Ісаїї
Chapter 51
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ісаїї 51

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Послухайте мене, ви, що змагаєтесь до справедливостї, й шукаєте Господа! Спогляньте на скелю, що з неї витесані, — на вижолобину, що по вас (в скелї) зосталась:
1Luistert naar Mij, die naar gerechtigheid streeft, En die Jahweh wilt zoeken! Ziet naar de rots, waaruit gij gehouwen, De groeve, waaruit gij gegraven zijt;
2Спогляньте на Авраама, праотця вашого, й на Сарру, що вас породила; одного бо його я покликав, благословив його й намножив його.
2Ziet op naar Abraham, uw vader, Naar Sara, die u heeft gebaard: Hoe Ik hem heb geroepen, toen hij alleen stond, Hem heb gezegend en vermeerderd.
3Оттак потїшить Господь і Сиона, потїшить всї розвалища його, й оберне пустиню його у рай, і степ його в сад Господень; радощі й веселощі будуть у йому пробувати, похвала й піснї гомонїти.
3Want Jahweh heeft medelijden met Sion, Mededogen met al zijn puinen:Hij zal zijn steppe in een Eden veranderen, Zijn woestenij in Jahweh’s tuin; Men zal er vreugde en blijdschap in vinden, Lofgezang en muziek!
4Слухайте мене, мій ти народе; роде мій, прихили твоє ухо! бо від мене вийде закон і суд мій поставлю сьвітлом для народів.
4Hoor naar Mij, o mijn volk, Mijn natie, luister naar Mij: Want van Mij gaat de wet uit, Mijn recht als een licht voor de volken;
5Вже наближуєсь справедливість моя; вже спасеннє надходить, і правиця моя буде судити народи; далекі острови будуть сподїватись мене й надїятись на рамя моє.
5Snel nadert mijn gerechtigheid, mijn redding verschijnt, Mijn armen zullen de volkeren richten; Op Mij zullen de eilanden hopen, Verlangend uitzien naar mijn arm.
6Підніміте очі ваші на небо в горі, гляньте на землю внизу: ось, небеса поникнуть, як дим, і земля — мов стара одежина, а спасеннє моє з віку в вік пробувати ме, й справедливість моя не зникне.
6Heft uw ogen omhoog naar de hemel, En blikt naar de aarde omlaag: De hemel zal in rook vervliegen, De aarde slijten als een kleed, En die er op wonen, Zullen sterven als muggen; Maar mijn heil zal duren voor eeuwig, Mijn gerechtigheid zal nimmer vergaan!
7Слухайте мене, ви, що знаєте справедливість; народе, що в його серцї закон мій! Не лякайтесь наруги од людей; їх зневаги не бійтесь.
7Hoort dan naar Mij, die de gerechtigheid kent, Volk, dat mijn wet bewaart in zijn hart: Weest niet bevreesd voor de hoon van de mensen, Niet beducht voor hun smaad.
8Як одежу бо, сточить їх тля, і як вовну, зʼїдять їх черви; моя ж справедливість потріває по віки, і спасеннє моє з роду в рід.
8Want de mot vreet ze weg als een kleed. De worm verteert ze als wol; Maar mijn gerechtigheid zal duren voor eeuwig, Mijn heil van geslacht tot geslacht!
9Встань же, встань та в потугу вдягнись, ти, правице Господня! Встань, як в давна давнезні, як перед віками! Хиба ж бо не ти побила Раава, вбила крокодиля?
9Op, arm van Jahweh; op, en bekleed u met kracht, Op, als van ouds, als in vroegere tijden! Waart gij het niet, die Ráhab vanéén spleet, En het monster doorboorde;
10Чи ж не ти висушила море, води бездонні; замінила глибини морські в дорогу, щоб перейшли вибавлені?
10Waart gij het niet, die de zee liet verdrogen, De wateren van de onmetelijke vloed; Die de diepten der zee tot een weg hebt gemaakt, Tot een doortocht voor de verlosten?
11Так і тепер повертаються вибавлені Господом і прийдуть на Сион із піснями, й радість вічна — над головами їх; вони знайдуть радощі й веселощі, а смуток і взітхання перестануть.
