1 דִּבְרֵי הַיָּמִים

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 27

1 דִּבְרֵי הַיָּמִים

Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 דִּבְרֵי הַיָּמִים 27

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ובני ישראל למספרם ראשי האבות ושרי האלפים והמאות ושטריהם המשרתים את המלך לכל דבר המחלקות הבאה והיצאת חדש בחדש לכל חדשי השנה המחלקת האחת עשרים וארבעה אלף׃
1Hier volgt een opsomming van de israëlietische familiehoofden, de aanvoerders van duizend en honderd, met hun beambten, die den koning dienden in alle aangelegenheden der legerkorpsen, welke alle maanden van het jaar maandelijks in en uitrukten. Elk korps telde vier en twintigduizend man.
2על המחלקת הראשונה לחדש הראשון ישבעם בן זבדיאל ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
2Het eerste korps voor de eerste maand stond onder Jasjobam, den zoon van Zabdiël; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
3מן בני פרץ הראש לכל שרי הצבאות לחדש הראשון׃
3Hij stamde af van de zonen van Fáres, en was het hoofd van alle legeraanvoerders van de eerste maand.
4ועל מחלקת החדש השני דודי האחוחי ומחלקתו ומקלות הנגיד ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
4Het korps voor de tweede maand stond onder Dodai, uit de familie Achóach. De aanvoerder van zijn korps was Miklot; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
5שר הצבא השלישי לחדש השלישי בניהו בן יהוידע הכהן ראש ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
5De legeraanvoerder voor de derde maand was Benajáhoe, de zoon van Jehojada, den opperpriester; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
6הוא בניהו גבור השלשים ועל השלשים ומחלקתו עמיזבד בנו׃
6Deze Benajáhoe was een van de dertig helden en aanvoerder van de Dertig; over zijn korps ging zijn zoon Ammizabad.
7הרביעי לחדש הרביעי עשה אל אחי יואב וזבדיה בנו אחריו ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
7De vierde voor de vierde maand was Asaël, de broer van Joab. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Zebadja; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
8החמישי לחדש החמישי השר שמהות היזרח ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
8De vijfde voor de vijfde maand was de vorst Sjamhoet van de familie Zara; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
9הששי לחדש הששי עירא בן עקש התקועי ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
9De zesde voor de zesde maand was Ira, de zoon van Ikkesj uit Tekóa; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
10השביעי לחדש השביעי חלץ הפלוני מן בני אפרים ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
10De zevende voor de zevende maand was Chéles uit Bet-Pélet, die van Efraïm stamde; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
11השמיני לחדש השמיני סבכי החשתי לזרחי ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
11De achtste voor de achtste maand was Sibbekai van de familie Choesja uit het geslacht van Zara; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
12התשיעי לחדש התשיעי אביעזר הענתתי לבנימיני ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
12De negende voor de negende maand was Abiézer uit Anatot, de Benjamiet; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
13העשירי לחדש העשירי מהרי הנטופתי לזרחי ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
13De tiende voor de tiende maand was Maharai uit Netofa, uit het geslacht Zara; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
14עשתי עשר לעשתי עשר החדש בניה הפרעתוני מן בני אפרים ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
14De elfde voor de elfde maand was Benaja uit Piraton, die van Efraïm stamde; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
15השנים עשר לשנים עשר החדש חלדי הנטופתי לעתניאל ועל מחלקתו עשרים וארבעה אלף׃
