ΗΣΑΙΑΣ
Chapter 26
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΗΣΑΙΑΣ 26

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Τ… ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ᾄσονται τὸ ᾆσμα τοῦτο ἐπὶ γῆς Ἰούδα· ἰδοὺ πόλις ἰσχυρά, καὶ σωτήριον ἡμῶν θήσει τεῖχος καὶ περίτειχος.
1Op die dag zal men dit lied In het land van Juda zingen: Wij hebben een sterke stad, Hij bouwt de beschermende muren en wallen!
2ἀνοίξατε πύλας, εἰσελθέτω λαὸς φυλάσσων δικαιοσύνην καὶ φυλάσσων ἀλήθειαν,
2Opent de poorten: een vroom volk gaat er binnen, Dat de trouw heeft bewaard, standvastig van hart.
3ἀντιλαμβανόμενος ἀληθείας καὶ φυλάσσων εἰρήνην. ὅτι ἐπὶ σοὶ ἐλπίδι
3Gij schenkt het een heerlijke vrede, Omdat het op U heeft gehoopt.
4ἤλπισαν, Κύριε, ἕως τοῦ αἰῶνος, ὁ Θεὸς ὁ μέγας, ὁ αἰώνιος,
4Ja, blijf altoos op Jahweh vertrouwen: Want Jahweh is de eeuwige Rots;
5ὃς ταπεινώσας κατήγαγες τοὺς ἐνοικοῦντας ἐν ὑψηλοῖς· πόλεις ὀχυρὰς καταβαλεῖς καὶ κατάξεις ἕως ἐδάφους,
5Hij vernedert die hoog zijn gezeten, De trotse steden stort Hij omver; Hij gooit ze neer op de grond, En smijt ze weg in het stof;
6καὶ πατήσουσιν αὐτοὺς πόδες πρᾳέων καὶ ταπεινῶν.
6Ze worden onder de voeten vertrapt, De voeten der armen, de treden der zwakken!
7ὁδὸς εὐσεβῶν εὐθεῖα ἐγένετο, καὶ παρεσκευασμένη ἡ ὁδὸς τῶν εὐσεβῶν.
7Maar het pad der vromen is effen, En voor den rechtvaardige baant Gij een weg;
8ἡ γὰρ ὁδὸς Κυρίου κρίσις· ἠλπίσαμεν ἐπὶ τῷ ὀνόματί σου καὶ ἐπὶ τῇ μνείᾳ,
8Zelfs op het pad van uw straffen, o Jahweh, Blijven ze nog op U hopen! Naar uw Naam en uw glorie Verlangt onze ziel;
9ᾗ ἐπιθυμεῖ ἡ ψυχὴ ἡμῶν. ἐκ νυκτὸς ὀρθρίζει τὸ πνεῦμα μου πρός σε, ὁ Θεός, διότι φῶς τὰ προστάγματά σου ἐπὶ τῆς γῆς. δικαιοσύνην μάθετε, οἱ ἐνοικοῦντες ἐπὶ τῆς γῆς.
9Mijn ziel hunkert naar U in de nacht, Mijn geest smacht naar U in de morgen. Want als uw straffen De aarde treffen, Leren de bewoners der wereld Wat gerechtigheid is.
10πέπαυται γὰρ ὁ ἀσεβής· πᾶς ὃς οὐ μὴ μάθῃ δικαιοσύνην ἐπὶ τῆς γῆς, ἀλήθειαν οὐ μὴ ποιήσει· ἀρθήτω ὁ ἀσεβής, ἵνα μὴ ἴδῃ τὴν δόξαν Κυρίου.
10Maar als de boze genade verkrijgt, Leert hij de gerechtigheid nooit; Dan verdraait hij op aarde het recht, En bekommert zich niet om de grootheid van Jahweh!
11Κύριε, ὑψηλός σου ὁ βραχίων, καὶ οὐκ ᾔδεισαν, γνόντες δὲ αἰσχυνθήσονται. ζῆλος λήψεται λαὸν ἀπαίδευτον, καὶ νῦν πῦρ τοὺς ὑπεναντίους ἔδεται.
11Uw hand was opgeheven, o Jahweh, Maar ze bespeurden het niet. Laat ze uw ijver voor uw volk ondervinden, en blozen, En het vuur uw vijand verslinden. Straf hen, Jahweh,
12Κύριε ὁ Θεὸς ἡμῶν, εἰρήνην δὸς ἡμῖν, πάντα γὰρ ἀπέδωκας ἡμῖν.