11Die door Jahweh worden bevrijd, keren terug, En trekken juichend naar Sion; Het hoofd met eeuwige vreugde gekroond, Overstelpt van vreugde en blijdschap. Verdwenen zijn kommer en zuchten;
12Я, я сам — утїшитель ваш. Хто ж ти, що боїшся чоловіка, котрий вмерає, й людини, що як та травиця?
12Ik ben het zelf, die u troost! Hoe kunt ge dan vrezen voor mensen, die sterven, Voor een mensenkind, dat vergaat als het gras?
13А забуваєш Господа, творця свого, що розпростер небо, основав землю. Ти що дня тремтиш перед лютостю гнобителя, що наладивсь тебе затратити. Де ж подїлась та злющого ярость?
13Hoe kunt ge Jahweh, uw Schepper, vergeten, Die de hemelen spande, de aarde grondde; Hoe immerdoor beven voor de woede van den verdrukker, Als bezat hij de macht, om u te vernielen? Waar is toch de woede van uw verdrukker?
14Хутко визволений буде невольник, не помре в ямі і не зазнає недостачі хлїба.
14De in boeien gekromde wordt spoedig bevrijd; Hij zal niet sterven in de kerker, Het brood zal hem nimmer ontbreken!
15Я — Господь Бог твій, що бурить море, аж филї ревуть: Господь Саваот — імя моє.
15Ik ben Jahweh, uw God, Die de zee beroert, En de golven doet bruisen; Die Jahweh der heirscharen wordt genoemd!
16Я вложу слова мої в уста тобі, і тїнню руки моєї закрию тебе, щоб ти знов устроїв небеса й заложив землю та сказав Сионові: Ти мій люд.
16Ik legde mijn woorden in uw mond, Hield in de schaduw van mijn hand u verborgen: Om opnieuw de hemel te spannen, en de aarde te gronden, En tot Sion te zeggen: Gij zijt mijn volk!
17Розбудись, розбудись, устань, Ерусалиме, ти, що з руки Господньої випив чашу гнїву його, вихилив до дна чашу опяняющу, аж висушив її.
17Ontwaak, ontwaak; Jerusalem, sta op: Die uit Jahweh’s hand de kelk van zijn toorn hebt gedronken, De zwijmelbeker tot de bodem toe hebt geleegd!
18І не було нїкого в него, щоб вести під руку, зміж синів, що їх породив; не було нїкого, щоб піддержати його за руку, зміж усїх синів, що їх виховав.
18Er is niemand geweest, die haar leidde, Van al de zonen, die zij had gebaard; Niet één, die haar bij de hand heeft gevat, Van al de zonen, die zij groot had gebracht.
19Дві бідї на тебе разом налягли, й хто тебе розважить? — опустошеннє й збуреннє; голод і меч; ким же я потїшу тебе?
19Deze twee rampen hebben u getroffen; Wie klaagt er om u: Verwoesting en puinen, honger en zwaard; Wie kan u troosten?
20Дїти твої в знемозї лежали по углах усїх улиць, мов сугак той у путах, під гнївом Господнїм, під пересердєм Бога твого.
20Uw zonen liggen beschonken op alle hoeken der straten, Als een gazel in de strik: Dronken van de gramschap van Jahweh, Van het dreigen van onzen God.
21Слухай же тепер, бідолахо, що впився, та не вином:
21Rampzalige, luister toch; Beschonkene, maar niet van de wijn!
22Так говорить Господь і Бог твій, що мститься за народ свій: Ось я беру з руки твоєї упоюющу чашу; виливаю з чаші гущу гнїву мого, — не будеш уже її пити,
22Zo spreekt Jahweh, uw Heer, Uw God, die pleit voor zijn volk: Zie, Ik neem weg uit uw hand De kelk der bezwijming; De kelk van mijn gramschap Zult gij langer niet drinken!
23А передам її в руки томителям твоїм, що приказували тобі: Впади ниць, щоб по тобі нам пройти; ти ж свою спину робив пішоходом, стежкою мусїв її простягати.
23Ik plaats hem in de handen van uw verdrukkers, In de handen van uw tyrannen, Die tot u zeggen: Buk u neer, Opdat wij over u heen kunnen lopen; Maak uw rug tot een bodem, Tot een straat om te wandelen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.