Ісаїї 33
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Горе тобі, пустошнику, що його не пустошено, (горе тобі) грабіжнику, що його не рабували! Бо, як скінчиш пустошити, то й тебе спустошать; а як скінчиш рабувати, то й тебе зрабують.
1Wee u verwoester, zelf niet verwoest, Rover, dien men nog niet heeft beroofd: Zijt ge klaar met verwoesten, dan wordt ge verwoest, Hebt ge voldoende geroofd, dan berooft men ook u!
2Господи, помилуй нас: на тебе вповаєм; будь нам правицею з раннього ранку, й нашим рятунком у нуждї!
2O Jahweh, wees ons genadig, Wij vertrouwen op U; Wees iedere morgen opnieuw onze hulp, Onze redding in tijden van nood.
3Перед грозою голосу твого повтїкають народи; коли ти встанеш, розсїються невірні,
3Voor uw machtige donder vluchten de naties, Als Gij opstaat, stuiven de volken uiteen;
4І будуть збірати добичу по вас, як гусїнниця збірає, кинуться на все, як сарана кидаєсь.
4Dan oogst men buit, zoals de sprinkhanen oogsten, Dan valt men er als de vraten op aan.
5Високий Господь, що живе на висотах; він сповнить Сион судом і справедливостю.
5Verheven zijt Gij, o Jahweh, die woont in de hoge, Die Sion met recht en gerechtigheid hebt vervuld;
6І настануть про тебе часи безпечні, богацтво спасення, мудростї й знання, а страх Господень буде скарбом твоїм.
6Uw onwankelbare trouw was hem een weelde van heil, Wijsheid en kennis, en de vreze van Jahweh waren zijn schat.
7Ось, потужні їх кричать на улицях, а посли примирні гірко плачуть.
7Maar nu staan de Offerhaard-mannen buiten te jammeren. De vredeboden bitter te wenen:
8Стало пусто на дорогах, нема подорожних; поламав він умову, повалив місто — нїщо люде в його.
8“Hij heeft de verdragen geschonden, De steden beschimpt, en niemand ontzien!” De wegen liggen verlaten, geen reizigers meer,
9Земля сумує, млїє; Ливан у стидї, завмірає; Сарон став, як пустиня, а Базан з Кармелем і листє втеряли.
9Het land treurt en kwijnt, de Libanon schaamt zich; Als een wildernis ligt de Sjaron verdord, Basjan en Karmel staan kaal.
10Отже я тепер устану, говорить Господь, тепер піднімусь, здіймусь у гору.
10Maar nu zal Ik opstaan, spreekt Jahweh; Nu rijs Ik omhoog, nu richt Ik mij op:
11Вагонїєте від сїна, — вродите солому; подих ваш — огонь, він же й пожере вас.
11Gij gaat zwanger van stro, en kaf zult ge baren, Mijn adem zal als een vuur u verslinden!
12І тодї будуть погане, як горюща вапна, як порубана тернина, згорять ув огні.
12De volkeren zullen verbranden als kalk, Worden uitgetrokken als doornen, en verteerd door het vuur.
13Слухайте, далекі, що я задумав вчинити, та й ви, близькі, пізнайте силу мою.
13Die verre zijt, hoort wat Ik doe, Beseft, die nabij zijt, mijn kracht!
14Затремтять грішники на Сионї; переляк огорне безбожних: хто ж зміж нас зможе жити коло огню, що все пожерає, хто з нас видержить коло вічного поломя?
14En op Sion zullen de zondaars sidderen, De godvergetenen rillen: “Wie onzer kan ‘t houden bij het verslindende vuur, Wie onzer kan ‘t houden bij de eeuwige gloed!”
15А вже ж тілько той, хто ходить в справедливостї й говорить правду; хто цурається наживи з грабежі; хто вдержує руки від підкупу, хто на задуми кріваві уші затикає, й закриває свої очі, щоб зла й не бачити,
15Maar die in gerechtigheid wandelt, niet veinst bij zijn spreken, Afgeperste winsten versmaadt, zijn handen dichtknijpt voor omkoperij; Die zijn oren stopt, om geen moordplan te horen, Zijn ogen sluit, om geen misdaad te zien:
16Такий жити ме, мов на висотах, мов за неприступними скелями схорониться; хлїб його йому подасться, й вода не зсякне в його.
16Zo een zal op de hoogten wonen, De burcht op de rotsen zijn toevlucht zijn; Brood zal hem worden gereikt, Water hem nimmer ontbreken.
17Очі твої побачать Царя в славі його, увидять землю далеку;
17Dan zullen uw ogen den Koning in zijn glorie aanschouwen, En een land van onmetelijke omvang zien;
18Серце твоє буде тілько згадувати про страшне минуле: де той, що лїчив данину? де той, що робив перепись? де той, що розглядував башти?
18Dan denkt uw hart aan de verschrikkingen terug: Waar is de schatter, de ijker; waar hij die torens kwam tellen?
19Не побачиш більше люду жорстокого з глухою недослухною мовою, з язиком чудовищним, невторопним.
19Dan zult ge dat brutale volk niet meer zien, Dat volk met zijn duistere, onbegrijpelijke taal, Met zijn brabbelende tong, Die ge niet kondt verstaan.
20Подивися на Сиона, — се місто сьвяточних зборів наших, а очі твої побачать Ерусалим, пробуток мирний, незрушимий намет; стовпи його нїколи нїхто не вирве, й нї одна поворозка не пірветься.
20Maar ge zult Sion aanschouwen, de stad waar wij één zijn; Uw ogen zullen Jerusalem zien, de veilige stede, De tent die nooit wordt verplaatst, Wier pinnen niet worden uitgerukt, wier koorden niet springen.
21Там Господь великий у нас витає, замість рік та перекопів широких; туди не ввійде нїяке веслове судно, анї корабель не перейде.
21Neen, Jahweh zal daar onze Machtige zijn, In plaats van stromen en brede rivieren, Waarop geen galjoenen meer varen, Geen trotse bodems meer stevenen.
22Бо Господь — суддя нам, Господь — законодавець нам, Господь царь наш; він спасе нас.
22Want Jahweh zal onze rechter zijn, Jahweh onze bestuurder en koning:
23Твої ж (Ассуре) линви послабли, не вдержать щогли, не натягують вітрила. А тодї настане велике паюваннє здобичі, навіть калїки будуть жакувати.
23Hij zal ons redden, al hangen uw touwen slap, Al houden ze de masten niet vast, en spannen de zeilen niet uit. Dan maken zelfs blinden nog buit, En plunderen de lammen.
24І нїхто з осадників не скаже: „я не здужаю‟, а людям, що там будуть жити, відпустяться всї гріхи їх.
24En niemand der burgers zal zeggen: Ik ben ziek; Het volk, dat er woont, is zijn zonde vergeven!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.