Ісаїї 49
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Слухайте мене, острови, вважайте, далекі народи: Господь покликав мене з утроби, від матїрнього лоня назвав імя моє;
1Eilanden, luistert naar Mij; Hoort aandachtig, verre volken: Jahweh heeft van mijn geboorte af Mij geroepen, Van de moederschoot af mijn naam genoemd.
2І зробив гострим мечем уста мої, окрив мене тїнню руки своєї, і зробив мене стрілою гострою і сховав в сагайдацї свойму;
2Hij maakte mijn mond een vlijmend zwaard, Hield Mij in de schaduw van zijn hand verborgen; Hij wette Mij tot een scherpe pijl, En stak Mij weg in zijn koker.
3І сказав менї: Ти раб мій, Ізраїлю, в тобі я прославлюся.
3Hij sprak tot Mij: Gij zijt mijn Dienaar, Door wien Ik Mij glorie bereid. Zo werd Ik geëerd in de ogen van Jahweh, En mijn God was mijn kracht.
4І промовив я: Дармо я трудився, надармо вичерпав силу мою. Та моя справа перед Господом, і заплата моя — в Бога мого.
4Ik zeide: Ik zwoeg tevergeefs, Voor niets en vruchteloos verspil Ik mijn kracht; Mijn aanspraak is echter bij Jahweh, Mijn loon bij mijn God!
5А тепер говорить Господь, — той, що приспособив мене з лоня в раба собі, щоб навернути Якова до його, й зібрати до його Ізраїля; я бо славен в очу Господнїм, і Бог мій сила моя.
5Maar nu spreekt Jahweh, Die tot zijn Dienaar Mij vormde van de moederschoot af, Om Jakob tot Hem terug te brengen, En Israël voor Hem te verzamelen:
6І сказав він: Того ще й омаль, що ти будеш слугою моїм, щоб поколїння Яковові розбудити, Ізраїля ощадок навернути; нї, тебе я зроблю сьвітлом народам, щоб спасеннє моє розпростерлось до кінцїв землї.
6Hij spreekt: Het is te gering, mijn Dienaar te zijn, Om Jakobs stammen op te richten en Israëls resten terug te brengen: Ik stel U tot Licht voor de heidenen, Om mijn heil te doen reiken tot de grenzen der aarde!
7Так говорить Господь, визволитель Ізраїлїв, Сьвятий його, до зневажаного всїма, погордженого в народї, до раба в можних: Царі побачать, та й повстають; князї поклоняться задля Господа, що вірний у слові; задля Сьвятого Ізрайлевого, що вибрав тебе.
7Zo spreekt Jahweh, Israëls Heilige en Verlosser, Tot Hem, die door het volk wordt veracht en verfoeid, Tot den slaaf der tyrannen! Koningen rijzen omhoog, wanneer ze U zien, En vorsten werpen zich neer; Omdat Jahweh getrouw is, Israëls Heilige U uitverkoos!
8Так говорить Господь: Часу вподобного я вислухаю тебе й в день спасення допоможу тобі; й збережу тебе, й дам тебе в завіт народам, щоб обновити землю, і попустошене наслїдникам вернути,
8Zo spreekt Jahweh: Ik verhoor U in de tijd der genade, En sta U bij op de dag van het heil; Ik heb U gevormd en bestemd Tot een Verbond met het volk: Om het land weer op te richten, De braak liggende erven te verdelen;
9Щоб вязням сказати: Виходьте на волю, а тим, що в темряві: Ійдїте на сьвітло. Пасти муться при дорогах; по всїх узгіррях будуть пасовища їх;
9Om tot de gevangenen te zeggen: Trekt uit! Die in duisternis zitten: Komt tot het licht! Langs alle wegen zullen ze weiden, Op iedere rots hun grasveld vinden;
10Голоду знати не будуть, нї згаги, й не поразить їх спека і сонце; той бо, що милує їх, буде їх водити й приведе їх до джерел водних.
10Ze zullen honger lijden noch dorst, Geen verzengende wind of zon zal ze kwellen! Want hun Ontfermer zal ze geleiden, Ze naar de waterbronnen voeren;
11Всї гори мої дорогами зроблю, і всї стежки по долинах угору підійму.
11Van al mijn bergen maak Ik een weg, En al mijn paden worden gebaand!
12Се поприходять з далека, — одні від півночі, другі з Синим-країни.
12Zie, de één komt uit het oosten, De andere komt uit het noorden, Anderen weer uit het westen, Anderen uit het land der Sinieten:
13Радуйся, небо, й ти, земле, гомонїть, гори, з радощів; втїшив бо люд свій Господь, змилосердився до страдальників своїх.
