1 דִּבְרֵי הַיָּמִים

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 23

1 דִּבְרֵי הַיָּמִים

Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 דִּבְרֵי הַיָּמִים 23

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ודויד זקן ושבע ימים וימלך את שלמה בנו על ישראל׃
1Toen David oud was geworden en hoogbejaard, verhief hij zijn zoon Salomon tot koning van Israël,
2ויאסף את כל שרי ישראל והכהנים והלוים׃
2en riep alle bestuurders van Israël met de priesters en levieten bijeen.
3ויספרו הלוים מבן שלשים שנה ומעלה ויהי מספרם לגלגלתם לגברים שלשים ושמונה אלף׃
3En toen de levieten boven de dertig jaar waren geteld, bleek het aantal mannelijke personen acht en dertigduizend te bedragen.
4מאלה לנצח על מלאכת בית יהוה עשרים וארבעה אלף ושטרים ושפטים ששת אלפים׃
4En David beval, dat vier en twintigduizend van hen zouden worden belast met de dienst in het heiligdom van Jahweh, dat zesduizend zouden worden aangesteld als beambten en rechters,
5וארבעת אלפים שערים וארבעת אלפים מהללים ליהוה בכלים אשר עשיתי להלל׃
5en dat vierduizend Jahweh zouden loven op de instrumenten, die hij daartoe had laten vervaardigen.
6ויחלקם דויד מחלקות לבני לוי לגרשון קהת ומררי׃
6Bovendien deelde David hen in groepen in, naar gelang ze afstamden van Gersjon, Kehat en Merari, de zonen van Levi.
7לגרשני לעדן ושמעי׃
7De zonen van Gersjon waren Ladan en Sjimi.
8בני לעדן הראש יחיאל וזתם ויואל שלשה׃
8De zonen van Ladan waren Jechiël, het opperhoofd, met Zetam en Joël, in het geheel drie;
9בני שמעי שלמות וחזיאל והרן שלשה אלה ראשי האבות ללעדן׃
9die van Sjimi waren Sjelomit, Chaziël en Haran, in het geheel drie. Dit waren de familiehoofden van het geslacht Ladan.
10ובני שמעי יחת זינא ויעוש ובריעה אלה בני שמעי ארבעה׃
10De zonen van Sjimi waren Jáchat, Zina, Jeöesj en Beria; dit waren de zonen van Sjimi, in het geheel vier.
11ויהי יחת הראש וזיזה השני ויעוש ובריעה לא הרבו בנים ויהיו לבית אב לפקדה אחת׃
11Jáchat was het opperhoofd, en Zina de tweede; Jeöesj en Beria werden in hun familie als een ambtsgroep gerekend, omdat ze weinig kinderen hadden.
12בני קהת עמרם יצהר חברון ועזיאל ארבעה׃
12De zonen van Kehat waren Amram, Jishar, Chebron en Oezziël, in het geheel vier.
13בני עמרם אהרן ומשה ויבדל אהרן להקדישו קדש קדשים הוא ובניו עד עולם להקטיר לפני יהוה לשרתו ולברך בשמו עד עולם׃
13De zonen van Amram waren Aäron en Moses. Aäron zelf en zijn afstammelingen waren voor immer afgezonderd en voor de hoogheilige bediening gewijd, om voor altijd offers op te dragen aan Jahweh, Hem te dienen en in zijn Naam te zegenen.
14ומשה איש האלהים בניו יקראו על שבט הלוי׃
14Moses was de man Gods, maar de zonen van Moses werden weer tot de stam der levieten gerekend.
15בני משה גרשם ואליעזר׃
15Het waren Gersjom en Eliézer.
16בני גרשום שבואל הראש׃
16De zoon van Gersjom was Sjeboeël, een opperhoofd;
17ויהיו בני אליעזר רחביה הראש ולא היה לאליעזר בנים אחרים ובני רחביה רבו למעלה׃
17die van Eliézer was Rechabja, eveneens een opperhoofd. Eliézer zelf had geen andere kinderen, maar Rechabja had er zeer veel.
