze laatste was priester in de tempel, die Salomon te Jerusalem bouwde.
11ויולד עזריה את אמריה ואמריה הוליד את אחיטוב׃
11Azarja verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
12ואחיטוב הוליד את צדוק וצדוק הוליד את שלום׃
12Achitoeb verwekte Sadok; Sadok verwekte Sjalloem;
13ושלום הוליד את חלקיה וחלקיה הוליד את עזריה׃
13Sjalloem verwekte Chilki-ja; Chilki-ja verwekte Azarja;
14ועזריה הוליד את שריה ושריה הוליד את יהוצדק׃
14Azarja verwekte Seraja; Seraja verwekte Jehosadak.
15ויהוצדק הלך בהגלות יהוה את יהודה וירושלם ביד נבכדנאצר׃
15Jehosadak trad af, toen Jahweh Juda en Jerusalem door Nabukodonosor in ballingschap liet wegvoeren.
16בני לוי גרשם קהת ומררי׃
16De zonen van Levi waren dus Gersjon, Kehat en Merari.
17ואלה שמות בני גרשום לבני ושמעי׃
17De zonen van Gersjon heetten Libni en Sjimi;
18ובני קהת עמרם ויצהר וחברון ועזיאל׃
18die van Kehat heetten Amram, Jishar, Chebron en Oezziël;
19בני מררי מחלי ומשי ואלה משפחות הלוי לאבותיהם׃
19die van Merari heetten Machli en Moesji. Hier volgen de verschillende geslachten der Levieten naar hun families:
20לגרשום לבני בנו יחת בנו זמה בנו׃
20De zoon van Gersjon was Libni; die van Libni was Jáchat; die van Jáchat was Zimma;
21יואח בנו עדו בנו זרח בנו יאתרי בנו׃
21die van Zimma was Joach; die van Joach was Iddo; die van Iddo was Zérach; die van Zérach was Jeaterai.
22בני קהת עמינדב בנו קרח בנו אסיר בנו׃
22De zonen van Kehat waren: zijn eigen zoon was Amminadab; de zoon van Amminadab was Kórach; die van Kórach was Assir;
23אלקנה בנו ואביסף בנו ואסיר בנו׃
23die van Assir was Elkana; die van Elkana was Ebjasaf; die van Ebjasaf was Assir;
24תחת בנו אוריאל בנו עזיה בנו ושאול בנו׃
24die van Assir was Táchat; die van Táchat was Oeriël; die van Oeriël was Oezzi-ja; die van Oezzi-ja was Sjaoel.
25ובני אלקנה עמשי ואחימות׃
25De zonen van Elkana waren: Amasai, Achimot
26אלקנה בנו אלקנה צופי בנו ונחת בנו׃
26en Elkana. De zonen van dezen laatsten Elkana waren: zijn eigen zoon was Sofai; de zoon van Sofai was Náchat;
27אליאב בנו ירחם בנו אלקנה בנו׃
27die van Náchat was Eliab; die van Eliab was Jerocham; die van Jerocham was Elkana.
28ובני שמואל הבכר ושני ואביה׃
28De zonen van Samuël waren: Joël, de oudste, en Abi-ja, de tweede.
29בני מררי מחלי לבני בנו שמעי בנו עזה בנו׃
29De zonen van Merari waren: zijn eigen zoon was Machli; de zoon van Machli was Libni; die van Libni was Sjimi; die van Sjimi was Oezza;
30שמעא בנו חגיה בנו עשיה בנו׃
30die van Oezza was Sjima; die van Sjima was Chaggi-ja; die van Chaggi-ja was Asaja.
31ואלה אשר העמיד דויד על ידי שיר בית יהוה ממנוח הארון׃
31Hier volgen degenen, die door David belast waren met de verzorging van de muziek in het huis van Jahweh als de ark daar geplaatst zou zijn.
32ויהיו משרתים לפני משכן אהל מועד בשיר עד בנות שלמה את בית יהוה בירושלם ויעמדו כמשפטם על עבודתם׃
32Ze verzorgden de muziek voor de tabernakel van de openbaringstent, totdat Salomon in Jerusalem de tempel van Jahweh zou hebben gebouwd, en ze hun dienst volgens voorschrift zouden kunnen volbrengen.
33ואלה העמדים ובניהם מבני הקהתי הימן המשורר בן יואל בן שמואל׃
33Dit waren dan de dienstdoenden met hun zonen: Van de Kehatieten was het: Heman de zanger, de zoon van Joël, den zoon van Samuël,
34בן אלקנה בן ירחם בן אליאל בן תוח׃
34zoon van Elkana, zoon van Jerocham, zoon van Eliël, zoon van Tóach,
35בן ציף בן אלקנה בן מחת בן עמשי׃
35zoon van Soef, zoon van Elkana, zoon van Machat, zoon van Amasai,
36בן אלקנה בן יואל בן עזריה בן צפניה׃
36zoon van Elkana, zoon van Joël, zoon van Azarja, zoon van Sefanja,
37בן תחת בן אסיר בן אביסף בן קרח׃
37zoon van Táchat, zoon van Assir, zoon van Ebjasaf, zoon van Kórach,
38בן יצהר בן קהת בן לוי בן ישראל׃
38zoon van Jishar, zoon van Kehat, zoon van Levi, zoon van Israël.