12Maar schenk ons de vrede; Want al wat ons ooit overkwam, Hebt Gij ons gedaan!
13Κύριε ὁ Θεὸς ἡμῶν, κτῆσαι ἡμᾶς, Κύριε, ἐκτός σου ἄλλον οὐκ οἴδαμεν, τὸ ὄνομά σου ὀνομάζομεν.
13Jahweh, onze God: Andere meesters dan Gij hebben over ons geheerst, Maar wij erkennen er geen buiten U, Verheerlijken enkel uw Naam!
14οἱ δὲ νεκροὶ ζωὴν οὐ μὴ ἴδωσιν, οὐδὲ ἰατροὶ οὐ μὴ ἀναστήσουσι· διὰ τοῦτο ἐπήγαγες καὶ ἀπώλεσας καὶ ᾖρας πᾶν ἄρσεν αὐτῶν.
14Ze zijn dood, en herleven niet, Schimmen, en staan niet meer op; Want Gij hebt ze bestraft en vernield, Zelfs ieder aandenken aan hen doen verdwijnen.
15πρόσθες αὐτοῖς κακά, Κύριε, πρόσθες κακὰ τοῖς ἐνδόξοις τῆς γῆς.
15Jahweh, vermeerder uw volk, en verheerlijk U zelf: Zet alle grenzen uit van het land.
16Κύριε, ἐν θλίψει ἐμνήσθην σου, ἐν θλίψει μικρᾷ ἡ παιδεία σου ἡμῖν.
16Jahweh, in onze benauwing zochten wij U, Riepen U aan, als uw kastijding ons trof.
17καὶ ὡς ἡ ὠδίνουσα ἐγγίζει τοῦ τεκεῖν καὶ ἐπὶ τῇ ὠδῖνι αὐτῆς ἐκέκραξεν, οὕτως ἐγενήθημεν τῷ ἀγαπητῷ σου διὰ τὸν φόβον σου, Κύριε.
17Zoals een vrouw, wier barensuur nadert, Zich wringt en kermt in haar weeën, Zo waren wij, Jahweh, voor U:
18ἐν γαστρὶ ἐλάβομεν καὶ ὠδινήσαμεν καὶ ἐτέκομεν· πνεῦμα σωτηρίας σου ἐποιήσαμεν ἐπὶ τῆς γῆς, οὐ πεσούμεθα, ἀλλὰ πεσοῦνται πάντες οἱ ἐνοικοῦντες ἐπὶ τῆς γῆς.
18We waren zwanger en kermden, maar baarden slechts wind! Neen, wij hebben geen redding gebracht aan het land, En er werden geen wereldbewoners geboren;
19ἀναστήσονται οἱ νεκροί, καὶ ἐγερθήσονται οἱ ἐν τοῖς μνημείοις, καὶ εὐφρανθήσονται οἱ ἐν τῇ γῇ· ἡ γὰρ δρόσος ἡ παρὰ σοῦ ἴαμα αὐτοῖς ἐστιν, ἡ δὲ γῆ τῶν ἀσεβῶν πεσεῖται.
19Maar laat uw doden herleven, Hun gestorven lichamen verrijzen! Laat ze ontwaken en juichen, Die in het stof zijn begraven; Want uw dauw is een dauw ter genezing: Zo geeft de aarde haar doden weer!
20βάδιζε, λαός μου, εἴσελθε εἰς τὰ ταμιεῖά σου, ἀπόκλεισον τὴν θύραν σου, ἀποκρύβηθι μικρὸν ὅσον ὅσον, ἕως ἂν παρέλθῃ ἡ ὀργὴ Κυρίου·
20Ga nu, mijn volk, treed uw woonvertrek binnen, En sluit de deuren achter u; Verberg u nog een korte tijd, Tot de gramschap voorbij is.
21ἰδοὺ γὰρ Κύριος ἀπὸ τοῦ ἁγίου ἐπάγει τὴν ὀργὴν ἐπὶ τοὺς ἐνοικοῦντας ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ ἀνακαλύψει ἡ γῆ τὸ αἷμα αὐτῆς καὶ οὐ κατακαλύψει τοὺς ἀνῃρημένους ἐπ᾿ αὐτῆς.
21Want zie, Jahweh verlaat zijn woning reeds, Om de misdaad van de bewoners der aarde te wreken. En de aarde zal haar bloedschuld bekennen, Niet langer bedekken, die op haar zijn vermoord.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.