1 Khokhuen
Chapter 23
Baibal Olcim (Matupi Chin)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Khokhuen 23

Baibal Olcim (Matupi Chin)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1David te patong coeng tih khohnin khaw cum coeng. Te dongah a capa Solomon te Israel soah a manghai sak.
1Toen David oud was geworden en hoogbejaard, verhief hij zijn zoon Salomon tot koning van Israël,
2Te phoeiah Israel mangpa boeih neh khosoih rhoek khaw, Levi rhoek khaw a coi.
2en riep alle bestuurders van Israël met de priesters en levieten bijeen.
3Te vaengah Levi rhoek te tongpa kum sawmthum lamloh a so hang te a tae tih amih kah hlangmi te a pum la hlang thawng sawmthum neh thawng rhet om.
3En toen de levieten boven de dertig jaar waren geteld, bleek het aantal mannelijke personen acht en dertigduizend te bedragen.
4Te rhoek khuiah BOEIPA im kah bitat aka mawt te thawng kul thawng li om tih rhoiboei rhoek neh laitloek rhoek he thawng rhuk om.
4En David beval, dat vier en twintigduizend van hen zouden worden belast met de dienst in het heiligdom van Jahweh, dat zesduizend zouden worden aangesteld als beambten en rechters,
5Thoh tawt rhoek te thawng li, thangthen ham ka saii bangla tumbael neh BOEIPA aka thangthen te thawng li lo.
5en dat vierduizend Jahweh zouden loven op de instrumenten, die hij daartoe had laten vervaardigen.
6David loh amih te boelnah neh a tael. Gershon kah Levi koca rhoek ah Kohath neh Merari.
6Bovendien deelde David hen in groepen in, naar gelang ze afstamden van Gersjon, Kehat en Merari, de zonen van Levi.
7Gershon lamloh Ladan neh Shimei.
7De zonen van Gersjon waren Ladan en Sjimi.
8Ladan koca ah a lucuek te Jehiel tih Zetham neh a pathum te Joel.
8De zonen van Ladan waren Jechiël, het opperhoofd, met Zetam en Joël, in het geheel drie;
9Shimei koca rhoek Shelmoth neh Haziel, Haran neh pathum lo. Te rhoek te Ladan napa rhoek khuiah a lu la om uh.
9die van Sjimi waren Sjelomit, Chaziël en Haran, in het geheel drie. Dit waren de familiehoofden van het geslacht Ladan.
10Shimei koca rhoek ah Jahath, Zina, Jeush neh Beriah. He rhoek pali he Shimei koca rhoek ni.
10De zonen van Sjimi waren Jáchat, Zina, Jeöesj en Beria; dit waren de zonen van Sjimi, in het geheel vier.
11Jahath te a lucuek tih Zizah he a pabae la om. Tedae Jeush neh Beriah tah a ca ping pawh. Te dongah napa pakhat imkhui pakhat bangla cawhkung pakhat la om uh.
11Jáchat was het opperhoofd, en Zina de tweede; Jeöesj en Beria werden in hun familie als een ambtsgroep gerekend, omdat ze weinig kinderen hadden.
12Kohath koca rhoek la Amram, Izhar, Hebron, Uzziel neh pali lo.
12De zonen van Kehat waren Amram, Jishar, Chebron en Oezziël, in het geheel vier.
13Amram koca ah Aaron neh Moses dae, Aaron tah amah loh a cim kah a cim koek la ciim ham, anih neh anih koca rhoek tah kumhal hil BOEIPA mikhmuh ah aka phum uh la, a taengah aka thotat la, a ming neh kumhal hil aka uem la a hoep.
13De zonen van Amram waren Aäron en Moses. Aäron zelf en zijn afstammelingen waren voor immer afgezonderd en voor de hoogheilige bediening gewijd, om voor altijd offers op te dragen aan Jahweh, Hem te dienen en in zijn Naam te zegenen.
14Pathen kah hlang Moses neh anih koca rhoek te Levi koca la a khue uh.
14Moses was de man Gods, maar de zonen van Moses werden weer tot de stam der levieten gerekend.
15Moses koca ah Gershom neh Eliezer.
15Het waren Gersjom en Eliézer.
16Gershom koca kah boeilu tah Shubael.
16De zoon van Gersjom was Sjeboeël, een opperhoofd;
17Eliezer koca aka om rhoek khuiah Rehabiah he boeilu dae Eliezer te ca a tloe om pawh. Tedae Rehabiah koca rhoek tah a pueh la ping uh.
17die van Eliézer was Rechabja, eveneens een opperhoofd. Eliézer zelf had geen andere kinderen, maar Rechabja had er zeer veel.
18Izhar koca khuiah Shelomith he boeilu la om.
18De zoon van Jishar was Sjelomit, een opperhoofd.
