Ісаїї 40
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Утїшайте, втїшайте мій нарід, говорить Бог наш;
1Troost, troost toch mijn volk, Zegt uw God;
2Промовляйте до серця Ерусалимові й вістїте йому, що час боротьби його вже скінчився, що неправедність його вже надоложена, бо він прийняв аж удвоє за гріхи свої з руки Господньої.
2Spreekt Jerusalem moed in het hart, En roept het hem toe: Dat zijn ellende voorbij is, Zijn schuld is geboet; Dat hij uit Jahweh’s hand heeft ontvangen Heel de straf voor zijn zonden.
3(Се дасть ся чути) голос покликуючого в пустинї: Стелїть дорогу Господеві, рівняйте в степу стежки Богу нашому;
3Daar roept men: Baant Jahweh een weg in de steppe, Effent een pad in de woestijn voor onzen God;
4Всякий видол нехай заповниться, а всяка гора й горб нехай униз подадуться, всякі закрути нехай випростуються, й місця нерівні вирівняються.
4Elk dal moet gevuld, alle bergen en heuvels geslecht, De krochten moeten een vlakte worden, de klip een vallei.
5Бо явиться слава Господня, й побачить всяке тїло (спасеннє од Бога); так бо сказали уста Господнї.
5Dan zal de glorie van Jahweh zich tonen, Alle vlees ze aanschouwen; Allen zullen Gods heerlijkheid zien. De mond van Jahweh heeft het gezegd!
6Голос покликує: Вісти! А я сказав: Що вістити? (Ось що:) Всяке тїло — трава, й всяка краса його — в полі цьвітка.
6Daar klinkt een stem: Roep het uit! Ik zeide: Wat moet ik gaan roepen? Alle vlees is als gras, Heel zijn glorie als de bloem op het veld!
7Засихає трава, вяне цьвіт, коли подує на його подих Господень: так і люде — трава.
7Het gras verdort, de bloem verwelkt, Als er Jahweh ‘s adem op blaast; Ja, de mens is als gras,
8Засихає трава, вяне цьвітка, слово же Бога нашого тріває по всї віки.
8Maar het woord van onzen God houdt in eeuwigheid stand!
9Взійди ж із веселою вістю на гору, Сионе! Кликни голосом із усієї сили, Ерусалиме, подаючи вість благую! кликни, не бійся; скажи містам Юдейським: Ось він, — Бог ваш!
9Bestijg de hoogste berg, Gij vreugdebode van Sion; Verhef uw stem met kracht, Jerusalems vreugdegezant. Laat luid ze weerschallen, En wees niet bevreesd; Roep tot de steden van Juda: Hier is uw God!
10Ось, ійде Господь у потузї, в його руцї — власть. Ось, нагорода його з ним; так, заплата його перед лицем у його.
10Zie, Jahweh, de Heer, komt met kracht, En zijn arm voert de macht; Zijn vergelding komt met Hem mee, Zijn beloning gaat voor Hem uit.
11Як пастирь, пасти ме він стадо своє; на руки ягняток брати ме він і носити їх на грудях у себе, а дійні водити.
11Als een herder weidt Hij zijn kudde, Neemt de schaapjes op in zijn arm; Hij legt ze neer in zijn schoot, En leidt er de moeders naar toe.
12Хто б то вичерпав пригорщею воду, хто пяддю виміряв небеса; хто змістив у міру пил земний, зважив на вазї гори, а на тарілках вагових — горби?
12Wie heeft de wateren gepeild in zijn vuist, De hemel omspannen met de palm van zijn hand; Wie het stof van de aarde in een maatje gemeten, De bergen op een weegschaal gewogen, de heuvels op een balans?
13Хто збагнув дух Господень, був порадником йому і вчив його?
13Wie heeft de geest van Jahweh geleid, Wie was zijn raadsman, die Hem onderricht gaf;
14З ким він радиться, хто наводить його на розум, вказує правду, навчає його знання, або показує дорогу до мудростї?
14Wien heeft Hij gevraagd, Hem te leren, de juiste weg te wijzen, Hem kennis te brengen, en het pad der wijsheid te tonen?
15В його люде — мов крапля з відра, а на вазї важять за пилинку. Мов порошинку підійме він острови.
15Zie, de volken zijn als een drup aan de emmer, Niet meer dan een stofje op de balans; Zie, de eilanden wegen niet zwaarder Dan een korreltje zand!
