I Croniche
Chapter 12
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

I Croniche 12

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1OR questi furono quelli che vennero a Davide in Siclag, mentre era ancora rattenuto là , per tema di Saulle, figliuolo di Chis; i quali erano fra gli uomini prodi, buoni combattenti,
1Hier volgen degenen, die zich bij David aansloten in Sikelag, toen hij nog uitgestoten was door Saul, den zoon van Kisj. Ook zij behoorden tot de helden, die hem ondersteunden.
2armati di archi, tiratori di pietre con la frombola , e di saette con l'arco, così della man sinistra, come della destra. De' fratelli di Saulle, di Beniamino:
2Het waren geoefende boogschutters; ze konden zowel met de rechter- als met de linkerhand stenen slingeren en pijlen afschieten. Van de stam Benjamin behoorden de volgende stamgenoten van Saul er toe:
3Ahiezer, capo, e Ioas, figliuoli di Semaa, da Ghibea; e Ieziel, e Pelet, figliuoli di Azmavet; e Beraca, e Iehu Anatotita;
3Achiézer, de aanvoerder, en Joasj, zonen van Sjemaä uit Giba; Jeziël en Pélet, zonen van Azmáwet; Beraka en Jehoe uit Anatot;
4ed Ismaia Gabaonita, il più valoroso dei trenta, sopra i quali egli avea il reggimento; e Geremia, e Iahaziel, e Iohanan, e Iozabad Ghederatita;
4Jisjmaja uit Gibon, een van de heldhaftigsten onder de Dertig; Jirmeja, Jachaziël, Jochanan en Jozabad uit Gedera;
5Elusai, e Ierimot, e Bealia, e Semaria, e Sefatia Harufita;
5Eloezai, Jerimot, Bealja, Sjemarjáhoe en Sjefatjáhoe, die van Charif stamden;
6Elcana, ed Issia, e Azareel, ed Ioezer, e Iasobam, Coriti;
6Elkana, Jissji-jáhoe, Azarel, Joézer en Jasjobam, afstammelingen van Kórach;
7e Ioela, e Zebadia, figliuoli di Ieroham, da Ghedor.
7joëla en Zebadja, zonen van Jerocham uit Gedor.
8Alcuni eziandio de' Gaditi si appartarono per ridursi appresso a Davide, nella fortezza nel deserto, uomini prodi nelle armi, e guerrieri, armati di rotelle e di scudi; e parevano leoni in faccia, e cavriuoli in su i monti, in velocità.
8van de stam Gad liepen naar David in de woestijn geoefende strijders over: dappere mannen, gewapend met schild en lans, met koppen als leeuwen en zo snel als gazellen op de bergen. Het waren:
9Ezer era il primo, Obadia il secondo, Eliab il terzo,
9ézer, de aanvoerder; Obadja, de tweede; Eliab, de derde;
10Mismanna il quarto, Geremia il quinto,
10Misjmanna, de vierde; Jirmeja, de vijfde;
11Attai il sesto, Eliel il settimo,
11Attai, de zesde; Eliël, de zevende;
12Iohanan l'ottavo, Elzabad il nono,
12Jochanan, de achtste; Elzabad, de negende;
13Geremia il decimo, Macbannai l'undecimo.
13Jirmejáhoe, de tiende; Makbannai de elfde.
14Costoro, d'infra i figliuoli di Gad, furono capitani dell'esercito; il minimo comandava a cent' uomini , il maggiore a mille.
14Zij behoorden tot de afstammelingen van Gad en waren aanvoerders; de kleinste kon er alleen wel honderd aan, de grootste wel duizend.
15Questi furono quelli che passarono il Giordano al primo mese, quando è pieno fin sopra tutte le sue rive; e cacciarono tutti quelli che stavano nel le valli, verso Oriente, e verso Occidente.
15Zij waren het dan ook, die de Jordaan overstaken in de eerste maand, dus toen hij buiten zijn oevers getreden was, en die al de bewoners van het dal in oost en west op de vlucht joegen.
16Vennero ancora de' figliuoli di Beniamino, e di Giuda, a Davide, nella fortezza.
