Ісаїї 42
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ось, слуга мій, що я за руку держу його; вибраний мій, що його вподобала собі душа моя. Я положив духа мого на него; він звістить народам суд справедливий.
1Ziet nu mijn Dienaar, wien Ik verknocht ben, Mijn Uitverkorene, die Mij behaagt! Ik heb op Hem mijn geest gelegd, En de volken zal Hij de wet verkonden.
2Не крикне він; не піднесе голосу, гнївний; не дасть почути його на улицях.
2Men hoort Hem schreeuwen noch roepen, Zelfs zijn stem niet verheffen op straat;
3Тростинки приломленої не доламле, й льону, що куритись почав, не погасить; по правдї він буде суд судити.
3Hij zal het geknakte riet niet breken, De kwijnende vlaspit niet doven. Trouw draagt Hij de wet voor zich uit,
4Не ослабне, не втомиться, аж покіль твердо суд свій і правду поставить на сьвітї; на ймя ж і науку його вповати муть острови.
4Onvermoeid en nooit gebroken, Totdat Hij op aarde de wet heeft gevestigd, En de landen zijn lering verbeiden!
5Ось так говорить Господь, що создав небеса й напяв їх; що розпросторив землю з усїм, що вона родить, та що дає диханнє людям на нїй і дух ходячим по нїй:
5Zo spreekt Jahweh, die de hemelen schiep en ze spande, Die de aarde vormde met wat er groeit, Die adem geeft aan het volk, dat er woont, En levensgeest aan die er wandelen.
6Я, Господь, покликав тебе на правду, й буду держати тебе за руку, й берегти тебе, й поставлю тебе у завіт народам, за сьвітло невірним;
6Ik Jahweh, heb U in mijn ontferming geroepen, U bij de hand gevat en beschut; U gesteld tot Verbond met het volk, En tot Licht voor de naties:
7Щоб очі слїпим одчиняти; щоб виводити вязнїв із вязницї, а сидячих у темряві — з темницї.
7Om blinden de ogen te openen, Om gevangenen uit de kerker te verlossen, En uit donkere krochten Die in duisternis zitten.
8Я Господь; се імя моє, і не поступлюся славою моєю кому иншому, величчю моєю — бовванам.
8Ik ben Jahweh; Dit is mijn Naam! Mijn glorie sta Ik niemand af, Aan geen beelden mijn eer.
9Давно обіцяне вже спевнилось, а що буде, я возвіщу; нїм воно станесь, я звіщу вам.
9Zie, vervuld is wat vroeger voorspeld was, Thans kondig Ik nieuwe dingen aan; Nog eer ze ontkiemen, Heb Ik ze ù laten weten!
10Сьпівайте ж Господу нову пісню, оддавайте хвалу йому від конця до конця сьвіту; плаваючі по морі і все, чим воно повне — острови й ті, що живуть на них.
10Zingt een nieuw lied Ter ere van Jahweh; Heft een lofzang voor Hem aan Op de grenzen der aarde: Gij die de zee beploegt en bevolkt, Met de eilanden, en die er op wonen!
11Нехай озветься голосно пустиня, й міста її, оселї, де живе Кедар; нехай радісно загомонять, що живуть на скелях, нехай викликують із верхів гірських.
11De steppe jubele met haar steden, De legerplaats waar Kedar woont; Laat de bewoners van Séla juichen, Jubileren van de toppen der bergen:
12Нехай віддають Господу честь, і хвалу його розголошуть по островах.
12Laat hen glorie brengen aan Jahweh, Aan de eilanden zijn lof verkonden!
13Господь виступить, мов велетень; як воєвода, розбудить завзяттє; кликне, підніме крик боєвий, і явить себе сильним проти ворогів своїх.
13Jahweh rukt uit als een held, Als een krijger blakend van strijdlust; Bulderend heft Hij de strijdkreet aan, En daagt zijn vijanden uit:
14Довго я мовчав, терпів, здержувавсь; тепер же буду кричати, немов породїля; буду валити й все поглочувати;
14Lang heb Ik gezwegen, Mij stil gehouden, en bedwongen! Maar nu zal Ik gillen als een barende vrouw, Nu zal Ik briesen en snuiven;
15Попустошу гори й горби, і всю зелень їх посушу, островами ріки пороблю, осушу озера;
15Ik zal bergen en heuvels verschroeien, En al hun groen doen verdorren; Ik maak de stromen tot steppen, Leg de waterplassen droog.
16І поведу сліпих по дорозї, якої зроду не знали, незвісними їм дорогами буду їх провожати; темряву вчиню їм сьвітлом, криві дороги — простими; оттаке я їм учиню, та й їх не покину.
16Maar de blinden zal Ik leiden Op wegen, die ze niet kennen; En op onbekende paden Doe Ik ze gaan; De duisternis voor hen uit verkeer Ik in licht, De krochten in vlakten. Al deze dingen zal Ik volbrengen, Daarvan laat Ik niet af!
17Тодї повернуться взад, і окриються великим соромом, що на своїх ідолів вповали, та до бовванів промовляли: Ви боги наші.
17Dan zullen wijken, blozend van schaamte, Die op de goden vertrouwen, En die tot de afgoden zeggen: Gij zijt onze God!
18Слухайте ж, глухі, дивітесь, слїпі, щоб побачили.
18Gij, doven, hoort; Gij blinden, opent de ogen en ziet!
19Хто ж такий слїпий, як слуга мій, і глухий, як посел мій? Хто такий слїпий, як той, що я полюбив його, такий слїпий, як раб Господень?
19Wie is er blind als mijn dienaar, Wie zo doof als die over hem heersen; Wie zo blind als mijn vertrouwde, Wie doof als de dienaar van Jahweh!
20Много бачив ти, та не запримічав; слух у тебе був отворений, та ти не чув.
20Grootse dingen hebt gij gezien, Maar er geen acht op geslagen; Uw oren waren geopend, Maar ge hebt niet gehoord:
21Господь зволив задля правди своєї звеличити та прославити закон;
21Het had Jahweh in zijn goedheid behaagd, Een wet u te schenken, groots en verheven!
22Та се нарід розбитий та розграблений; всї вони повязані (гріхами), мов у ямах підземних, мов зачинені в темницях; за те ж і стали вони здобичею та й нема їм вибавителя; вони забрані, а нїкому сказати: верни їх назад!
22Toch werd het een volk, berooid en beroofd, Allen in holen gestoken, in kerkers verborgen; Ze werden tot buit, en er was niemand, die hielp, Leeggeplunderd, en er zei niemand: Geef terug.
23А хто зміж вас прихиляв до сього слух, вслуховався та розмірковував, що з того буде?
23Wie heeft onder u toen geluisterd, Er acht op geslagen, het voor de toekomst verstaan?
24Хто ж віддав Якова на спустошеннє, а Ізраїля в здобичу? чи то ж не Господь, що проти його ви грішили? бо не хотїли вони ходити дорогами його, не слухали закону його.
24Wie gaf Jakob aan de plundering prijs, En Israël aan de berovers? Was het Jahweh niet, Tegen wien ze hadden gezondigd; Wiens wegen ze niet wilden gaan, Wiens bevelen ze niet wilden horen?
25От і вилив він на них ярость гнїву свого, і лють війни: запалала вона кругом них поломєм, та вони не запримітили; горіла в них, та вони не зміркували того серцем.
25Toen goot Hij zijn ziedende toorn over hem uit, En het geweld van de krijg; Hij zette hem aan alle kanten in vlammen, Maar hij kwam niet tot inzicht; Hij stak hem in brand, Maar hij wilde het niet ter harte nemen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.