Ісаїї
Chapter 26
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ісаїї 26

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1В той день буде в землї Юдиній ся пісня сьпіватись: Місто кріпке в нас; він спасеннє дав нам замість мурів і валів.
1Op die dag zal men dit lied In het land van Juda zingen: Wij hebben een sterke stad, Hij bouwt de beschermende muren en wallen!
2Відчиняйте ворота, нехай ввійде народ праведний, що любить правду.
2Opent de poorten: een vroom volk gaat er binnen, Dat de trouw heeft bewaard, standvastig van hart.
3Твердого духом хорониш ти в повному впокої, за те, що він на тебе вповає.
3Gij schenkt het een heerlijke vrede, Omdat het op U heeft gehoopt.
4Вповайте ж на Господа повіки, бо Господь Бог — се твердиня вічна.
4Ja, blijf altoos op Jahweh vertrouwen: Want Jahweh is de eeuwige Rots;
5Він поскидав тих, що згорда високо неслися, — той високий город; скинув його, поверг його, скинув у порох.
5Hij vernedert die hoog zijn gezeten, De trotse steden stort Hij omver; Hij gooit ze neer op de grond, En smijt ze weg in het stof;
6Топче його нога, ноги вбогого, стопи нуждарів.
6Ze worden onder de voeten vertrapt, De voeten der armen, de treden der zwakken!
7Путь праведного рівна; ти вирівнуєш стежку праведному.
7Maar het pad der vromen is effen, En voor den rechtvaardige baant Gij een weg;
8(стоячи) На стежцї судів твоїх, Господи, ми вповали на тебе; до твого імени й памяті про тебе змагала душа наша.
8Zelfs op het pad van uw straffen, o Jahweh, Blijven ze nog op U hopen! Naar uw Naam en uw glorie Verlangt onze ziel;
9Душею моєю взлїтав я поночі до тебе, й духом у внутрі моєму буду шукати тебе з досьвітнього ранку; коли бо присуди твої дїються на землї, тодї живущі на сьвітї навчаються справедливостї.
9Mijn ziel hunkert naar U in de nacht, Mijn geest smacht naar U in de morgen. Want als uw straffen De aarde treffen, Leren de bewoners der wereld Wat gerechtigheid is.
10Як безбожний буде помилуваний, — не навчиться справедливостї; він коїти ме лихо в землї праведних, та й не буде оглядатись на Господню велич.
10Maar als de boze genade verkrijgt, Leert hij de gerechtigheid nooit; Dan verdraait hij op aarde het recht, En bekommert zich niet om de grootheid van Jahweh!
11Господи! ти знімав правицю твою високо, та вони не бачили її; нехай же побачать і засоромляться ненавидники люду твого; огонь твій нехай пожере ворогів твоїх.
11Uw hand was opgeheven, o Jahweh, Maar ze bespeurden het niet. Laat ze uw ijver voor uw volk ondervinden, en blozen, En het vuur uw vijand verslinden. Straf hen, Jahweh,
12Господи! ти даруєш мир; бо ж усї справи наші ти нам устроюєш.
12Maar schenk ons de vrede; Want al wat ons ooit overkwam, Hebt Gij ons gedaan!
13Господи, Боже наш! над нами крім тебе панували володарі другі; та ми задля тебе одного імя твоє шануєм.
13Jahweh, onze God: Andere meesters dan Gij hebben over ons geheerst, Maar wij erkennen er geen buiten U, Verheerlijken enkel uw Naam!
14Мертві вже не ожиють; велетнї не встануть, бо ти навідався й вигубив їх, та затратив всю память про них.
14Ze zijn dood, en herleven niet, Schimmen, en staan niet meer op; Want Gij hebt ze bestraft en vernield, Zelfs ieder aandenken aan hen doen verdwijnen.
15Ти намножив люд, Господи, велико намножив; ти прославив себе, розширив гряницї землї.
15Jahweh, vermeerder uw volk, en verheerlijk U zelf: Zet alle grenzen uit van het land.
16Господи! він же тілько в нуждї шукав тебе; виливав тихі молитви, коли кари твої спадали на його.
16Jahweh, in onze benauwing zochten wij U, Riepen U aan, als uw kastijding ons trof.
17Мов та вагітна, як прийде час їй родити, мучиться, кричить у болях, оттак бували й ми перед тобою.
17Zoals een vrouw, wier barensuur nadert, Zich wringt en kermt in haar weeën, Zo waren wij, Jahweh, voor U:
18І ми бували вагітні, мучились, — та родили хиба вітер; спасення-добра не приспорили землї, й невірні осадники землї не попадали.
18We waren zwanger en kermden, maar baarden slechts wind! Neen, wij hebben geen redding gebracht aan het land, En er werden geen wereldbewoners geboren;
19Та мерцї твої ожиють, устануть мертві тїла! Оживайте ж, веселїтесь, що в порох лягли; бо роса в тебе, — роса, що живить травицю, й земля викине померших.
19Maar laat uw doden herleven, Hun gestorven lichamen verrijzen! Laat ze ontwaken en juichen, Die in het stof zijn begraven; Want uw dauw is een dauw ter genezing: Zo geeft de aarde haar doden weer!
20Ійди ж, народе мій, ввійди в свої хатини; зачини за собою двері, сховайся на часинку, докіль гнїв перейде;
20Ga nu, mijn volk, treed uw woonvertrek binnen, En sluit de deuren achter u; Verberg u nog een korte tijd, Tot de gramschap voorbij is.
21Ось бо, Господь вийде з пробутку свого покарати земнородних за їх беззаконство; й земля видасть із себе кров, що повсисала; не таїти ме вже своїх убитих.
21Want zie, Jahweh verlaat zijn woning reeds, Om de misdaad van de bewoners der aarde te wreken. En de aarde zal haar bloedschuld bekennen, Niet langer bedekken, die op haar zijn vermoord.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.