18בני יצהר שלמית הראש׃
18De zoon van Jishar was Sjelomit, een opperhoofd.
19בני חברון יריהו הראש אמריה השני יחזיאל השלישי ויקמעם הרביעי׃
19De zonen van Chebron waren Jeri-jáhoe, het opperhoofd, Amarja, de tweede, Jachaziël de derde, Jekamam de vierde.
20בני עזיאל מיכה הראש וישיה השני׃
20De zonen van Oezziël waren Mika, het opperhoofd, en Jissji-ja, de tweede.
21בני מררי מחלי ומושי בני מחלי אלעזר וקיש׃
21De zonen van Merari waren Machli en Moesji. De zonen van Machli waren Elazar en Kisj.
22וימת אלעזר ולא היו לו בנים כי אם בנות וישאום בני קיש אחיהם׃
22Elazar stierf zonder zonen na te laten; hij had alleen maar dochters, die door hun neven, de zonen van Kisj, werden gehuwd.
23בני מושי מחלי ועדר וירמות שלשה׃
23De zonen van Moesji waren Machli, Éder en Jeremot, in het geheel drie.
24אלה בני לוי לבית אבתיהם ראשי האבות לפקודיהם במספר שמות לגלגלתם עשה המלאכה לעבדת בית יהוה מבן עשרים שנה ומעלה׃
24Dit waren dus de familiehoofden boven de dertig jaar van de gemonsterde levietische families, die met name en persoonlijk waren aangewezen, om de dienst te verrichten in de tempel van Jahweh.
25כי אמר דויד הניח יהוה אלהי ישראל לעמו וישכן בירושלם עד לעולם׃
25David bepaalde: Nu Jahweh, de God van Israël, zijn volk rust heeft geschonken, en voor altijd in Jerusalem woont,
26וגם ללוים אין לשאת את המשכן ואת כל כליו לעבדתו׃
26behoeven de levieten niet meer de tabernakel te dragen met heel zijn toebehoren voor de eredienst.
27כי בדברי דויד האחרנים המה מספר בני לוי מבן עשרים שנה ולמעלה׃
27Later werd volgens de laatste aanwijzingen van David het aantal levieten berekend van twintig jaar af en ouder.
28כי מעמדם ליד בני אהרן לעבדת בית יהוה על החצרות ועל הלשכות ועל טהרת לכל קדש ומעשה עבדת בית האלהים׃
28Nu konden zij de zonen van Aäron behulpzaam zijn bij de dienst in het huis van Jahweh, door het toezicht op de voorhoven en zalen, het rein houden van alle gewijde voorwerpen, en het verrichten van de andere werkzaamheden die in het huis Gods te doen vielen.
29וללחם המערכת ולסלת למנחה ולרקיקי המצות ולמחבת ולמרבכת ולכל משורה ומדה׃
29Bovendien moesten ze zorgen voor de toonbroden, de meelbloem voor het spijsoffer, en de ongezuurde vladen, voor het bakwerk en de mengsels, en voor alle inhouds- en lengtematen.
30ולעמד בבקר בבקר להדות ולהלל ליהוה וכן לערב׃
30Verder moesten ze elke morgen, en ‘s avonds eveneens, gereed staan, om Jahweh lof en dank te zingen.
31ולכל העלות עלות ליהוה לשבתות לחדשים ולמעדים במספר כמשפט עליהם תמיד לפני יהוה׃
31Daarenboven moesten ze zorgen voor al wat er nodig was voor de brandoffers, die aan Jahweh werden opgedragen op sabbatten, nieuwe manen en hoogtijden, opdat er voortdurend zoveel aan Jahweh werden opgedragen, als voorgeschreven was.
32ושמרו את משמרת אהל מועד ואת משמרת הקדש ומשמרת בני אהרן אחיהם לעבדת בית יהוה׃
32Zo moesten ze de dienst waarnemen bij de openbaringstent en bij het Heilige, en hun broeders, de zonen van Aäron, behulpzaam zijn bij de dienst in het huis van Jahweh.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.