Ісаїї 50
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Так говорить Господь: Де лист розводний, що я дав матері вашій, і з ним її відправив? або котрому то позичальникові мойму я вас торгом запродав? Нї, вас за гріхи ваші продано, за переступи ваші відпущена мати ваша.
1Zo spreekt Jahweh: Waar is de scheidingsbrief van uw moeder, Waarmee Ik haar zou hebben verstoten; Of aan wien van mijn schuldeisers zou Ik u hebben verkocht? Neen, om uw misdaden zijt ge verkocht, Om uw zonden is uw moeder verstoten!
2Чом се, як я прийшов, нїкого в вас не було, й коли я кликав, нїхто не обзивався? Хиба ж рука моя стала коротша, щоб рятувати, або не стало в мене сили, щоб визволяти? Та ж я моєю загрозою висушую море, а ріки в пустинї обертаю; риби в них гниють без води, і гинуть од згаги.
2Waarom was er niemand meer, toen Ik kwam; Gaf niemand antwoord, toen Ik riep? Of was mijn hand soms te kort om te verlossen, Of miste Ik de kracht om te redden? Zie, de zee leg Ik droog door mijn dreigen, Verander de stromen in een woestijn; Hun vissen versmachten, omdat het water ontbreekt, En zij sterven van dorst;
3Я небеса в темну тьму одягаю, наче веретою, я їх окриваю.
3De hemelen sla Ik het rouwkleed om, En geef hun als mantel een zak!
4Господь Бог дав менї язик мудрих, щоб міг піддержувати знемогающого. Він будить що-ранку, будить ухо моє, щоб я, як ученик, слухав.
4Jahweh, de Heer, heeft Mij de tong van een leerling gegeven, Om tot de ontmoedigden te kunnen spreken;
5Господь Бог відчинив менї ухо, й я не спротививсь, назад не подався.
5Jahweh, de Heer, heeft Mij het oor geopend, Om als een leerling te horen. 50:4c Elke morgen wekt Hij mijn woord, Elke morgen wekt Hij mijn oor: En Ik spreek niet tegen, Keer Mij niet af.
6Плечі мої дав я на побиваннє; щоки мої на поличкованнє, та й лиця мого не одвертаю від наруги заплювання.
6Mijn rug bied Ik hun, die Mij slaan, Mijn wangen, die Mij de baard uitrukken; Ik houd mijn gelaat niet verborgen Voor smaad en bespuwing.
7І Господь Бог помагає менї; тим то я не стидаюсь, тим я й держу лице моє, мов кремінь, та й знаю, що стид мене не досягне.
7Want Jahweh, de Heer, staat Mij bij, Daarom schaam Ik Mij niet; Daarom heb Ik mijn gelaat als een keisteen verhard, En weet, dat Ik niet te schande zal staan.
8Близько бо той, у кого менї справедливість; хто ж хоче менї противитись? Станьмо разом! Хто хоче зо мною судитись? нехай приступить ід менї!
8Mijn verdediger is nabij! Wie is mijn tegenpartij: Laten wij ons met elkander meten; Wie klaagt Mij aan: Hij trede tegen Mij op!
9Ось, Господь Бог помагає менї; хто ж мене осудить? Всї вони розпадуться, мов стара одежа, зʼїдена моллю.
9Zie, Jahweh, de Heer, is mijn helper: Wie zal Mij schuldig verklaren? Neen, ze zullen allen vergaan als een kleed, En de mot vreet ze weg!
10Хто зміж вас боїться Бога, слухає голосу раба Господнього? Хто у темряві, без сьвітла ходить, — нехай вповає на імя Господнє й покладаєсь на Бога свого.
10Wie van u dan Jahweh vreest, Hij luistere naar de stem van zijn Dienaar: Wie in duisternis wandelt, En geen lichtstraal meer ziet, Laat hij op de Naam van Jahweh vertrouwen, En steun gaan zoeken bij zijn God.
11Ви ж усї, що роздуваєте огонь, узброєні палющими стрілами, — ійдїте в поломя вашого огню та стріл ваших, що їх запалили. Се буде вам з руки моєї: у муках помрете!
11Maar gij allen, die een vuur hebt ontstoken, En fakkels doet branden: Weg met u in de gloed van uw vuur, In de fakkels, die gij ontsteekt; Door mijn eigen hand zal u dit overkomen, Op het bed van smarten zult ge liggen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.