16En toen er nog anderen uit de stammen Benjamin en Juda bij David in de burcht kwamen,
17E Davide uscì loro incontro, e parlò loro, e disse: Se voi siete venuti a me da buoni amici, per soccorrermi, l'animo mio sarà inverso voi, per esser in buona unione insieme; ma se siete venuti per tradirmi a' miei nemici, quantunque non vi sia alcuna violenza nelle mie mani, l'Iddio de' nostri padri lo vegga, e ne faccia la punizione.
17ging hij ze tegemoet. Hij nam het woord, en sprak tot hen: Als gij met goede bedoelingen bij mij komt, om mij namelijk te helpen, wil ik mij van harte bij u aansluiten; maar als gij mij aan mijn tegenstanders wilt verraden, hoewel er geen onrecht aan mijn handen kleeft, dan moge de God onzer vaderen het aanschouwen en wreken!
18Allora lo Spirito investì Amasai, capo di que' capitani; ed egli disse : Noi siamo tuoi, o Davide, e staremo teco, o figliuolo d'Isai. Pace, pace a te, e pace a quelli che ti soccorrono; conciossiachè l'Iddio tuo ti soccorra. E Davide li accolse, e li costituì fra i capitani delle sue schiere.
18Toen kwam de geest over Amasai, het hoofd van de Dertig, en hij riep: David, u behoren wij toe; Zoon van Jesse, wij zijn met u! Heil u, heil u; Heil wie u helpt; Want uw hulp is uw God! Nu nam David hen aan, en stelde ze aan het hoofd van de troepen.
19Alcuni ancora di Manasse andarono ad arrendersi a Davide, quando egli venne co' Filistei, per combattere contro a Saulle. Ma Davide non diede loro alcun soccorso; perciocchè i principi dei Filistei, per comun consiglio, lo rimandarono, dicendo: Egli si rivolterà a Saulle, suo signore, al rischio del le nostre teste.
19Ook van Manasse kozen er voor David partij, toen hij met de Filistijnen tegen Saul te velde was getrokken, maar niet met hen mee mocht vechten. De tyrannen der Filistijnen stuurden hem namelijk met opzet terug, daar ze meenden, dat hij ten koste van hun hoofden naar zijn meester Saul zou overlopen!
20Quando egli di là andò in Siclag, Adna, e Iozabad, e Iediael, e Micael, e Iozabad, ed Elihu, e Silletai, d'infra i Manassiti, capi di migliaia di Manasse, andarono ad arrendersi a lui.
20Toen hij dus naar Sikelag ging, kozen de volgende Manassieten zijn partij: Adna, Jozabad, Jediaël, Mikaël, Jozabad, Elihoe en Silletai, bevelhebbers van duizend in Manasse.
21Ed essi diedero soccorso a Davide contro alle schiere che aveano fatta quella correria; perciocchè erano tutti uomini valenti, onde furono fatti capitani nell'esercito.
21Zij hielpen David tegen de roverbenden; want het waren allemaal dappere mannen en aanvoerders van het leger.
22Perciocchè di giorno in giorno venivano genti a Davide, per soccorrerlo, fino a fare un campo grande, come un campo di Dio.
22Dagelijks kwamen er dus nieuwe hulptroepen voor David, totdat het een leger was geworden, zo machtig als een leger van God.
23OR queste son le somme delle schiere di quelli che vennero a Davide in Hebron, in armi per la guerra, per trasportare in lui il reame di Saulle, secondo la parola del Signore:
23Hier volgt een opsomming van de afdelingen weerbare mannen, die in Hebron tot David kwamen, om, naar het woord van Jahweh, het koningschap van Saul op hem over te dragen.
24De' figliuoli di Giuda, che portavano scudo e lancia, vennero seimila ottocento in armi per la guerra.
24Van de stam Juda zesduizend achthonderd weerbare mannen, gewapend met schild en speer.
25De' figliuoli di Simeone, valenti e prodi per la guerra, vennero settemila cento.
25Van de stam Simeon zevenduizend en honderd dappere mannen, geoefend in de strijd.
26De' figliuoli di Levi, quattromila seicento;
26Van de stam Levi vierduizend zeshonderd man,
27insieme con Gioiada, conduttore de' discendenti d'Aaronne, ed avea seco tremila settecent' uomini ;
27met Jehojada, den leider van de Aäronieten, aan het hoofd van drieduizend zevenhonderd man,
28e Sadoc, giovane prode e valoroso, con ventidue de' principali delle casa di suo padre.