39ואחיו אסף העמד על ימינו אסף בן ברכיהו בן שמעא׃
39Zijn ambtgenoot, die aan zijn rechterhand stond, was een Gersjoniet, namelijk Asaf. Deze was de zoon van Berekjáhoe, den zoon van Sjima,
40בן מיכאל בן בעשיה בן מלכיה׃
40zoon van Mikaël, zoon van Baäseja, zoon van Malki-ja,
41בן אתני בן זרח בן עדיה׃
41zoon van Etni, zoon van Zérach, zoon van Adaja,
42בן איתן בן זמה בן שמעי׃
42zoon van Etan, zoon van Zimma, zoon van Sjimi,
43בן יחת בן גרשם בן לוי׃
43zoon van Jáchat, zoon van Gersjon, zoon van Levi.
44ובני מררי אחיהם על השמאול איתן בן קישי בן עבדי בן מלוך׃
44Zijn ambtgenoot, die aan zijn linkerhand stond, was een Merariet, namelijk Etan. Deze was de zoon van Kisji, den zoon van Abdi zoon van Malloek,
45בן חשביה בן אמציה בן חלקיה׃
45zoon van Chasjabja, zoon van Amas-ja, zoon van Chilki-ja,
46בן אמצי בן בני בן שמר׃
46zoon van Amsi, zoon van Bani, zoon van Sjémer,
47בן מחלי בן מושי בן מררי בן לוי׃
47zoon van Machli, zoon van Moesji, zoon van Merari, zoon van Levi.
48ואחיהם הלוים נתונים לכל עבודת משכן בית האלהים׃
48De levieten, hun ambtgenoten, waren belast met allerlei diensten in de tabernakel van het Godshuis.
49ואהרן ובניו מקטירים על מזבח העולה ועל מזבח הקטרת לכל מלאכת קדש הקדשים ולכפר על ישראל ככל אשר צוה משה עבד האלהים׃
49Maar Aäron met zijn zonen waren belast met de offerdienst op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar, met allerlei plichten in het Allerheiligste, en moesten verzoening voor Israël bewerken, juist zoals Moses, de dienaar van God, het had voorgeschreven.
50ואלה בני אהרן אלעזר בנו פינחס בנו אבישוע בנו׃
50Hier volgen de afstammelingen van Aäron. Zijn eigen zoon was Elazar; die van Elazar was Pinechas; die van Pinechas was Abisjóea;
51בקי בנו עזי בנו זרחיה בנו׃
51die van Abisjóea was Boekki; die van Boekki was Oezzi; die van Oezzi was Zerachja;
52מריות בנו אמריה בנו אחיטוב בנו׃
52die van Zerachja was Merajot; die van Merajot was Amarja; die van Amarja was Achitoeb;
53צדוק בנו אחימעץ בנו׃
53die van Achitoeb was Sadok; die van Sadok was Achimáas.
54ואלה מושבותם לטירותם בגבולם לבני אהרן למשפחת הקהתי כי להם היה הגורל׃
54En dit waren hun woonplaatsen met hun kampementen op hun grondgebied. Aan de zonen van Aäron, een der geslachten der Kehatieten, voor wie het eerste lot was gevallen,
55ויתנו להם את חברון בארץ יהודה ואת מגרשיה סביבתיה׃
55gaf men Hebron in het land Juda, met de omliggende weidegronden.
56ואת שדה העיר ואת חצריה נתנו לכלב בן יפנה׃
56Het akkerland van die stad en haar dorpen had men reeds aan Kaleb, den zoon van Jefoenne, in eigendom gegeven.
57ולבני אהרן נתנו את ערי המקלט את חברון ואת לבנה ואת מגרשיה ואת יתר ואת אשתמע ואת מגרשיה׃
57Aan de zonen van Aäron gaf men dus de vrijstad Hebron; daarenboven Libna, Jattir, Esjtemóa,
58ואת חילז ואת מגרשיה את דביר ואת מגרשיה׃
58Cholon, Debir,
59ואת עשן ואת מגרשיה ואת בית שמש ואת מגרשיה׃
59Asjan en Bet-Sjémesj, alle met bijbehorende weidegronden.
60וממטה בנימן את גבע ואת מגרשיה ואת עלמת ואת מגרשיה ואת ענתות ואת מגרשיה כל עריהם שלש עשרה עיר במשפחותיהם׃
60Uit de stam Benjamin: Géba, Alémet en Anatot, elk met zijn weidegronden. In het geheel dus dertien steden met haar bijbehorende weidegronden.
