1 Crónicas 16
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ASÍ trajeron el arca de Dios, y asentáronla en medio de la tienda que David había tendido para ella: y ofrecieron holocaustos y pacíficos delante de Dios.
1Toen de ark van God aangekomen was, zette men haar op haar plaats, midden in de tent, die David voor haar had gespannen. Daarna droeg David brand- en vredeoffers aan God op;
2Y como David hubo acabado de ofrecer el holocausto y los pacíficos, bendijo al pueblo en el nombre de Jehová.
2en toen hij de brand- en vredeoffers had opgedragen, zegende hij het volk in de Naam van Jahweh.
3Y repartió á todo Israel, así á hombres como á mujeres, á cada uno una torta de pan, y una pieza de carne, y un frasco de vino.
3Tenslotte hield hij voor alle Israëlieten een uitdeling; en allen, mannen als vrouwen, kregen ieder een broodkoek, een stuk vlees en een druivenkoek.
4Y puso delante del arca de Jehová ministros de los Levitas, para que recordasen, y confesasen, y loasen á Jehová Dios de Israel:
4Daarna belastte hij enige levieten met de dienst van de ark van Jahweh: ze moesten Jahweh, den God van Israël, danken, loven en prijzen.
5Asaph el primero, el segundo después de él Zachârías, Jeiel, Semiramoth, Jehiel, Mathithías, Eliab, Benaías, Obed-edom, y Jehiel, con sus instrumentos de salterios y arpas; mas Asaph hacía sonido con címbalos:
5Het waren Asaf, het hoofd, en zijn plaatsvervanger Zekarja; verder Jeïël, Sjemiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benajáhoe, Obed-Edom en Jeïël. Dezen moesten met harpen en citers, Asaf met cymbalen,
6Benaías también y Jahaziel, sacerdotes, continuamente con trompetas delante del arca del pacto de Dios.
6en de priesters Benajáhoe en Jachaziël met trompetten voortdurend feestelijke klanken laten horen voor de verbondsark van God.
7Entonces, en aquel día, dió David principio á celebrar á Jehová por mano de Asaph y de sus hermanos:
7Die dag liet David voor de eerste maal Asaf en zijn ambtgenoten het “Looft Jahweh” zingen:
8Confesad á Jehová, invocad su nombre, haced notorias en los pueblos sus obras.
8Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
9Cantad á él, cantadle salmos; hablad de todas sus maravillas.
9Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
10Gloriaos en su santo nombre; alégrese el corazón de los que buscan á Jehová.
10Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders! Wendt u tot Jahweh en zijn macht,
11Buscad á Jehová y su fortaleza; buscad su rostro continuamente.
11Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
12Haced memoria de sus maravillas que ha obrado, de sus prodigios, y de los juicios de su boca,
12Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
13Oh vosotros, simiente de Israel su siervo, hijos de Jacob, sus escogidos.
13Gij kinderen van Israël, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
14Jehová, él es nuestro Dios; sus juicios en toda la tierra.
14Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
15Haced memoria de su alianza perpetuamente, y de la palabra que él mandó en mil generaciones;
15Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
16Del pacto que concertó con Abraham, y de su juramento á Isaac;
16Het verbond met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
17El cual confirmó á Jacob por estatuto, y á Israel por pacto sempiterno,
17En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
18Diciendo: A ti daré la tierra de Canaán, suerte de vuestra herencia;
18Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel”.
19Cuando erais pocos en número, pocos y peregrinos en ella;
19Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd.
20Y andaban de nación en nación, y de un reino á otro pueblo.
20En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere,
21No permitió que nadie los oprimiese: antes por amor de ellos castigó á los reyes.
21Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
22No toquéis, dijo , á mis ungidos, ni hagáis mal á mis profetas.
22“Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
23Cantad á Jehová, toda la tierra, anunciad de día en día su salud.
23Heel de aarde, zingt Jahweh ter eer! Verkondigt zijn heil iedere dag;
24Cantad entre las gentes su gloria, y en todos los pueblos sus maravillas.
24Meldt aan de naties zijn glorie, Aan alle volken zijn wonderen!
25Porque grande es Jehová, y digno de ser grandemente loado, y de ser temido sobre todos los dioses.
25Want groot is Jahweh, hoog te prijzen, En boven alle goden te vrezen.
26Porque todos los dioses de los pueblos son nada: mas Jehová hizo los cielos.
26Ja, alle goden der volkeren zijn niets, Maar Jahweh heeft de hemel gemaakt.
27Poderío y hermosura delante de él; fortaleza y alegría en su morada.