28en met den jongen Sadok, een dapper held, vergezeld van twee en twintig stamhoofden uit zijn familie.
29E de' figliuoli di Beniamino, fratelli di Saulle, sol tremila; perciocchè la maggior parte di essi fino allora tenea la parte della casa di Saulle.
29Van de stam Benjamin, de stamgenoten van Saul, slechts drieduizend man, daar de meesten van hen het voorlopig nog met de familie van Saul hielden.
30E de' figliuoli di Efraim, ventimila ottocent' uomini valorosi, e famosi nelle lor famiglie paterne.
30Van de stam Efraïm twintigduizend achthonderd dappere mannen, de meest beroemden van hun familie.
31E della mezza tribù di Manasse, diciottomila, i quali furono nominatamente deputati per venire a costituir Davide re.
31Van de halve stam Manasse achttienduizend man, die met name waren aangewezen, om David tot koning te gaan verheffen.
32E de' figliuoli d'Issacar, vennero uomini intendenti nella conoscenza dei tempi, per saper ciò che Israele avea da fare; i lor capi erano dugento, e tutti i lor fratelli si reggevano per loro avviso.
32Van de stam Issakar, die zijn tijd begreep en wist wat Israël te doen stond, tweehonderd stamhoofden met al de stamgenoten, die onder hun bevelen stonden.
33Di Zabulon vennero , di cuor sincero, cinquantamila uomini guerrieri, in ordine per la guerra, armati di tutte armi, ed ammaestrati a mettersi in ordinanza.
33Van de stam Zabulon vijftigduizend dienstplichtigen, die met volledige uitrusting voor de strijd gewapend waren, en bereid, om eensgezind hulp te bieden.
34E di Neftali, mille capitani, avendo seco trentasettemila uomini , con scudo e lancia.
34Van de stam Neftali duizend aanvoerders, die onder hun bevelen zeven en dertigduizend man hadden, gewapend met schild en speer.
35E de' Daniti, ventottomila seicento in ordine per la guerra.
35Van de stam Dan acht en twintigduizend zeshonderd welbewapende mannen.
36E di Aser, quarantamila uomini guerrieri, ammaestrati ad ordinarsi in battaglia.
36Van de stam Aser veertigduizend dienstplichtigen, welbewapende mannen.
37E di quelli di là dal Giordano, de' Rubeniti, de' Gaditi, e della mezza tribù di Manasse, cenventimila uomini armati di tutte armi da combattere.
37Uit het Overjordaanse kwamen er van de stammen Ruben, Gad en de halve stam van Manasse, honderd twintigduizend man, volledig toegerust.
38Tutti questi uomini di guerra vennero in ordinanza, di cuore intiero in Hebron, per costituir Davide re sopra tutto Israele. Tutto il rimanente d'Israele ancora era d'uno stesso animo per far Davide re.
38Dit waren allemaal strijdvaardige mannen, in regelmatig verband; ze kwamen met de beste bedoelingen naar Hebron, om David te verheffen tot koning van heel Israël. Ook de overige Israëlieten wilden eendrachtig David tot koning verheffen.
39E quella gente stette quivi tre giorni con Davide, mangiando e bevendo; perciocchè i lor fratelli aveano loro provveduto.
39Zij waren daar drie dagen bij David, en aten en dronken; hun stamgenoten hadden voor hen gezorgd.
40Ed anche i lor prossimi parenti, fin da Issacar, e Zabulon, e Neftali, portavano sopra asini, e sopra cammelli, e menavano con muli, e con buoi, pane, ed altra vittuaglia di farina, fichi secchi, ed uve secche, e vino, ed olio; e menavano eziandio buoi, e pecore, in gran quantità; perciocchè vi era allegrezza in Israele.
40Want zelfs uit Issakar, Zabulon en Neftali werden door hun stamverwanten op ezels, kamelen, muildieren en runderen levensmiddelen aangevoerd: grote hoeveelheden meelspijzen, vijgen, rozijnen, wijn en olie, runderen en schapen. Zo’n vreugde heerste er in Israël!.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.