61ולבני קהת הנותרים ממשפחת המטה ממחצית מטה חצי מנשה בגורל ערים עשר׃
61Onder de overige geslachten der Kehatieten werden tien steden verloot uit de stammen Efraïm, Dan en de helft van Manasse.
62ולבני גרשום למשפחותם ממטה יששכר וממטה אשר וממטה נפתלי וממטה מנשה בבשן ערים שלש עשרה׃
62De geslachten der Gersjonieten kregen uit de stammen Issakar, Aser, Neftali en Manasse dertien steden in Basjan.
63לבני מררי למשפחותם ממטה ראובן וממטה גד וממטה זבולן בגורל ערים שתים עשרה׃
63Onder de geslachten der Merarieten werden twaalf steden verloot uit de stammen Ruben, Gat en Zabulon.
64ויתנו בני ישראל ללוים את הערים ואת מגרשיהם׃
64Dit waren dus de steden met bijbehorende weidegronden, welke de levieten van de Israëlieten hebben gekregen.
65ויתנו בגורל ממטה בני יהודה וממטה בני שמעון וממטה בני בנימן את הערים האלה אשר יקראו אתהם בשמות׃
65Uit de stammen der Judeërs, Simeonieten en Benjamieten waren bovengenoemde steden verloot.
66וממשפחות בני קהת ויהי ערי גבולם ממטה אפרים׃
66Aan de geslachten der Kehatieten werden door het lot de volgende steden toegewezen: Uit de stam Efraïm
67ויתנו להם את ערי המקלט את שכם ואת מגרשיה בהר אפרים ואת גזר ואת מגרשיה׃
67kregen ze de vrijstad Sikem op het Efraïmgebergte, met Gézer,
68ואת יקמעם ואת מגרשיה ואת בית חורון ואת מגרשיה׃
68Jokmeam, Bet-Choron,
69ואת אילון ואת מגרשיה ואת גת רמון ואת מגרשיה׃
69Ajjalon en Gat-Rimmon, alle met bijbehorende weidegronden.
70וממחצית מטה מנשה את ענר ואת מגרשיה ואת בלעם ואת מגרשיה למשפחת לבני קהת הנותרים׃
70Uit de halve stam van Manasse waren Aner en Bilam, met bijbehorende weidegronden voor de overige geslachten der Kehatieten bestemd.
71לבני גרשום ממשפחת חצי מטה מנשה את גולן בבשן ואת מגרשיה ואת עשתרות ואת מגרשיה׃
71Aan de geslachten der Gersjonieten werden toegewezen: Uit de ene helft van de stam Manasse: Golan in Basjan, en Asjtarot, met bijbehorende weidegronden.
72וממטה יששכר את קדש ואת מגרשיה את דברת ואת מגרשיה׃
72Uit de stam Issakar: Kédes, Daberat,
73ואת ראמות ואת מגרשיה ואת ענם ואת מגרשיה׃
73Ramot en Anem, met bijbehorende weidegronden.
74וממטה אשר את משל ואת מגרשיה ואת עבדון ואת מגרשיה׃
74Uit de stam Aser: Masjal, Abdon,
75ואת חוקק ואת מגרשיה ואת רחב ואת מגרשיה׃
75Choekok en Rechob, met bijbehorende weidegronden.
76וממטה נפתלי את קדש בגליל ואת מגרשיה ואת חמון ואת מגרשיה ואת קריתים ואת מגרשיה׃
76Uit de stam Neftali: Kédesj in Galilea, Chammon en Kirjatáim, met bijbehorende weidegronden.
77לבני מררי הנותרים ממטה זבולן את רמונו ואת מגרשיה את תבור ואת מגרשיה׃
77Aan de overige levieten, de Merarieten, werden toegewezen uit de stam Zabulon: Rimmon en Tabor, met bijbehorende weidegronden.
78ומעבר לירדן ירחו למזרח הירדן ממטה ראובן את בצר במדבר ואת מגרשיה ואת יהצה ואת מגרשיה׃
78In het Overjordaanse, tegenover Jericho oostelijk van de Jordaan, kregen ze uit de stam Ruben: Béser in de woestijn, Jahsa,
79ואת קדמות ואת מגרשיה ואת מיפעת ואת מגרשיה׃
79Kedemot en Mefáat, met bijbehorende weidegronden.
80וממטה גד את ראמות בגלעד ואת מגרשיה ואת מחנים ואת מגרשיה׃
80Uit de stam Gad: Ramot in Gilad, Machanáim,
81ואת חשבון ואת מגרשיה ואת יעזיר ואת מגרשיה׃
81Chesjbon en Jazer, met bijbehorende weidegronden.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.