15De twaalfde voor de twaalfde maand was Cheldai uit Netofa, die van Otniël stamde; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
16ועל שבטי ישראל לראובני נגיד אליעזר בן זכרי לשמעוני שפטיהו בן מעכה׃
16De hoofden van de stammen Israëls waren: Eliëzer, de zoon van Zikri, van de stam Ruben; Sjefatjáhoe, de zoon van Maäka, van de stam Simeon;
17ללוי חשביה בן קמואל לאהרן צדוק׃
17Chasjabja, de zoon van Kemoeël, van de levieten, en Sadok van de aäronieten;
18ליהודה אליהו מאחי דויד ליששכר עמרי בן מיכאל׃
18Elihoe, een van Davids broers, van de stam Juda; Omri, de zoon van Mikaël, van de stam Issakar;
19לזבולן ישמעיהו בן עבדיהו לנפתלי ירימות בן עזריאל׃
19Jisjmajáhoe, de zoon van Obadjáhoe, van Zabulon; Jerimot, de zoon van Azriël, van Neftali;
20לבני אפרים הושע בן עזזיהו לחצי שבט מנשה יואל בן פדיהו׃
20Hosjéa, de zoon van Azazjáhoe, van de zonen van Efraïm; Joël, de zoon van Pedajáhoe, van de halve stam Manasse;
21לחצי המנשה גלעדה ידו בן זכריהו לבנימן יעשיאל בן אבנר׃
21Jiddo, de zoon van Zekarjáhoe, van de helft van Manasse in Gilad; Jaäsiël, de zoon van Abner, van Benjamin;
22לדן עזראל בן ירחם אלה שרי שבטי ישראל׃
22Azarel, de zoon van Jerocham, van Dan. Dit waren de stamhoofden van Israël.
23ולא נשא דויד מספרם למבן עשרים שנה ולמטה כי אמר יהוה להרבות את ישראל ככוכבי השמים׃
23Het aantal van hen, die onder de twintig jaar waren, heeft David niet laten opnemen, omdat Jahweh beloofd had, de zonen Israëls zo talrijk te maken als de sterren aan de hemel.
24יואב בן צרויה החל למנות ולא כלה ויהי בזאת קצף על ישראל ולא עלה המספר במספר דברי הימים למלך דויד׃
24Wel was Joab, de zoon van Seroeja, begonnen met een volkstelling, maar omdat er tengevolge van deze poging een ramp over Israël was gekomen, kwam hij niet klaar. Daarom is dat aantal ook niet opgenomen in het boek der kronieken van koning David.
25ועל אצרות המלך עזמות בן עדיאל ועל האצרות בשדה בערים ובכפרים ובמגדלות יהונתן בן עזיהו׃
25De schatten des konings werden beheerd door Azmawet, den zoon van Adiël; de bezittingen op het land, in de steden, de dorpen en de vestingen door Jehonatan, den zoon van Oezzi-jáhoe.
26ועל עשי מלאכת השדה לעבדת האדמה עזרי בן כלוב׃
26Opzichter van de landarbeiders, die de grond bewerkten, was Ezri, de zoon van Keloeb.
27ועל הכרמים שמעי הרמתי ועל שבכרמים לאצרות היין זבדי השפמי׃
27Over de wijngaarden ging Sjimi uit Rama; over de voorraden in de wijngaarden en de wijnkelders ging Zabdi, de Sjifmiet.
28ועל הזיתים והשקמים אשר בשפלה בעל חנן הגדרי ועל אצרות השמן יועש׃
28Over de olijf- en moerbeiplantingen in de Sjefela ging Báal-Chanan uit Gader, over de voorraden Joasj.
29ועל הבקר הרעים בשרון שטרי השרוני ועל הבקר בעמקים שפט בן עדלי׃
29Het vee, dat in de Sjaronvlakte weidde, werd verzorgd door Sjitrai uit Sjaron; het vee in de dalen door Sjafat, den zoon van Adlai.
30ועל הגמלים אוביל הישמעלי ועל האתנות יחדיהו המרנתי׃
30Voor de kamelen zorgde Obil, de Jisjmaëliet; voor de ezels Jechdejáhoe uit Meronot;
31ועל הצאן יזיז ההגרי כל אלה שרי הרכוש אשר למלך דויד׃
31voor de schapen Jaziz van de stam Hagri. Al dezen beheerden de bezittingen van koning David.
32ויהונתן דוד דויד יועץ איש מבין וסופר הוא ויחיאל בן חכמוני עם בני המלך׃
32Jonatan, een oom van David en een kundig man, was raadsman en geheimschrijver; Jechiël was belast met de opvoeding der koningskinderen.
33ואחיתפל יועץ למלך וחושי הארכי רע המלך׃
33Achitófel was eveneens koninklijk raadsman, en Choesjai, van de familie Arki, de vertrouwensman van den koning.
34ואחרי אחיתפל יהוידע בן בניהו ואביתר ושר צבא למלך יואב׃
34Na Achitófel waren het Jehojada, de zoon van Benajáhoe, en Ebjatar. De legeroverste des konings was Joab.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.