Ісаїї 13
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Слово пророче про Вавилон, висказане Ісаїєм, сином Амосовим:
1De godsspraak over Babel, die Isaias, de zoon van Amos, ontving:
2Підійміть знамено воєнне на верху гори, кликнїть голосно, махнїте рукою, щоб наступали на ворота сих вельмож!
2Plant een banier op een open berg; Schreeuwt het hun toe, En wenkt met de hand, Dat ze de poorten der tyrannen binnenrukken!
3Я дав приказ тим, що їх вибрав; я покликав сильних, щоб довершили гнїв мій, радїючи славою, яку даю їм.
3Ikzelf in mijn woede Heb mijn heilige troepen ontboden, Opgeroepen mijn helden, Mijn triomferende strijders!
4Ось, окрик по горах, наче великої товпи людей, гомін зворушених царів та народів зібраних разом: Господь сил чинить перегляд боєвого війська!
4Een donderend geraas op de bergen, Als van een geweldige legertros; Het rommelen van vorstendommen, Van volken, die zich verzamen! Jahweh der heirscharen monstert zijn troepen,
5Поприходили здалека, від краю неба — і Господь і знаряддя гнїву його, щоб збурити ввесь край.
5Van verre gekomen, van de grenzen des hemels: Jahweh met de werktuigen van zijn toorn, Om de hele aarde te teisteren!
6О, ридайте, бо день Божий ближиться, — як опустошуюча сила рукою Всемогущого.
6Huilt! Want de dag van Jahweh is nabij; Hij komt als een stortvloed van den Almachtige!
7Тим то руки в кожного зомлїли, в кожної людини серце заниває.
7Alle handen verslappen er van, Elk mensenhart smelt er van weg;
8Зжахнулись; судороги й болї схопили їх, нїби породїлю; стуманївши, глядить одно на одного, лиця в них зажарілись.
8Ze schokken van krampen, en weeën grijpen hen aan, Ze wringen zich als een barende vrouw; Verbijsterd zien ze elkander aan, Hun gezichten gloeien als vlammen.
9Наступає день Господень, день гнїву палкого, щоб обернути землю в пустиню й вигубити грішників на нїй.
9Zie, de dag van Jahweh komt, Wreed, verbolgen en woedend: Om de aarde in een woestijn te veranderen, Haar zondaars te moorden.
10Небесні зорі й сьвітила не дають із себе сьвітла; сонце, сходючи, темнїє, й місяць не сьвітить сьвітлом своїм.
10De hemelsterren en haar wachters Laten haar licht niet meer stralen; De zon is bij haar opgang al donker, En de maan geeft geen glans.
11Я скараю люд за зло, й безбожників за їх беззаконня; зроблю конець гординї пишних, і впокорю надутих гнобителїв.
11Ik zal de wereld haar boosheid vergelden, En de zondaars hun schuld, Een eind aan het zwetsen der grootsprekers maken, En de trots der geweldenaars breken.
12Я вчиню так, що люде будуть дорожші над золото чисте, і мужі дорожші над золото Офирське.
12Het volk maak Ik schaarser nog dan het goud, De mannen zeldzamer dan de metalen van Ofir;
13Тим то я потрясу небом, і земля порушиться з свого місця від гнїву палкого Господа Саваота в день палаючого гнїву його.
13De hemelen trillen er van, De aarde wordt uit haar voegen gerukt: Om de gramschap van Jahweh der heirscharen Op de dag van zijn gloeiende toorn!
14Тодї кожний, — мов серна, що за нею гонять, мов вівцї, пустопаш лишені, — розбігнесь поміж народ свій, шукати ме сховища в землї своїй;
14Als een opgejaagd hert, Als een kudde, die niemand bijeenhoudt, Keert iedereen terug naar zijn eigen volk, En vlucht weg naar zijn land.
15Але кого стрінуть, той пробитий буде, кого схоплять, від меча погибне.
15Wie men ontdekt, wordt doorboord, Wie wordt gegrepen, valt door het zwaard;
16Дїток їх вбивати муть в їх перед очима; домівки їх пограбують, жінок збесчестять.
16Hun kinderen worden voor hun ogen verpletterd, Hun huizen geplunderd, hun vrouwen onteerd.
17Я Мидіїв на їх справлю, тим срібло байдужне, й на золото не ласі.
17Zie, Ik hits de Meden tegen hen op, Die zilver niet tellen, en goud niet begeren!
18Луки їх вбивати муть малечу, не пощадять плоду в матері в утробі, око їх дїтей не пожалує.
18De knapen worden door de bogen getroffen, De meisjes verkracht; Geen erbarmen voor de vrucht van de schoot, Geen genade voor kinderen!
19І Вавилон, царстов окрасу, гордощі в Халдеїв, поверне Бог у нїщо, як Содом-Гоморру.
19Dan wordt Babel, de parel der koninkrijken, Het pronkjuweel der Chaldeën, Door God tot de grond toe verwoest, Als Sodoma en Gomorra.
20Там осадник не осяде з роду та й до роду; нї Араб шатра розложить, нї пастух там із стадом буде спочивати.
20Het blijft voor immer verlaten, Ontvolkt van geslacht tot geslacht; De Arabieren slaan er hun tenten niet op, De herders legeren er niet.
21Нї! звіррє пустиннє буде його залягати, а доми наповняться пугачами; жити муть там струсї, косматі малпи скакати.
21Maar jakhalzen hebben er hun holen, En uilen vullen hun huizen; De struisen komen er nestelen, Baarlijke duivels dansen er rond.
22Шакалі вити муть у домівках їх, і гієни по роскішних замках.
22In hun burchten janken de honden, In hun lustpaleizen de wolven: Zijn tijd is gekomen, Zijn dag niet verschoven!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.