16Мало в його всього Ливану на дрова до жертви, мало всїх стад його на всепаленнє.
16De Libanon is niet toereikend voor brandhout, Zijn wild niet voor offers;
17Всї народи перед ним — нїщо, менш пустого нїчого значать вони в його.
17Alle naties zijn als niets voor zijn aanschijn, Nog minder voor Hem dan leegte en lucht!
18Так кому ж ви уподобите Бога й хто йому рівня?
18Met wien dan zoudt ge God vergelijken, Welk beeld in zijn plaats willen stellen?
19Виливає мистець ідоли, золотарь золотить їх, та начіплює їм ланцюжки срібні.
19De gieter giet het afgodsbeeld, De goudsmid beslaat het met goud; Men smeedt er zilveren kettingen aan,
20Неспроможний же про такий принос, вибирає тверде дерево, вишукує умілця, щоб зробити боввана, що стояв би непорушно.
20En kiest voor zijn voetstuk hout, dat niet rot. Dan zoekt men een handigen werkman, Om het beeld vast te zetten, zodat het niet wankelt!
21Чи то ж ви не знаєте? чи ви не чували? хиба же вам не говорено від початку? хиба ж не навчились із основ землї?
21Weet ge het niet, en hoort ge het niet, Is het u niet van de aanvang bekend; Begrijpt ge het niet, Sinds de aarde gegrond werd?
22Се ж він є той, що над кругом земним престолує, а живущі на йому — хиба тілько, як саранча перед ним; він простер небеса, мов намітку тоненьку, й розширив їх, мов намет на житло.
22Hij troont op het gewelf van de aarde, Zodat haar bewoners als sprinkhanen zijn; Hij spreidt de hemelen uit als een tentdoek, En spant ze als een tent, waarin men gaat wonen!
23Він князїв у нїщо обертає, й суддїв земних — у пусту марницю.
23Hij richt de vorsten te gronde, Vaagt weg de rechters der aarde.
24Ледві в землю посаджено їх, ледві їх посїяно й в землї пень їх вкорінився, — дихнув він, і ось вони зівяли й понїс їх вітер, як солому.
24Nauwelijks zijn ze geplant, Ternauwernood zijn ze gezaaid, Nog eer hun stam in de bodem Heeft wortel geschoten, Blaast Hij er op: ze verdorren, En de storm verjaagt ze als kaf.
25Хто ж у вас рівня менї, хто подобен? — говорить Сьвятий.
25Met wien vergelijkt ge Mij dan, Zegt de Heilige: op wien zou Ik lijken?
26Позирнїть лиш у гору очима й побачте, хто се сотворив? хто військо небесне виводить по його лїчбі? А всїх їх кличе він на імя, й в великій потузї й силї своїй не дає він нї одному згубитись.
26Heft uw ogen omhoog: Zie, wie heeft dat geschapen? Wie telde hun heir, en liet het marcheren, Wie riep ze allen bij naam, Door zijn grote macht en geweldige sterkte, Zodat er niet één aan ontbrak?
27Як же се ти, Якове, говориш і кажеш, Ізраїлю: Дорога моя закрита перед Господом, справи мої забуті Богом моїм.
27Waarom zegt ge dan, Jakob, Waarom spreekt ge dan, Israël: Mijn weg ligt voor Jahweh verborgen, Mijn recht ontgaat aan mijn God!
28Чи ще ж ти не збагнув, чи сього не чував єси, що вічний Господь Бог, творець усієї вселенної, безʼутомний і на силах не впадає, та й що розум його недослїдимий?
28Hebt ge het dan niet gehoord en vernomen: Jahweh is een eeuwige God, Schepper van de grenzen der aarde! Hij wordt moede noch mat, Zijn wijsheid is niet te doorgronden!
29Він же додає сили втомленому й підкріпляє знемощілого.
29Hij versterkt den vermoeide, En verdubbelt de kracht van den zwakke.
30І молодїж, буває, знеможе — ослабне, та й мужі впадають на силах,
30Jonge mannen worden nog moede en mat, Forse knapen kunnen bezwijken:
31Тілько хто на Бога вповає, в того сила відновлюєсь; підніме крила, як орел, побіжить і не вмучиться, пійде і не втомиться.
31Maar die op Jahweh vertrouwen, vernieuwen hun kracht, Slaan hun vleugels als adelaars uit; Ze lopen, maar worden niet moe, Ze rennen, maar worden niet mat!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.