27Glans en glorie zijn voor zijn aanschijn, Kracht en vreugde in zijn woonplaats.
28Atribuid á Jehová, oh familias de los pueblos, atribuid á Jehová gloria y potencia.
28Brengt Jahweh, geslachten der volken, Brengt Jahweh glorie en lof.
29Tributad á Jehová la gloria debida á su nombre: traed ofrenda, y venid delante de él; postraos delante de Jehová en la hermosura de su santidad.
29Brengt Jahweh de eer van zijn Naam, En treedt met offers voor zijn aanschijn; Werpt u neder voor Jahweh in zijn heilige woning,
30Temed en su presencia, toda la tierra: el mundo será aún establecido, para que no se conmueva.
30Heel de aarde, beef voor zijn aanschijn! Hij houdt de weegschaal der wereld, zodat ze niet schommelt.
31Alégrense los cielos, y gócese la tierra, y digan en las naciones: Reina Jehová.
31Laat de hemelen juichen, de aarde jubelen, Laat de volken roepen: Jahweh is koning!
32Resuene la mar, y la plenitud de ella: alégrese el campo, y todo lo que contiene.
32Laat bulderen de zee met wat ze bevat. Laat jubelen het veld, met wat er op groeit,
33Entonces cantarán los árboles de los bosques delante de Jehová, porque viene á juzgar la tierra.
33In het woud de bomen juichen Voor het aanschijn van Jahweh, want Hij komt, Hij komt, om de aarde te richten!
34Celebrad á Jehová, porque es bueno; porque su misericordia es eterna.
34Looft Jahweh, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
35Y decid: Sálvanos, oh Dios, salud nuestra: júntanos, y líbranos de las gentes, para que confesemos tu santo nombre, y nos gloriemos en tus alabanzas.
35Zegt tot hem: Ach, red ons, God, onze steun, Red ons, en breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen!
36Bendito sea Jehová Dios de Israel, de eternidad á eternidad. Y dijo todo el pueblo, Amén: y alabó á Jehová.
36Gezegend zij Jahweh, Israëls God, Van eeuwigheid tot eeuwigheid! En heel het volk riep: Amen! Halleluja!
37Y dejó allí, delante del arca del pacto de Jehová, á Asaph y á sus hermanos, para que ministrasen de continuo delante del arca, cada cosa en su día:
37Toen liet hij daar Asaf en zijn ambtgenoten voor de verbondsark van Jahweh, om zonder ophouden dienst te doen voor de ark, zoals het voor iedere dag was voorgeschreven; en als poortwachters Obed-Edom,
38Y á Obed-edom y á sus hermanos, sesenta y ocho; y á Obed-edom hijo de Jeduthún, y á Asa, por porteros:
38den zoon van Jedoetoen, en Chosa, met acht en zestig stamgenoten.
39Asimismo á Sadoc el sacerdote, y á sus hermanos los sacerdotes, delante del tabernáculo de Jehová en el alto que estaba en Gabaón,
39Maar den priester Sadok met zijn ambtgenoten, de priesters, stelde hij aan bij de tabernakel van Jahweh op de hoogte van Gibon.
40Para que sacrificasen continuamente, á mañana y tarde, holocaustos á Jehová en el altar del holocausto, conforme á todo lo que está escrito en la ley de Jehová, que él prescribió á Israel;
40Op het brandofferaltaar moesten ze zonder onderbreking ‘s morgens en ‘s avonds brandoffers opdragen voor Jahweh, juist zoals het geschreven staat in de wet, die Jahweh aan Israël gegeven had.
41Y con ellos á Hemán y á Jeduthún, y los otros escogidos declarados por sus nombres, para glorificar á Jehová, porque es eterna su misericordia;
41Bij hen bevonden zich Heman en Jedoetoen en de overigen, die uitverkoren en met name aangewezen waren, om ter ere van Jahweh het “Looft Jahweh, want eeuwig duurt zijn barmhartigheid” te zingen.
42Con ellos á Hemán y á Jeduthún con trompetas y címbalos para tañer, y con otros instrumentos de música de Dios; y á los hijos de Jeduthún, por porteros.
42Bij Heman en Jedoetoen berustte de zorg voor de trompetten en cymbalen, voor de muziekinstrumenten en voor de godsdienstige liederen. De zonen van Jedoetoen bewaakten de poort.
43Y todo el pueblo se fué cada uno á su casa; y David se volvió para bendecir su casa.
43Daarna ging heel het volk naar huis, en David keerde terug, om zijn gezin te begroeten.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.