19Hebron koca ah Jeriah te a cacuek, Amariah te a pabae, Jahaziel a pathum, Jekameam tah a pali.
19De zonen van Chebron waren Jeri-jáhoe, het opperhoofd, Amarja, de tweede, Jachaziël de derde, Jekamam de vierde.
20Uzziel koca rhoek ah Maikah te a cacuek tih Isshiah te a pabae.
20De zonen van Oezziël waren Mika, het opperhoofd, en Jissji-ja, de tweede.
21Merari koca ah Mahli neh Mushi, Mahli koca ah Eleazar neh Kish.
21De zonen van Merari waren Machli en Moesji. De zonen van Machli waren Elazar en Kisj.
22Eleazar a duek vaengah he a taengah ca tongpa a om moenih. Tedae ca huta rhoek bueng om tih amih te a manuca Kish koca rhoek loh a loh uh.
22Elazar stierf zonder zonen na te laten; hij had alleen maar dochters, die door hun neven, de zonen van Kisj, werden gehuwd.
23Mushi koca rhoek la Mahli, Eder, Jerimoth neh pathum lo.
23De zonen van Moesji waren Machli, Éder en Jeremot, in het geheel drie.
24He rhoek tah Levi koca rhoek kah a napa rhoek imkhui lamloh a napa boeilu rhoek ni. Tongpa kum kul neh a so hang lamloh BOEIPA im kah thothuengnah ham bitat a saii uh. Amih te a hlangmi neh a ming tarhing la a soep uh.
24Dit waren dus de familiehoofden boven de dertig jaar van de gemonsterde levietische families, die met name en persoonlijk waren aangewezen, om de dienst te verrichten in de tempel van Jahweh.
25David loh, “Israel Pathen BOEIPA loh a pilnam te a duem sak tih Jerusalem ah kumhal due kho a sak.
25David bepaalde: Nu Jahweh, de God van Israël, zijn volk rust heeft geschonken, en voor altijd in Jerusalem woont,
26Levi te khaw dungtlungim neh a thothuengnah dongkah a hnopai boeih te a koh ham moenih,” a ti.
26behoeven de levieten niet meer de tabernakel te dragen met heel zijn toebehoren voor de eredienst.
27David kah hnukkhueng ol dongkah bangla amih Levi koca rhoek kah hlangmi tah tongpa kum kul neh a so hang lamkah ni a tae.
27Later werd volgens de laatste aanwijzingen van David het aantal levieten berekend van twintig jaar af en ouder.
28Amih kah ngolhmuen ngawn tah BOEIPA im kah thothuengnah khuiah khaw, vongup ah khaw, imkhui ah khaw, hmuencim boeih kah ciimnah dongah khaw, Pathen im thothuengnah bibi dongah khaw Aaron koca rhoek kah a kut a kho la om uh.
28Nu konden zij de zonen van Aäron behulpzaam zijn bij de dienst in het huis van Jahweh, door het toezicht op de voorhoven en zalen, het rein houden van alle gewijde voorwerpen, en het verrichten van de andere werkzaamheden die in het huis Gods te doen vielen.
29Rhungkung buh dongah khaw, khocang vaidam dongah khaw, vaidamding vaidamrhawm dongah khaw, thiphael dongah khaw, a kae dongah khaw, khoe neh cungnueh boeih dongah khaw om uh.
29Bovendien moesten ze zorgen voor de toonbroden, de meelbloem voor het spijsoffer, en de ongezuurde vladen, voor het bakwerk en de mengsels, en voor alle inhouds- en lengtematen.
30Mincang, mincang ah pai tih BOEIPA aka uem ham neh aka thangthen hamla, hlaem ah khaw te tlam te aka thangthen la om uh.
30Verder moesten ze elke morgen, en ‘s avonds eveneens, gereed staan, om Jahweh lof en dank te zingen.
31A cungkuem dongah BOEIPA taengkah hmueihhlutnah te Sabbath ah khaw, Hlasae ah khaw, tingtunnah dongah BOEIPA mikhmuh kah laitloeknah bangla a tarhing neh phat a khuen uh.
31Daarenboven moesten ze zorgen voor al wat er nodig was voor de brandoffers, die aan Jahweh werden opgedragen op sabbatten, nieuwe manen en hoogtijden, opdat er voortdurend zoveel aan Jahweh werden opgedragen, als voorgeschreven was.
32Te dongah tingtunnah dap kah a kuek neh hmuencim kah a kuek khaw, BOEIPA im kah thothuengnah dongkah a manuca Aaron koca rhoek kah a kuek khaw a ngaithuen uh.
32Zo moesten ze de dienst waarnemen bij de openbaringstent en bij het Heilige, en hun broeders, de zonen van Aäron, behulpzaam zijn bij de dienst in het huis van Jahweh.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.