13Jubelt, hemelen, verheugt u, aarde, Bergen, barst in juichkreten los; Want Jahweh ontfermt zich over zijn volk, Heeft medelijden met zijn ellende!
14А Сион говорив: покинув мене Господь, і Бог мій забув мене!
14Maar Sion zegt: Jahweh heeft mij verlaten, De Heer mij vergeten!
15Хиба ж забуде молодиця своє немовлятко? хиба їй свого власного тїла жаль не буде? та хоч би й вона забула, то я не забуду тебе.
15Kan dan een vrouw soms haar kindje vergeten, Zich niet ontfermen over den zoon van haar schoot? En al zou ook zij het vergeten, Ik, Ik vergeet u nooit!
16Глянь, я написав тебе на долонях у себе; мури твої повсячасно перед очима в мене.
16Zie, Ik heb u gegrift in de palm van mijn handen, En uw muren staan Mij steeds voor de geest!
17Дїти твої повернуть до тебе, а ті що тебе валили та пустошили, геть пійдуть під тебе.
17Die u uit uw puinen herbouwen, snellen al toe, Nu uw vernielers zijn weggetrokken.
18Глянь, подивись навкруги, — всї вони купляться, ійдуть до тебе. Як живу я! говорить Господь, — ними всїма, як убраннєм, уберешся, й прикрасиш себе ними, наче молода.
18Sla uw ogen op, en zie rond: Ze zijn allen bijeen, en komen tot u! Zo waarachtig Ik leef, Spreekt Jahweh: Als een feestgewaad trekt gij ze allen aan, Gij omgordt u er mee als een bruid.
19Розвалища твої й пустарі твої й земля твоя спустошена — буде аж надто тїсна про осадників, а ті, що тебе пожерали, пійдуть геть од тебе.
19Want uw ruïnen en puinen En uw land, dat verwoest ligt, Waarachtig, nu worden ze voor de bewoners te eng, En die u vernielen, zijn verre!
20Дїти, що будуть у тебе після втрати старших, будуть голосно говорити тобі: Потїсне місце, дай і менї де жити.
20Weer zullen ze het u in de oren roepen, De zonen van u, die kinderloos waart: De ruimte is veel te klein voor mij; Maak plaats, opdat ik kan wonen!
21Скажеш тодї в серцї твому: хто ж менї їх наплодив? я ж бо й бездїтня була й неплідна й одинока; я була бранка відопхнута; хто ж їх викохав?
21Dan zult ge zeggen bij uzelf: Wie heeft mij dezen gebaard? Ik had toch geen kinderen, Ik was toch onvruchtbaar! Ik was verbannen en verstoten: Wie dan heeft ze groot gebracht; Zie, alleen was ik overgebleven: Waar komen ze dan vandaan?
22Так говорить Господь Бог: Се я підніму руку мою до народів і виставлю стяга мого до людів, і поприносять сини твої на руках і дочок твоїх на раменах.
22Zo spreekt de Heer, Jahweh, uw God: Zie, Ik hef mijn hand op naar de naties, Steek mijn banier omhoog naar de volken: Uw zonen brengen ze aan, aan hun boezem gedrukt, Uw dochters worden op de schouders gedragen;
23І будуть царі пістунами тобі, а царицї кормити муть тебе; і припадати муть ниць до землї й порох на ногах у тебе лизати, й зрозумієш тодї, що я Господь, і хто вповає на мене, не зазнає стиду.
23Koningen zullen uw opvoeders zijn, Hun vorstinnen uw voedsters! Ze werpen zich voor u neer, het gezicht op de grond, En likken het stof van uw voeten; Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben, Dat wie op Mij hopen, niet worden beschaamd!
24Хиба ж мож відняти у потужного здобич, або відобрати у побідника занятих у полон?
24Zal dan den sterke zijn prooi nog worden ontrukt, De gevangene zijn tyran nog ontsnappen?
25От же, — говорить Господь: І здобич у потужного буде однята, й полоняне з рук побідника визволені; я бо самий судитись буду з твоїми супротивниками, й сини твої повизволяю;
25Ja! Zelfs den sterke wordt de gevangene ontrukt, De prooi zal den tyran nog ontsnappen! Want zo spreekt Jahweh: Ikzelf zal uw bestrijders bekampen En uw zonen verlossen;
26І нагодую гнобителїв твоїх їх власним тїлом, і впються своєю кровю, наче вином молодим; і зрозуміє всяка плоть, що я — Господь, твій заступник, відкупитель і визволитель твій, потужний Яковів.
26Uw verdrukkers zal Ik hun eigen vlees laten eten, En dronken zullen ze worden van hun eigen bloed als van most. Dan zullen alle mensen weten, Dat Ik, Jahweh, het ben, die u redt, Jakobs Sterke, uw Verlosser!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.